1 Korintiers 11
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Londona Biblio (Esperanto, 1910)
1Weest mijn navolgers, zoals ik het ben van Christus!
1Vi estu imitantoj de mi, kiel mi ankaŭ estas imitanto de Kristo.
2Ik prijs u, omdat gij bij allerlei zaken aan mij denkt, en vasthoudt aan de voorschriften, die ik u gegeven heb.
2Mi laŭdas vin, ke vi min memoras en ĉio, kaj ke vi firme tenas la tradiciojn, ĝuste kiel mi transdonis ilin al vi.
3Welnu, ik wil, dat gij wèl bedenkt: het hoofd van iederen man is Christus; het hoofd van de vrouw is de man; het hoofd van Christus is God.
3Sed mi volas sciigi vin, ke la kapo de ĉiu viro estas Kristo; kaj la kapo de virino estas viro; kaj la kapo de Kristo estas Dio.
4Iedere man, die bidt of profeteert met bedekt hoofd, doet zijn hoofd schande aan.
4Ĉiu viro, preĝanta aŭ profetanta kun kapo kovrita, malhonoras sian kapon.
5Iedere vrouw daarentegen, die blootshoofds bidt of profeteert, doet haar hoofd schande aan; want dat is juist hetzelfde, als deed ze het met geschoren hoofd.
5Sed ĉiu virino, preĝanta aŭ profetanta kun kapo senvuala, malhonoras sian kapon; ĉar tio estas tia sama, kvazaŭ ŝi estus razita.
6Ja, zo een vrouw zich niet bedekken wil, dan moet ze zich ook maar de haren doen knippen; en zo het voor een vrouw een schande is, zich kaal te laten knippen of scheren, dan moet ze zich ook maar bedekken.
6Ĉar se virino ne estas vualita, ŝi ankaŭ tondiĝu; sed se estas hontinde por virino esti kun haroj tonditaj aŭ razitaj, ŝi estu vualita.
7De man moet zijn hoofd niet bedekken, daar hij het evenbeeld is en de glorie van God; maar de vrouw is de glorie van den man.
7Ĉar viro devas ne havi la kapon vualita, pro tio, ke li estas la bildo kaj gloro de Dio; sed virino estas la gloro de viro.
8Want de man is niet uit de vrouw, maar de vrouw is uit den man;
8Ĉar viro ne estas el virino, sed virino el viro;
9en de man is niet geschapen om de vrouw, maar de vrouw om den man.
9ĉar ankaŭ viro ne estas kreita por virino, sed virino por viro;
10En daarom moet de vrouw een macht over haar hoofd behouden ter wille der engelen.
10pro tio virino devas havi sur la kapo signon de aŭtoritato, pro la anĝeloj.
11Toch blijft het waar: naar ‘s Heren plan is een vrouw er niet zonder man, maar ook is een man er niet zonder vrouw.
11Tamen ne ekzistas virino sen viro, nek viro sen virino, en la Sinjoro.
12Want zoals de vrouw uit den man is ontstaan, zo ontstaat ook weer de man door de vrouw; en dit alles naar Gods beschikking.
12Ĉar kiel virino estas el viro, tiel same ankaŭ estas viro per virino; sed ĉio estas el Dio.
13Oordeelt nu zelf: Is het betamelijk, dat een vrouw bidt met onbedekt hoofd?
13Juĝu en vi mem: ĉu decas, ke virino preĝu al Dio nevualite?
14Leert toch de natuur zelf u niet, dat het voor den man een schande is, lang haar te dragen;
14Ĉu eĉ la naturo mem ne instruas vin, ke se viro havas longajn harojn, tio estas por li malhonoro?
15terwijl het voor de vrouw een eer is, wanneer ze lang haar draagt; want de haardos is haar gegeven bij wijze van sluier.
15Sed se virino havas longajn harojn, tio estas por ŝi gloro; ĉar ŝiaj haroj estas donitaj al ŝi kiel kovraĵo.
16En zo iemand nog andere bewijzen verlangt: wij hebben zulke gebruiken niet, en de gemeenten Gods evenmin.
16Sed se iu ŝajnas esti disputema, ni ne havas tian kutimon, nek la eklezioj de Dio.
17Bij de nu volgende vermaning kan ik u niet prijzen. Want gij komt niet samen tot uw heil, maar tot uw onheil.
17Sed ordonante al vi jene, mi ne laŭdas vin, ke vi kunvenas ne por pliboniĝo, sed por malpliboniĝo.
18Vooreerst toch hoor ik, dat er bij uw bijeenkomsten in de kerk verdeeldheid onder u heerst; en gedeeltelijk geloof ik dit ook.
18Ĉar unue mi aŭdas, ke kiam vi kunvenas en la eklezio, ekzistas inter vi skismoj; kaj mi parte kredas tion.
