1 Korintiers 14
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Londona Biblio (Esperanto, 1910)
1Jaagt de liefde na, en streeft dan naar de Geestesgaven, doch naar het profeteren het meest.
1Sekvu amon; tamen deziregu spiritajn donacojn, sed prefere, ke vi profetadu.
2Wie talen spreekt, spreekt niet voor mensen, maar voor God; want niemand verstaat hem, maar in geestverrukking spreekt hij geheimzinnige woorden uit.
2Ĉar tiu, kiu per lingvo parolas, ne al homoj parolas, sed al Dio; ĉar neniu komprenas, sed en la spirito li parolas misterojn.
3Maar wie profeteert, spreekt voor mensen tot stichting, vermaning en troost.
3Sed la profetanto parolas al homoj edifon kaj konsilon kaj konsolon.
4Wie talen spreekt, sticht zichzelf; maar wie profeteert, sticht de gemeente.
4Tiu, kiu per lingvo parolas, edifas sin mem; sed la profetanto edifas la eklezion.
5Ik wens u allen toe, dat gij in talen moogt spreken, maar meer nog, dat gij moogt profeteren; want hij die profeteert, overtreft hem die in talen spreekt, behalve als hij het ook vertolkt, zodat de gemeente er stichting uit trekt.
5Mi volas, ke vi ĉiuj parolu per lingvoj, sed prefere, ke vi profetadu; kaj pli granda estas la profetanto, ol la per lingvoj parolanta, krom se li ankaŭ interpretas, por ke la eklezio ricevu edifon.
6Welnu broeders, als ik tot u kwam en in talen sprak, wat nut zou ik u stichten, zo ik niet tevens u toesprak met openbaring of kennis, met profetie of met lering?
6Sed nun, fratoj, se mi venus al vi, parolante per lingvoj, kiel mi vin helpus, se mi ne parolus al vi, aŭ en formo de malkaŝado, aŭ de sciado, aŭ de profetado, aŭ de instruado?
7Het gaat er mee als met de levenloze muziekinstrumenten, fluit of citer; zo ze verwarde geluiden voortbrengen, hoe komt men dan te weten, wat er gefloten of getokkeld wordt?
7Eĉ la senvivaĵoj, kiuj produktas sonon, ĉu fluto, ĉu harpo, se ili ne donas diferencon en la sonoj, kiel oni scios, kio estas flutata aŭ harpata?
8En zo een bazuin een bazuin onzekere klank uitstoot, wie maakt zich dan ten strijde gereed?
8Ĉar se la trumpeto donos necertan voĉon, kiu pretiĝos por batalo?
9Zo gaat het ook u met uw taal; zo gij geen verstaanbare woorden doet horen, hoe zal men dan begrijpen wat er gesproken wordt? Gij spreekt dan tegen de wind!
9Tiel ankaŭ vi, se vi per la lango ne donas parolon facile kompreneblan, kiel oni scios, kio estas parolata? ĉar en la aeron vi parolus.
10Er zijn in de wereld wie weet hoeveel talen, en geen enkele is er onverstaanbaar.
10Eble estas tiom da specoj de voĉoj en la mondo, kaj nenia estas sensignifa.
11Maar wanneer ik de zin der taal niet versta, dan ben ik een barbaar voor iemand, die met me spreekt, en hij voor mij.
11Se do mi ne scios la signifon de la voĉo, mi estos, rilate la parolanton, barbaro, kaj la parolanto estos por mi barbaro.
12Zo moet ook gij, nu gij toch zo naar geestverrukking hunkert, er ijverig naar streven, om daarmee de stichting der gemeente zoveel mogelijk te bevorderen.
12Tiel same ankaŭ vi, dum vi fervore deziras spiritajn donacojn, klopodu, ke vi havu abunde por la edifo de la eklezio.
13Dus, hij die in talen spreekt, moet bidden, dat hij ook vertolken kan.
13Tial kiu parolas per lingvo, tiu preĝu, ke li interpretu.
14Want wanneer ik in talen bid, dan bidt wel mijn geest, maar mijn verstand dient voor niets.
14Ĉar se mi preĝas per lingvo, mia spirito preĝas, sed mia intelekto estas senfrukta.
15Hoe moet het dan? Ik wil bidden met mijn geest, maar ook bidden met mijn verstand; ik wil lofzingen met mijn geest, maar ook lofzingen met mijn verstand.
15Kio do estas? Mi preĝos spirite, kaj mi preĝos ankaŭ intelekte; mi kantos spirite, kaj mi kantos ankaŭ intelekte.
16Want wanneer ge een dankzegging uitspreekt in geestverrukking, hoe zal dan iemand, die tot de oningewijden behoort, het “Amen” kunnen zeggen op uw dankzegging, daar hij niet weet, wat ge zegt.
16Alie, se vi benas spirite, kiamaniere tiu, kiu okupas la lokon de la malklerulo, diros Amen ĉe via dankesprimo? ĉar li ne scias, kion vi diras.
17Zeker, gij van uw kant spreekt een schoon dankgebed uit, maar de ander wordt er niet door gesticht.
17Ĉar vi ja bone dankesprimas, sed la alia ne estas edifata.
18Ik dank God, dat ik meer dan gij allen in talen spreek;
18Mi dankas Dion, mi parolas per lingvoj pli ol vi ĉiuj;
19maar toch wil ik in de gemeente liever vijf woorden spreken met mijn verstand, om ook anderen te onderrichten, dan tienduizend in een taal.
19tamen en la eklezio mi preferus paroli kvin vortojn per mia intelekto, por ke mi instruu ankaŭ aliajn, ol dek mil vortojn per lingvo.
20Broeders, weest geen kinderen in uw oordeel, maar weest onmondig in het kwaad en rijp in uw oordeel.
