2 Samuel
Chapter 22
Reina-Valera 1909
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

2 Samuel 22

Reina-Valera 1909
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Y HABLÓ David á Jehová las palabras de este cántico, el día que Jehová le había librado de la mano de todos sus enemigos, y de la mano de Saúl.
1Ook heeft David tot Jahweh de woorden van dit lied gericht, toen Jahweh hem verlost had uit de hand van al zijn vijanden en ook uit de hand van Saul.
2Y dijo: Jehová es mi roca, y mi fortaleza, y mi libertador;
2En hij sprak:
3Dios de mi roca, en él confiaré: mi escudo, y el cuerno de mi salud, mi fortaleza, y mi refugio; mi salvador, que me librarás de violencia.
3Jahweh, mijn toevlucht, mijn burcht en mijn veste; Mijn God, mijn rots, waarop ik kan schuilen. Mijn schild, de hoorn van mijn heil, mijn schutse en mijn toevlucht, Mijn redder heeft mij uit de verdrukking verlost.
4Invocaré á Jehová, digno de ser loado, y seré salvo de mis enemigos.
4Ik roep: Geprezen zij Jahweh! En ben van mijn vijand verlost.
5Cuando me cercaron ondas de muerte, y arroyos de iniquidad me asombraron,
5De branding van de dood had mij al gegrepen, De golven van de onderwereld sloegen over mij heen;
6Me rodearon los dolores del infierno, y me tomaron descuidado lazos de muerte.
6De strikken van het dodenrijk hielden mij vast, De klemmen van de dood lagen voor mij gereed:
7Tuve angustia, invoqué á Jehová, y clamé á mi Dios: y él oyó mi voz desde su templo; llegó mi clamor á sus oídos.
7Maar ik riep tot Jahweh in mijn nood, En tot God verhief ik mijn stem. En Hij hoorde mijn stem in zijn vorstelijke woning, Mijn hulpgeroep drong door tot zijn oren:
8La tierra se removió, y tembló; los fundamentos de los cielos fueron movidos, y se estremecieron, porque él se airó.
8Daar schudde en beefde de aarde, Rilden en dreunden de fundamenten des hemels; Want Hij was in woede ontstoken.
9Subió humo de sus narices, y de su boca fuego consumidor, por el cual se encendieron carbones.
9Rook steeg op uit zijn neus, Verslindend vuur spoot uit zijn mond, En gloeiende kolen spatten er uit.
10Y abajó los cielos, y descendió: una oscuridad debajo de sus pies.
10Hij boog de hemel, en daalde neer, Grauwe wolken onder zijn voeten.
11Subió sobre el querubín, y voló: aparecióse sobre las alas del viento.
11Hij besteeg den cherub en vloog in het rond, Zwevend op de windewieken.
12Puso tinieblas alrededor de sí á modo de pabellones; aguas negras y espesas nubes.
12Hij sloeg de duisternis als een dek om zich heen, Donkere nevels, dreigende wolken waren zijn tent.
13Del resplandor de su presencia se encendieron ascuas ardientes.
13En door de gloed, die voor Hem uitging, Braakten zijn wolken vurige kolen.
14Jehová tronó desde los cielos, y el Altísimo dió su voz;
14En in de hemel donderde Jahweh, Verhief de Allerhoogste zijn stem;
15Arrojó saetas, y desbaratólos; relampagueó, y consumiólos.
15Hij schoot zijn pijlen en strooide ze rond, Slingerde bliksems en joeg ze uiteen:
16Entonces aparecieron los manantiales de la mar, y los fundamentos del mundo fueron descubiertos, á la reprensión de Jehová, al resoplido del aliento de su nariz.
16Open lag de bedding der zee, Het fundament van de aarde kwam bloot; Door het dreigen van Jahweh, Door het snuivend gebries van zijn neus.
17Extendió su mano de lo alto, y arrebatóme, y sacóme de copiosas aguas.
17Van boven boog Hij Zich neer, greep mij vast, En trok mij weg uit de onstuimige wateren;
18Libróme de fuertes enemigos, de aquellos que me aborrecían, los cuales eran más fuertes que yo.
18Hij verloste mij van mijn grimmigen vijand En van mijn haters, want ze waren te machtig.
19Asaltáronme en el día de mi calamidad; mas Jehová fué mi sostén.
19Ze waren uitgetrokken op de dag van mijn rampspoed, Maar Jahweh was mijn beschermer;
20Sacóme á anchura; libróme, porque puso su voluntad en mí.
20Hij beveiligde mij, En bracht mij redding, omdat Hij mij liefhad.
21Remuneróme Jehová conforme á mi justicia; y conforme á la limpieza de mis manos, me dió la paga.
21Toen werd mijn gerechtigheid door Jahweh beloond, Mijn reinheid van handen vergolden:
22Porque yo guardé los caminos de Jehová, y no me aparté impíamente de mi Dios.
22Want ik had de wegen van Jahweh bewandeld, Niet gezondigd tegen mijn God;
23Porque delante de mí tengo todas sus ordenanzas; y atento á sus fueros, no me retiraré de ellos.
23Ik had al zijn geboden voor ogen gehouden, Niet zijn wetten ontweken;
24Y fuí íntegro para con él, y guardéme de mi iniquidad.
