Galatians 4
Douay-Rheims Bible, American Edition (1899)Translation
Douay-Rheims Bible, American Edition (1899)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Now I say, as long as the heir is a child, he differeth nothing from a servant, though he be lord of all;
1Dit stel ik vast: Zolang de erfgenaam onmondig is, verschilt hij in niets van den slaaf, ook al is hij heer van alles;
2But is under tutors and governors until the time appointed by the father:
2maar hij staat onder voogden en beheerders tot aan de tijd, die door zijn vader is bepaald.
3So we also, when we were children, were serving under the elements of the world.
3Zó ook waren wij, toen we nog onmondig waren, als slaven onderworpen aan de leerbeginselen der wereld.
4But when the fulness of the time was come, God sent his Son, made of a woman, made under the law:
4Maar toen de volheid van de tijd was gekomen, heeft God zijn eigen Zoon gezonden, die uit een vrouw werd geboren en geboren werd onder de Wet,
5That he might redeem them who were under the law: that we might receive the adoption of sons.
5opdat Hij allen zou loskopen, die staan onder de Wet, en wij het kindschap zouden beërven.
6And because you are sons, God hath sent the Spirit of his Son into your hearts, crying: Abba, Father.
6En het bewijs, dat gij kinderen zijt: God heeft den Geest van zijn Zoon in onze harten gezonden, en Deze roept: Abba, Vader!
7Therefore now he is not a servant, but a son. And if a son, an heir also through God.
7Ge zijt dus geen slaaf meer, maar kind; zijt ge kind, dan zijt ge ook erfgenaam, dank zij God.
8But then indeed, not knowing God, you served them, who, by nature, are not gods.
8Zeker, vroeger hebt gij God niet gekend en zijt gij goden gaan dienen, die het in werkelijkheid niet zijn;
9But now, after that you have known God, or rather are known by God: how turn you again to the weak and needy elements, which you desire to serve again?
9maar thans, nu gij God kent, of liever nog, door God wordt gekend, hoe zoudt gij u weer gaan wenden tot die zwakke en onbeduidende leerbeginselen, wier slaven gij weer worden wilt?
10You observe days, and months, and times, and years.
10Gij viert dagen en maanden, seizoenen en jaren?
11I am afraid of you, lest perhaps I have laboured in vain among you.
11Ik ben bang, dat ik misschien vruchteloos voor u heb gezwoegd!
12Be ye as I, because I also am as you: brethren, I beseech you: you have not injured me at all.
12Ik smeek u, broeders, wordt zoals ik; want ik werd aan u gelijk. —Nog nooit hebt gij mij enig verdriet aangedaan.
13And you know, how through infirmity of the flesh, I preached the gospel to you heretofore: and your temptation in my flesh,
13Gij herinnert u toch, hoe ik u de eerste keer in lichaamszwakte het Evangelie verkondigd heb;
14You despised not, nor rejected: but received me as an angel of God, even as Christ Jesus.
14en hoe gij me niet met smaad en minachting hebt bejegend om de beproeving, die mijn lichaam u bracht; maar hoe gij me hebt ontvangen als een engel van God, als Christus Jesus zelf.
15Where is then your blessedness? For I bear you witness, that, if it could be done, you would have plucked out your own eyes, and would have given them to me.
15Waar is nu uw zalig geluk gebleven; want ik kan van u getuigen, dat gij zo mogelijk u de ogen zoudt hebben uitgerukt en ze aan mij zoudt hebben gegeven!
16Am I then become your enemy, because I tell you the truth?
16Ben ik dan uw vijand geworden, omdat ik u de waarheid zeg?
17They are zealous in your regard not well: but they would exclude you, that you might be zealous for them.
17Zij ijveren voor u, maar niet met zuivere bedoeling; maar ze trachten u van mij te vervreemden, opdat gij zoudt ijveren voor hen.
18But be zealous for that which is good in a good thing always: and not only when I am present with you.
18Zeker, het valt te prijzen, wanneer er geijverd wordt; maar dan voor het goede en ten allen tijde; niet slechts als ik bij u ben.
19My little children, of whom I am in labour again, until Christ be formed in you.
19Mijn kinderkens, voor wie ik opnieuw barensweeën moet lijden, eer Christus in u is gevormd:
20And I would willingly be present with you now, and change my voice: because I am ashamed for you.
20ik zou op dit ogenblik wel bij u willen zijn, om de juiste toon te treffen; want ik ben ten einde raad over u.
21Tell me, you that desire to be under the law, have you not read the law?
21Zegt me nu eens, gij die onder de Wet wilt staan, luistert gij niet naar de Wet?
22For it is written that Abraham had two sons: the one by a bondwoman, and the other by a free woman.
22Er staat toch geschreven, dat Abraham twee zonen had, één bij de slavin, en één bij de vrije vrouw;
23But he who was of the bondwoman, was born according to the flesh: but he of the free woman, was by promise.
23maar de zoon der slavin was verwekt naar het vlees, maar die van de vrije vrouw uit kracht der Belofte.
24Which things are said by an allegory. For these are the two testaments. The one from mount Sina, engendering unto bondage; which is Agar:
24Deze dingen hebben een zinnebeeldige betekenis. Want de twee 4:verbeelden tweeërlei verbond. Het éne, dat van de berg Sinaï, brengt slavenkinderen voort, en dat is Agar;
25For Sina is a mountain in Arabia, which hath affinity to that Jerusalem which now is, and is in bondage with her children.
25want de berg Sinaï ligt in Arabië, en Agar is het beeld van het hedendaags Jerusalem, want deze stad ligt in slavernij met haar kinderen.
26But that Jerusalem, which is above, is free: which is our mother.
26Maar het Jerusalem uit den hoge is vrij, en dat is ònze moeder. Want er staat geschreven:
27For it is written: Rejoice, thou barren, that bearest not: break forth and cry, thou that travailest not: for many are the children of the desolate, more than of her that hath a husband.
27“Jubel onvruchtbare, die niet baart; Breek uit in gejuich, die geen barensnood kent. Want talrijker zijn de kinderen der verlatene Dan van haar, die aan een man is gehuwd.”
28Now we, brethren, as Isaac was, are the children of promise.
28Welnu, broeders, gij zijt als Isaäk, kinderen der Belofte.
29But as then he, that was born according to the flesh, persecuted him that was after the spirit; so also it is now.
29Maar zoals eertijds hij, die naar het vlees was verwekt, hem ging vervolgen, die verwekt was naar de geest, zo gebeurt het ook thans.
30But what saith the scripture? Cast out the bondwoman and her son; for the son of the bondwoman shall not be heir with the son of the free woman.
30Maar wat zegt de Schrift? “Jaag weg de slavin met haar zoon; want de zoon der slavin zal niet meeërven met den zoon der vrije vrouw.”
31So then, brethren, we are not the children of the bondwoman, but of the free: by the freedom wherewith Christ has made us free.
31Broeders, we zijn dus geen slavenkinderen, maar kinderen der vrije vrouw!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.