20Fratoj, ne estu infanoj en viaj mensoj; tamen en malico estu infanetoj, sed en la mensoj estu plenaĝuloj.
21In de Wet staat geschreven: ”Door mensen met vreemde taal, En door lippen van vreemden Zal Ik spreken tot dit volk; Ook dan zullen ze niet naar Mij horen. Spreekt de Heer.”
21En la leĝo estas skribite: Per balbutantaj lipoj kaj per lingvo fremda Mi parolos al ĉi tiu popolo; kaj tamen tiel ili ne volos aŭskulti Min, diras la Eternulo.
22De talen zijn dus een teken niet voor de gelovigen, maar voor de ongelovigen; de profetie daarentegen is niet voor de ongelovigen, maar voor hen, die geloven.
22Tial la lingvoj estas kiel signo, ne al la kredantoj, sed al la nekredantoj; sed la profetpovo estas kiel signo, ne al la nekredantoj, sed al la kredantoj.
23Veronderstelt nu eens, dat heel de gemeente op één plaats bijeen is en allen in talen spreken, en dat er een oningewijde of een ongelovige binnenkomt; zullen ze dan niet zeggen, dat gij waanzinnig zijt?
23Se do la tuta eklezio kunvenos, kaj ĉiuj parolos per lingvoj, kaj tien envenos nekleruloj aŭ nekredantoj, ĉu ili ne diros, ke vi frenezas?
24Maar zo allen profeteren, en er komt een ongelovige of oningewijde binnen, dan wordt hij door allen overtuigd, door allen geoordeeld,
24Sed se ĉiuj profetos, kaj envenos nekredanto aŭ neklerulo, li estos konvinkata de ĉiuj, li estos juĝata de ĉiuj;
25en zijn hartsgeheimen worden blootgelegd; dan zal hij neervallen op zijn aangezicht, God aanbidden, en het openlijk verkondigen, dat waarlijk God in uw midden is.
25la sekretoj de lia koro estos elmontrataj; kaj sekve li falos sur sian vizaĝon kaj adoros Dion, deklarante, ke Dio ja estas ĉe vi.
26Hoe moet het dan, broeders? Bij uw samenkomsten mag elk iets hebben; de één een psalm, de ander een onderrichting, openbaring, taal of vertolking. Maar alles moet tot stichting geschieden.
26Kio do estas, fratoj? Kiam vi kunvenas, ĉiu havas psalmon, havas instruon, havas malkaŝaĵon, havas lingvon, havas interpretaĵon. Ĉio fariĝu por edifo.
27Wanneer men in talen spreekt, dan geschiede het door twee, hoogstens drie, en op de beurt; en één moet het vertolken.
27Se oni parolas per lingvo, tio estu duope, aŭ triope je plejmulto, kaj laŭvice; kaj unu interpretu;
28Zo er geen tolk aanwezig is, dan moet men zwijgen in de gemeente, en slechts spreken voor zichzelf en voor God.
28sed se ne ĉeestas interpretanto, oni silentu en la eklezio; kaj li parolu al si kaj al Dio.
29Van de profeten mogen er twee of drie het woord voeren, en de anderen moeten het beoordelen.
29Kaj la profetoj parolu duope aŭ triope, kaj la aliaj interdiferencigu.
30En wanneer een ander, die er bij zit, een openbaring ontvangt, dan moet de eerste zwijgen.
30Sed se al alia apudsidanta io malkaŝiĝos, la unua silentu.
31Zeker, als het úw beurt is, moogt gij allen profeteren, opdat allen er uit leren, en allen worden vertroost.
31Ĉar vi ĉiuj povas profeti unuope laŭvice, por ke ĉiuj lernu, kaj ĉiuj ricevu konsilon;
32Profeten-geesten toch zijn aan de profeten zelf onderworpen;
32kaj la spiritoj de la profetoj estas submetataj al la profetoj;
33want God is geen God van wanorde, maar van vrede. Zoals het in alle gemeenten der heiligen gebeurt,
33ĉar Dio estas Dio ne de konfuzo, sed de paco; kiel en ĉiuj eklezioj de la sanktuloj.
34moeten de vrouwen in de bijeenkomsten zwijgen. Want het is haar taak niet, te spreken; maar ze moeten onderdanig zijn, zoals de Wet het ook zegt.
34La virinoj silentadu en la eklezioj; ĉar ne estas permesate al ili paroli, sed ili submetiĝu, kiel ankaŭ diras la leĝo.
35En wanneer ze inlichtingen verlangen, dan moeten ze thuis haar eigen man er naar vragen. Want het is voor een vrouw onbetamelijk, in de kerk het woord te voeren.
35Kaj se ili volas lerni ion, ili demandu al siaj edzoj hejme; ĉar estas honte por virino paroli en la eklezio.
36Is het woord Gods soms van u uitgegaan, of is het alleen tot u doorgedrongen?
36Kio? ĉu el vi la vorto de Dio eliris? ĉu ĝi venis al vi solaj?
37Zo iemand zich voor een profeet of begenadigde houdt, hij erkenne, dat het een gebod des Heren is, wat ik u schrijf.
37Se iu ŝajnas al si esti profeto aŭ laŭspirita, li sciiĝu pri tio, kion mi skribas al vi, ke ĝi estas la ordono de la Sinjoro.
38En zo hij het miskent, dan worde hij zelf miskend.
38Sed se iu ne scias, li ne sciu.
39Zo dan, mijn broeders, beijvert u om te profeteren, en belemmert het spreken in talen niet.
39Tial, fratoj, deziregu profeti, kaj ne malpermesu paroli per lingvoj.
40Maar laat alles betamelijk en ordelijk gebeuren.
40Sed ĉio fariĝu konvene kaj laŭorde.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.