19Want het is nodig, dat er scheuringen onder u zijn, wil het blijken, wie onder u standvastig is.
19Ĉar necese estas, ke ankaŭ herezoj estu inter vi, por ke la aprobitoj evidentiĝu inter vi.
20Wanneer gij bijeen komt, dan is dat geen nuttigen van de Maaltijd des Heren.
20Kiam do vi kunvenas, estas neeble manĝi la Sinjoran vespermanĝon;
21Want iedereen begint zijn eigen maal vooruit te eten; en zó is de een hongerig, de ander over-verzadigd.
21ĉar en via manĝado ĉiu antaŭ alia prenas sian propran vespermanĝon; kaj unu malsatas, kaj alia drinkas.
22Hebt gij dan geen huizen, om te eten en te drinken? Of durft gij de kerk van God verachten, en hen die niets bezitten, vernederen? Wat zal ik u zeggen? Zal ik u prijzen? Op dit punt prijs ik u zeker niet.
22Kio? ĉu vi ne havas domojn, en kiuj vi povas manĝi kaj trinki? aŭ ĉu vi malestimas la eklezion de Dio, kaj hontigas la nehavantojn? Kion mi diros? ĉu mi vin laŭdos en tio? Mi ja vin ne laŭdas.
23Want ik zelf heb van den Heer ontvangen, wat ik u ook heb overgeleverd; dat de Heer Jesus in de nacht, dat Hij verraden werd, brood nam,
23Ĉar mi ricevis de la Sinjoro tion, kion mi ankaŭ transdonis al vi, ke la Sinjoro Jesuo en la nokto, en kiu li estis perfidata, prenis panon;
24een dankzegging sprak, het brak en zeide: “Dit is mijn Lichaam, dat voor u wordt overgeleverd. Doet dit tot mijn gedachtenis.”
24kaj doninte dankon, li dispecigis ĝin, kaj diris: Ĉio tio estas mia korpo, kiu estas por vi; ĉi tion faru por memorigo pri mi.
25Zo ook na de maaltijd de kelk, zeggende: “Deze kelk is het nieuwe Verbond in mijn Bloed. Doet dit, zo dikwijls gij drinkt, tot mijn gedachtenis.”
25Tiel same ankaŭ la kalikon post la vespermanĝo, dirante: Ĉi tiu kaliko estas la nova interligo en mia sango; ĉi tion faru ĉiufoje, kiam vi trinkos, por memorigo pri mi.
26Welnu, zo dikwijls gij dit brood eet en de kelk drinkt, verkondigt gij de dood des Heren, totdat Hij komt.
26Ĉar ĉiufoje, kiam vi manĝos ĉi tiun panon kaj trinkos la kalikon, vi proklamos la morton de la Sinjoro, ĝis li venos.
27Wie dus op onwaardige wijze het brood eet of de kelk des Heren drinkt, bezondigt zich aan het Lichaam en Bloed des Heren.
27Tial ĉiu, kiu neinde manĝos la panon aŭ trinkos la kalikon de la Sinjoro, kulpiĝos pri la korpo kaj la sango de la Sinjoro.
28Laat dus een ieder zichzelf onderzoeken, en dan eerst eten van het brood en drinken van de kelk.
28Sed oni sin provu, kaj tiele manĝu el la pano kaj trinku el la kaliko.
29Want wie eet en drinkt, eet en drinkt zich een oordeel, zo hij het Lichaam niet naar waarde beoordeelt.
29Ĉar la manĝanto kaj trinkanto manĝas kaj trinkas juĝon al si mem, se li ne pripensas la korpon.
30Daarom zijn er onder u zoveel zwakken en zieken, en zijn er zovelen ontslapen.
30Pro tio multaj inter vi estas malfortaj kaj malsanaj, kaj ne malmultaj dormas.
31Zo we onszelf naar waarheid hadden beoordeeld, zouden we niet geoordeeld worden.
31Sed se ni pripensus nin mem, ni ne estus juĝitaj.
32Welnu, als we door den Heer worden gèoordeeld, dan is dat voor ons een les, om niet met de wereld vèroordeeld te worden.
32Sed kiam ni estas juĝataj, ni estas punataj de la Sinjoro, por ke ni ne estu kondamnitaj kune kun la mondo.
33En daarom, mijn broeders, wanneer gij bijeenkomt om te eten, blijft dan op elkander wachten.
33Tial, miaj fratoj, kiam vi kunvenas por manĝi, atendu unu la alian.
34Zo iemand honger heeft, dan moet hij thuis maar eten. Anders komt gij tot uw oordeel bijeen. De andere zaken zal ik wel regelen, wanneer ik kom.
34Se iu malsatas, li manĝu hejme, por ke via kunvenado ne enkonduku juĝon. Kaj la ceteron mi ordigos, kiam mi venos.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.