Galatas 4
Clementine Vulgate, 1598Translation
Clementine Vulgate, 1598
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Dico autem: quanto tempore hæres parvulus est, nihil differt a servo, cum sit dominus omnium:
1Dit stel ik vast: Zolang de erfgenaam onmondig is, verschilt hij in niets van den slaaf, ook al is hij heer van alles;
2sed sub tutoribus et actoribus est usque ad præfinitum tempus a patre:
2maar hij staat onder voogden en beheerders tot aan de tijd, die door zijn vader is bepaald.
3ita et nos cum essemus parvuli, sub elementis mundi eramus servientes.
3Zó ook waren wij, toen we nog onmondig waren, als slaven onderworpen aan de leerbeginselen der wereld.
4At ubi venit plenitudo temporis, misit Deus Filium suum factum ex muliere, factum sub lege,
4Maar toen de volheid van de tijd was gekomen, heeft God zijn eigen Zoon gezonden, die uit een vrouw werd geboren en geboren werd onder de Wet,
5ut eos, qui sub lege erant, redimeret, ut adoptionem filiorum reciperemus.
5opdat Hij allen zou loskopen, die staan onder de Wet, en wij het kindschap zouden beërven.
6Quoniam autem estis filii, misit Deus Spiritum Filii sui in corda vestra, clamantem: Abba, Pater.
6En het bewijs, dat gij kinderen zijt: God heeft den Geest van zijn Zoon in onze harten gezonden, en Deze roept: Abba, Vader!
7Itaque jam non est servus, sed filius: quod si filius, et hæres per Deum.
7Ge zijt dus geen slaaf meer, maar kind; zijt ge kind, dan zijt ge ook erfgenaam, dank zij God.
8Sed tunc quidem ignorantes Deum, iis, qui natura non sunt dii, serviebatis.
8Zeker, vroeger hebt gij God niet gekend en zijt gij goden gaan dienen, die het in werkelijkheid niet zijn;
9Nunc autem cum cognoveritis Deum, immo cogniti sitis a Deo: quomodo convertimini iterum ad infirma et egena elementa, quibus denuo servire vultis?
9maar thans, nu gij God kent, of liever nog, door God wordt gekend, hoe zoudt gij u weer gaan wenden tot die zwakke en onbeduidende leerbeginselen, wier slaven gij weer worden wilt?
10Dies observatis, et menses, et tempora, et annos.
10Gij viert dagen en maanden, seizoenen en jaren?
11Timeo vos, ne forte sine causa laboraverim in vobis.
11Ik ben bang, dat ik misschien vruchteloos voor u heb gezwoegd!
12Estote sicut ego, quia et ego sicut vos: fratres, obsecro vos. Nihil me læsistis.
12Ik smeek u, broeders, wordt zoals ik; want ik werd aan u gelijk. —Nog nooit hebt gij mij enig verdriet aangedaan.
13Scitis autem quia per infirmitatem carnis evangelizavi vobis jampridem: et tentationem vestram in carne mea
13Gij herinnert u toch, hoe ik u de eerste keer in lichaamszwakte het Evangelie verkondigd heb;
14non sprevistis, neque respuistis: sed sicut angelum Dei excepistis me, sicut Christum Jesum.
14en hoe gij me niet met smaad en minachting hebt bejegend om de beproeving, die mijn lichaam u bracht; maar hoe gij me hebt ontvangen als een engel van God, als Christus Jesus zelf.
15Ubi est ergo beatitudo vestra? testimonium enim perhibeo vobis, quia, si fieri posset, oculos vestros eruissetis, et dedissetis mihi.
15Waar is nu uw zalig geluk gebleven; want ik kan van u getuigen, dat gij zo mogelijk u de ogen zoudt hebben uitgerukt en ze aan mij zoudt hebben gegeven!
16Ergo inimicus vobis factus sum, verum dicens vobis?
16Ben ik dan uw vijand geworden, omdat ik u de waarheid zeg?
17Æmulantur vos non bene: sed excludere vos volunt, ut illos æmulemini.
17Zij ijveren voor u, maar niet met zuivere bedoeling; maar ze trachten u van mij te vervreemden, opdat gij zoudt ijveren voor hen.
18Bonum autem æmulamini in bono semper: et non tantum cum præsens sum apud vos.
18Zeker, het valt te prijzen, wanneer er geijverd wordt; maar dan voor het goede en ten allen tijde; niet slechts als ik bij u ben.
19Filioli mei, quos iterum parturio, donec formetur Christus in vobis:
19Mijn kinderkens, voor wie ik opnieuw barensweeën moet lijden, eer Christus in u is gevormd:
20vellem autem esse apud vos modo, et mutare vocem meam: quoniam confundor in vobis.
20ik zou op dit ogenblik wel bij u willen zijn, om de juiste toon te treffen; want ik ben ten einde raad over u.
21Dicite mihi qui sub lege vultis esse: legem non legistis?
21Zegt me nu eens, gij die onder de Wet wilt staan, luistert gij niet naar de Wet?
22Scriptum est enim: Quoniam Abraham duos filios habuit: unum de ancilla, et unum de libera.
22Er staat toch geschreven, dat Abraham twee zonen had, één bij de slavin, en één bij de vrije vrouw;
23Sed qui de ancilla, secundum carnem natus est: qui autem de libera, per repromissionem:
23maar de zoon der slavin was verwekt naar het vlees, maar die van de vrije vrouw uit kracht der Belofte.
24quæ sunt per allegoriam dicta. Hæc enim sunt duo testamenta. Unum quidem in monte Sina, in servitutem generans, quæ est Agar:
24Deze dingen hebben een zinnebeeldige betekenis. Want de twee 4:verbeelden tweeërlei verbond. Het éne, dat van de berg Sinaï, brengt slavenkinderen voort, en dat is Agar;
25Sina enim mons est in Arabia, qui conjunctus est ei quæ nunc est Jerusalem, et servit cum filiis suis.
25want de berg Sinaï ligt in Arabië, en Agar is het beeld van het hedendaags Jerusalem, want deze stad ligt in slavernij met haar kinderen.
26Illa autem, quæ sursum est Jerusalem, libera est, quæ est mater nostra.
26Maar het Jerusalem uit den hoge is vrij, en dat is ònze moeder. Want er staat geschreven:
27Scriptum est enim: [Lætare, sterilis, quæ non paris; erumpe et clama, quæ non parturis: quia multi filii desertæ, magis quam ejus quæ habet virum.]
27“Jubel onvruchtbare, die niet baart; Breek uit in gejuich, die geen barensnood kent. Want talrijker zijn de kinderen der verlatene Dan van haar, die aan een man is gehuwd.”
28Nos autem, fratres, secundum Isaac promissionis filii sumus.
28Welnu, broeders, gij zijt als Isaäk, kinderen der Belofte.
29Sed quomodo tunc is, qui secundum carnem natus fuerat, persequebatur eum qui secundum spiritum: ita et nunc.
29Maar zoals eertijds hij, die naar het vlees was verwekt, hem ging vervolgen, die verwekt was naar de geest, zo gebeurt het ook thans.
30Sed quid dicit Scriptura? Ejice ancillam, et filium ejus: non enim hæres erit filius ancillæ cum filio liberæ.
30Maar wat zegt de Schrift? “Jaag weg de slavin met haar zoon; want de zoon der slavin zal niet meeërven met den zoon der vrije vrouw.”
31Itaque, fratres, non sumus ancillæ filii, sed liberæ: qua libertate Christus nos liberavit.
31Broeders, we zijn dus geen slavenkinderen, maar kinderen der vrije vrouw!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.