1 Korintiers 14
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Douay-Rheims Bible, American Edition (1899)
1Jaagt de liefde na, en streeft dan naar de Geestesgaven, doch naar het profeteren het meest.
1Follow after charity, be zealous for spiritual gifts; but rather that you may prophesy.
2Wie talen spreekt, spreekt niet voor mensen, maar voor God; want niemand verstaat hem, maar in geestverrukking spreekt hij geheimzinnige woorden uit.
2For he that speaketh in a tongue, speaketh not unto men, but unto God: for no man heareth. Yet by the Spirit he speaketh mysteries.
3Maar wie profeteert, spreekt voor mensen tot stichting, vermaning en troost.
3But he that prophesieth, speaketh to men unto edification, and exhortation, and comfort.
4Wie talen spreekt, sticht zichzelf; maar wie profeteert, sticht de gemeente.
4He that speaketh in a tongue, edifieth himself: but he that prophesieth, edifieth the church.
5Ik wens u allen toe, dat gij in talen moogt spreken, maar meer nog, dat gij moogt profeteren; want hij die profeteert, overtreft hem die in talen spreekt, behalve als hij het ook vertolkt, zodat de gemeente er stichting uit trekt.
5And I would have you all to speak with tongues, but rather to prophesy. For greater is he that prophesieth, than he that speaketh with tongues: unless perhaps he interpret, that the church may receive edification.
6Welnu broeders, als ik tot u kwam en in talen sprak, wat nut zou ik u stichten, zo ik niet tevens u toesprak met openbaring of kennis, met profetie of met lering?
6But now, brethren, if I come to you speaking with tongues, what shall I profit you, unless I speak to you either in revelation, or in knowledge, or in prophecy, or in doctrine?
7Het gaat er mee als met de levenloze muziekinstrumenten, fluit of citer; zo ze verwarde geluiden voortbrengen, hoe komt men dan te weten, wat er gefloten of getokkeld wordt?
7Even things without life that give sound, whether pipe or harp, except they give a distinction of sounds, how shall it be known what is piped or harped?
8En zo een bazuin een bazuin onzekere klank uitstoot, wie maakt zich dan ten strijde gereed?
8For if the trumpet give an uncertain sound, who shall prepare himself to the battle?
9Zo gaat het ook u met uw taal; zo gij geen verstaanbare woorden doet horen, hoe zal men dan begrijpen wat er gesproken wordt? Gij spreekt dan tegen de wind!
9So likewise you, except you utter by the tongue plain speech, how shall it be known what is said? For you shall be speaking into the air.
10Er zijn in de wereld wie weet hoeveel talen, en geen enkele is er onverstaanbaar.
10There are, for example, so many kinds of tongues in this world; and none is without voice.
11Maar wanneer ik de zin der taal niet versta, dan ben ik een barbaar voor iemand, die met me spreekt, en hij voor mij.
11If then I know not the power of the voice, I shall be to him to whom I speak a barbarian; and he that speaketh, a barbarian to me.
12Zo moet ook gij, nu gij toch zo naar geestverrukking hunkert, er ijverig naar streven, om daarmee de stichting der gemeente zoveel mogelijk te bevorderen.
12So you also, forasmuch as you are zealous of spirits, seek to abound unto the edifying of the church.
13Dus, hij die in talen spreekt, moet bidden, dat hij ook vertolken kan.
13And therefore he that speaketh by a tongue, let him pray that he may interpret.
14Want wanneer ik in talen bid, dan bidt wel mijn geest, maar mijn verstand dient voor niets.
14For if I pray in a tongue, my spirit prayeth, but my understanding is without fruit.
15Hoe moet het dan? Ik wil bidden met mijn geest, maar ook bidden met mijn verstand; ik wil lofzingen met mijn geest, maar ook lofzingen met mijn verstand.
15What is it then? I will pray with the spirit, I will pray also with the understanding; I will sing with the spirit, I will sing also with the understanding.
16Want wanneer ge een dankzegging uitspreekt in geestverrukking, hoe zal dan iemand, die tot de oningewijden behoort, het “Amen” kunnen zeggen op uw dankzegging, daar hij niet weet, wat ge zegt.
16Else if thou shalt bless with the spirit, how shall he that holdeth the place of the unlearned say, Amen, to thy blessing? because he knoweth not what thou sayest.
17Zeker, gij van uw kant spreekt een schoon dankgebed uit, maar de ander wordt er niet door gesticht.
17For thou indeed givest thanks well, but the other is not edified.
18Ik dank God, dat ik meer dan gij allen in talen spreek;
18I thank my God I speak with all your tongues.
19maar toch wil ik in de gemeente liever vijf woorden spreken met mijn verstand, om ook anderen te onderrichten, dan tienduizend in een taal.
19But in the church I had rather speak five words with my understanding, that I may instruct others also; than ten thousand words in a tongue.
