Ii Samuelis 22
Clementine Vulgate, 1598Translation
Clementine Vulgate, 1598
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Locutus est autem David Domino verba carminis hujus in die qua liberavit eum Dominus de manu omnium inimicorum suorum, et de manu Saul.
1Ook heeft David tot Jahweh de woorden van dit lied gericht, toen Jahweh hem verlost had uit de hand van al zijn vijanden en ook uit de hand van Saul.
2Et ait: [Dominus petra mea, et robur meum, et salvator meus.
2En hij sprak:
3Deus fortis meus: sperabo in eum; scutum meum, et cornu salutis meæ: elevator meus, et refugium meum; salvator meus: de iniquitate liberabis me.
3Jahweh, mijn toevlucht, mijn burcht en mijn veste; Mijn God, mijn rots, waarop ik kan schuilen. Mijn schild, de hoorn van mijn heil, mijn schutse en mijn toevlucht, Mijn redder heeft mij uit de verdrukking verlost.
4Laudabilem invocabo Dominum, et ab inimicis meis salvus ero.
4Ik roep: Geprezen zij Jahweh! En ben van mijn vijand verlost.
5Quia circumdederunt me contritiones mortis: torrentes Belial terruerunt me.
5De branding van de dood had mij al gegrepen, De golven van de onderwereld sloegen over mij heen;
6Funes inferni circumdederunt me: prævenerunt me laquei mortis.
6De strikken van het dodenrijk hielden mij vast, De klemmen van de dood lagen voor mij gereed:
7In tribulatione mea invocabo Dominum, et ad Deum meum clamabo: et exaudiet de templo suo vocem meam, et clamor meus veniet ad aures ejus.
7Maar ik riep tot Jahweh in mijn nood, En tot God verhief ik mijn stem. En Hij hoorde mijn stem in zijn vorstelijke woning, Mijn hulpgeroep drong door tot zijn oren:
8Commota est et contremuit terra; fundamenta montium concussa sunt, et conquassata: quoniam iratus est eis.
8Daar schudde en beefde de aarde, Rilden en dreunden de fundamenten des hemels; Want Hij was in woede ontstoken.
9Ascendit fumus de naribus ejus, et ignis de ore ejus vorabit: carbones succensi sunt ab eo.
9Rook steeg op uit zijn neus, Verslindend vuur spoot uit zijn mond, En gloeiende kolen spatten er uit.
10Inclinavit cælos, et descendit: et caligo sub pedibus ejus.
10Hij boog de hemel, en daalde neer, Grauwe wolken onder zijn voeten.
11Et ascendit super cherubim, et volavit: et lapsus est super pennas venti.
11Hij besteeg den cherub en vloog in het rond, Zwevend op de windewieken.
12Posuit tenebras in circuitu suo latibulum, cribrans aquas de nubibus cælorum.
12Hij sloeg de duisternis als een dek om zich heen, Donkere nevels, dreigende wolken waren zijn tent.
13Præ fulgore in conspectu ejus, succensi sunt carbones ignis.
13En door de gloed, die voor Hem uitging, Braakten zijn wolken vurige kolen.
14Tonabit de cælo Dominus, et excelsus dabit vocem suam.
14En in de hemel donderde Jahweh, Verhief de Allerhoogste zijn stem;
15Misit sagittas et dissipavit eos; fulgur, et consumpsit eos.
15Hij schoot zijn pijlen en strooide ze rond, Slingerde bliksems en joeg ze uiteen:
16Et apparuerunt effusiones maris, et revelata sunt fundamenta orbis ab increpatione Domini, ab inspiratione spiritus furoris ejus.
16Open lag de bedding der zee, Het fundament van de aarde kwam bloot; Door het dreigen van Jahweh, Door het snuivend gebries van zijn neus.
17Misit de excelso, et assumpsit me, et extraxit me de aquis multis.
17Van boven boog Hij Zich neer, greep mij vast, En trok mij weg uit de onstuimige wateren;
18Liberavit me ab inimico meo potentissimo, et ab his qui oderant me: quoniam robustiores me erant.
18Hij verloste mij van mijn grimmigen vijand En van mijn haters, want ze waren te machtig.
19Prævenit me in die afflictionis meæ, et factus est Dominus firmamentum meum.
19Ze waren uitgetrokken op de dag van mijn rampspoed, Maar Jahweh was mijn beschermer;
20Et eduxit me in latitudinem: liberavit me, quia complacui ei.
20Hij beveiligde mij, En bracht mij redding, omdat Hij mij liefhad.
21Retribuet mihi Dominus secundum justitiam meam: et secundum munditiam manuum mearum reddet mihi.
21Toen werd mijn gerechtigheid door Jahweh beloond, Mijn reinheid van handen vergolden:
22Quia custodivi vias Domini, et non egi impie a Deo meo.
22Want ik had de wegen van Jahweh bewandeld, Niet gezondigd tegen mijn God;
23Omnia enim judicia ejus in conspectu meo, et præcepta ejus non amovi a me.
23Ik had al zijn geboden voor ogen gehouden, Niet zijn wetten ontweken;
24Et ero perfectus cum eo, et custodiam me ab iniquitate mea.
24Ik was voor Hem zonder smet, Had mij zuiver van zonde bewaard.
25Et restituet mihi Dominus secundum justitiam meam, et secundum munditiam manuum mearum in conspectu oculorum suorum.
25Daarom werd mijn gerechtigheid door Jahweh beloond, En mijn reinheid in zijn ogen.
26Cum sancto sanctus eris, et cum robusto perfectus.
26Want voor getrouwen toont Gij U trouw, Voor rechtschapenen rechtschapen,
27Cum electo electus eris, et cum perverso perverteris.
27Rein voor den reine, Maar voor de listigaards listig;
28Et populum pauperem salvum facies: oculisque tuis excelsos humiliabis.
28Want Gij redt het deemoedige volk, Maar vernedert hovaardige blikken.
29Quia tu lucerna mea, Domine, et tu, Domine, illuminabis tenebras meas.
29Gij zijt, o Jahweh, mijn lamp, Mijn God, die licht in mijn duisternis straalt;
30In te enim curram accinctus: in Deo meo transiliam murum.
30Met U durf ik de stormloop beginnen, Met mijn God de wallen bespringen.
31Deus, immaculata via ejus; eloquium Domini igne examinatum: scutum est omnium sperantium in se.
31God! Volmaakt zijn Zijn wegen, Jahweh’s woord is gelouterd. Hij is voor allen een schild, Die vluchten tot Hem.
32Quis est Deus præter Dominum, et quis fortis præter Deum nostrum?
32Wie toch is God, dan Jahweh alleen; Wie een rots, dan alleen onze God!
33Deus qui accinxit me fortitudine, et complanavit perfectam viam meam.
33God! Hij omgordt mij met kracht, En baant mij een veilige weg;
34Coæquans pedes meos cervis, et super excelsa mea statuens me;
34Hij maakt mijn voeten vlug als hinden, En doet mij de hoogste toppen beklimmen;
35docens manus meas ad prælium, et componens quasi arcum æreum brachia mea.
35Hij oefent mijn handen ten strijde, Mijn armen tot het spannen van de koperen boog.
36Dedisti mihi clypeum salutis tuæ, et mansuetudo tua multiplicavit me.
36Zo hebt Gij mij het schild van uw heil gereikt; Uw goedheid maakte mij groot.
37Dilatabis gressus meos subtus me, et non deficient tali mei.
37Gij hebt een weg voor mijn stappen gebaand, En mijn voeten wankelden niet.
38Persequar inimicos meos, et conteram, et non convertar donec consumam eos.
38Ik vervolgde mijn vijanden, haalde ze in, En keerde niet terug, eer ik ze had verslagen.
39Consumam eos et confringam, ut non consurgant: cadent sub pedibus meis.
39Ik heb ze verslagen, verpletterd, zodat ze niet opstaan, Maar onder mijn voet blijven liggen.
40Accinxisti me fortitudine ad prælium: incurvasti resistentes mihi subtus me.
40Gij hebt mij met kracht omgord tot de strijd, Mijn tegenstanders voor mij doen bukken;
41Inimicos meos dedisti mihi dorsum; odientes me, et disperdam eos.
41Gij liet mij de rug van mijn vijanden zien. Mijn haters heb ik verdelgd.
42Clamabunt, et non erit qui salvet; ad Dominum, et non exaudiet eos.
42Nu huilen ze, maar niemand helpt: Tot Jahweh zelfs, maar Hij antwoordt hun niet;
43Delebo eos ut pulverem terræ; quasi lutum platearum comminuam eos atque confringam.
43Ik vermaal ze als stof der aarde, Vertrap en vertreed ze als slijk op de straten.
44Salvabis me a contradictionibus populi mei; custodies me in caput gentium: populus quem ignoro serviet mihi.
44Gij hebt mij gered uit de strijd met de volkeren. En mij aan het hoofd van de naties gesteld: Volkeren, die ik niet kende, werden mij dienstbaar,
45Filii alieni resistent mihi; auditu auris obedient mihi.
45Vreemden brachten mij hulde; Nauwelijks hadden ze van mij gehoord, Of ze gehoorzaamden mij;
46Filii alieni defluxerunt, et contrahentur in angustiis suis.
46Anderen lagen uitgeput neer, En kropen sidderend uit hun burchten.
47Vivit Dominus, et benedictus Deus meus, et exaltabitur Deus fortis salutis meæ.
47Leve Jahweh! Gezegend mijn Rots; Hoogverheven de God, de Rots van mijn heil!
48Deus qui das vindictas mihi, et dejicis populos sub me.
48Gij hebt mij gewroken, o God, Volkeren aan mij onderworpen;
49Qui educis me ab inimicis meis, et a resistentibus mihi elevas me: a viro iniquo liberabis me.
49Mij van mijn grimmigen vijand verlost, Zege over mijn bestrijders verleend, mij van geweldenaars bevrijd.
50Propterea confitebor tibi, Domine, in gentibus, et nomini tuo cantabo:
50Daarom wil ik U prijzen, o Jahweh, Uw naam verheerlijken onder de volken!
51magnificans salutes regis sui, et faciens misericordiam christo suo David, et semini ejus in sempiternum.]
51Machtige hulp verleent Hij zijn koning, En genade aan zijn Gezalfde, Aan David en zijn geslacht Voor altijd!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.