20Broeders, weest geen kinderen in uw oordeel, maar weest onmondig in het kwaad en rijp in uw oordeel.
20Brethren, do not become children in sense: but in malice be children, and in sense be perfect.
21In de Wet staat geschreven: ”Door mensen met vreemde taal, En door lippen van vreemden Zal Ik spreken tot dit volk; Ook dan zullen ze niet naar Mij horen. Spreekt de Heer.”
21In the law it is written: In other tongues and other lips I will speak to this people; and neither so will they hear me, saith the Lord.
22De talen zijn dus een teken niet voor de gelovigen, maar voor de ongelovigen; de profetie daarentegen is niet voor de ongelovigen, maar voor hen, die geloven.
22Wherefore tongues are for a sign, not to believers, but to unbelievers; but prophecies not to unbelievers, but to believers.
23Veronderstelt nu eens, dat heel de gemeente op één plaats bijeen is en allen in talen spreken, en dat er een oningewijde of een ongelovige binnenkomt; zullen ze dan niet zeggen, dat gij waanzinnig zijt?
23If therefore the whole church come together into one place, and all speak with tongues, and there come in unlearned persons or infidels, will they not say that you are mad?
24Maar zo allen profeteren, en er komt een ongelovige of oningewijde binnen, dan wordt hij door allen overtuigd, door allen geoordeeld,
24But if all prophesy, and there come in one that believeth not, or an unlearned person, he is convinced of all, he is judged of all.
25en zijn hartsgeheimen worden blootgelegd; dan zal hij neervallen op zijn aangezicht, God aanbidden, en het openlijk verkondigen, dat waarlijk God in uw midden is.
25The secrets of his heart are made manifest; and so, falling down on his face, he will adore God, affirming that God is among you indeed.
26Hoe moet het dan, broeders? Bij uw samenkomsten mag elk iets hebben; de één een psalm, de ander een onderrichting, openbaring, taal of vertolking. Maar alles moet tot stichting geschieden.
26How is it then, brethren? When you come together, every one of you hath a psalm, hath a doctrine, hath a revelation, hath a tongue, hath an interpretation: let all things be done to edification.
27Wanneer men in talen spreekt, dan geschiede het door twee, hoogstens drie, en op de beurt; en één moet het vertolken.
27If any speak with a tongue, let it be by two, or at the most by three, and in course, and let one interpret.
28Zo er geen tolk aanwezig is, dan moet men zwijgen in de gemeente, en slechts spreken voor zichzelf en voor God.
28But if there be no interpreter, let him hold his peace in the church, and speak to himself and to God.
29Van de profeten mogen er twee of drie het woord voeren, en de anderen moeten het beoordelen.
29And let the prophets speak, two or three; and let the rest judge.
30En wanneer een ander, die er bij zit, een openbaring ontvangt, dan moet de eerste zwijgen.
30But if any thing be revealed to another sitting, let the first hold his peace.
31Zeker, als het úw beurt is, moogt gij allen profeteren, opdat allen er uit leren, en allen worden vertroost.
31For you may all prophesy one by one; that all may learn, and all may be exhorted:
32Profeten-geesten toch zijn aan de profeten zelf onderworpen;
32And the spirits of the prophets are subject to the prophets.
33want God is geen God van wanorde, maar van vrede. Zoals het in alle gemeenten der heiligen gebeurt,
33For God is not the God of dissension, but of peace: as also I teach in all the churches of the saints.
34moeten de vrouwen in de bijeenkomsten zwijgen. Want het is haar taak niet, te spreken; maar ze moeten onderdanig zijn, zoals de Wet het ook zegt.
34Let women keep silence in the churches: for it is not permitted them to speak, but to be subject, as also the law saith.
35En wanneer ze inlichtingen verlangen, dan moeten ze thuis haar eigen man er naar vragen. Want het is voor een vrouw onbetamelijk, in de kerk het woord te voeren.
35But if they would learn any thing, let them ask their husbands at home. For it is a shame for a woman to speak in the church.
36Is het woord Gods soms van u uitgegaan, of is het alleen tot u doorgedrongen?
36Or did the word of God come out from you? Or came it only unto you?
37Zo iemand zich voor een profeet of begenadigde houdt, hij erkenne, dat het een gebod des Heren is, wat ik u schrijf.
37If any seem to be a prophet, or spiritual, let him know the things that I write to you, that they are the commandments of the Lord.
38En zo hij het miskent, dan worde hij zelf miskend.
38But if any man know not, he shall not be known.
39Zo dan, mijn broeders, beijvert u om te profeteren, en belemmert het spreken in talen niet.
39Wherefore, brethren, be zealous to prophesy; and forbid not to speak with tongues.
40Maar laat alles betamelijk en ordelijk gebeuren.
40But let all things be done decently, and according to order.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.