24Ik was voor Hem zonder smet, Had mij zuiver van zonde bewaard.
25Remuneróme por tanto Jehová conforme á mi justicia, y conforme á mi limpieza delante de sus ojos.
25Daarom werd mijn gerechtigheid door Jahweh beloond, En mijn reinheid in zijn ogen.
26Con el bueno eres benigno, y con el íntegro te muestras íntegro;
26Want voor getrouwen toont Gij U trouw, Voor rechtschapenen rechtschapen,
27Limpio eres para con el limpio, mas con el perverso eres rígido.
27Rein voor den reine, Maar voor de listigaards listig;
28Y tú salvas al pueblo humilde; mas tus ojos sobre los altivos, para abatirlos.
28Want Gij redt het deemoedige volk, Maar vernedert hovaardige blikken.
29Porque tú eres mi lámpara, oh Jehová: Jehová da luz á mis tinieblas.
29Gij zijt, o Jahweh, mijn lamp, Mijn God, die licht in mijn duisternis straalt;
30Porque en ti romperé ejércitos, y con mi Dios saltaré las murallas.
30Met U durf ik de stormloop beginnen, Met mijn God de wallen bespringen.
31Dios, perfecto su camino: la palabra de Jehová purificada, escudo es de todos los que en él esperan.
31God! Volmaakt zijn Zijn wegen, Jahweh’s woord is gelouterd. Hij is voor allen een schild, Die vluchten tot Hem.
32Porque ¿qué Dios hay sino Jehová? ¿ó quién es fuerte sino nuestro Dios?
32Wie toch is God, dan Jahweh alleen; Wie een rots, dan alleen onze God!
33Dios es el que con virtud me corrobora, y el que despeja mi camino;
33God! Hij omgordt mij met kracht, En baant mij een veilige weg;
34El que hace mis pies como de ciervas, y el que me asienta en mis alturas;
34Hij maakt mijn voeten vlug als hinden, En doet mij de hoogste toppen beklimmen;
35El que enseña mis manos para la pelea, y da que con mis brazos quiebre el arco de acero.
35Hij oefent mijn handen ten strijde, Mijn armen tot het spannen van de koperen boog.
36Tú me diste asimismo el escudo de tu salud, y tu benignidad me ha acrecentado.
36Zo hebt Gij mij het schild van uw heil gereikt; Uw goedheid maakte mij groot.
37Tú ensanchaste mis pasos debajo de mí, para que no titubeasen mis rodillas.
37Gij hebt een weg voor mijn stappen gebaand, En mijn voeten wankelden niet.
38Perseguiré á mis enemigos, y quebrantarélos; y no me volveré hasta que los acabe.
38Ik vervolgde mijn vijanden, haalde ze in, En keerde niet terug, eer ik ze had verslagen.
39Los consumiré, y los heriré, y no se levantarán; y caerán debajo de mis pies.
39Ik heb ze verslagen, verpletterd, zodat ze niet opstaan, Maar onder mijn voet blijven liggen.
40Ceñísteme de fortaleza para la batalla, y postraste debajo de mí los que contra mí se levantaron.
40Gij hebt mij met kracht omgord tot de strijd, Mijn tegenstanders voor mij doen bukken;
41Tú me diste la cerviz de mis enemigos, de mis aborrecedores, y que yo los destruyese.
41Gij liet mij de rug van mijn vijanden zien. Mijn haters heb ik verdelgd.
42Miraron, y no hubo quien los librase; á Jehová, mas no les respondió.
42Nu huilen ze, maar niemand helpt: Tot Jahweh zelfs, maar Hij antwoordt hun niet;
43Yo los desmenuzaré como polvo de la tierra; hollarélos como á lodo de las plazas, y los disiparé.
43Ik vermaal ze als stof der aarde, Vertrap en vertreed ze als slijk op de straten.
44Tú me libraste de contiendas de pueblos: tú me guardaste para que fuese cabeza de gentes: pueblos que no conocía, me sirvieron.
44Gij hebt mij gered uit de strijd met de volkeren. En mij aan het hoofd van de naties gesteld: Volkeren, die ik niet kende, werden mij dienstbaar,
45Los extraños titubeaban á mí: en oyendo, me obedecían.
45Vreemden brachten mij hulde; Nauwelijks hadden ze van mij gehoord, Of ze gehoorzaamden mij;
46Los extraños desfallecían, y temblaban en sus escondrijos.
46Anderen lagen uitgeput neer, En kropen sidderend uit hun burchten.
47Viva Jehová, y sea bendita mi roca; sea ensalzado el Dios, la roca de mi salvamento:
47Leve Jahweh! Gezegend mijn Rots; Hoogverheven de God, de Rots van mijn heil!
48El Dios que me ha vengado, y sujeta los pueblos debajo de mí;
48Gij hebt mij gewroken, o God, Volkeren aan mij onderworpen;
49Y que me saca de entre mis enemigos: tú me sacaste en alto de entre los que se levantaron contra mí: librásteme del varón de iniquidades.
49Mij van mijn grimmigen vijand verlost, Zege over mijn bestrijders verleend, mij van geweldenaars bevrijd.
50Por tanto yo te confesaré entre las gentes, oh Jehová, y cantaré á tu nombre.
50Daarom wil ik U prijzen, o Jahweh, Uw naam verheerlijken onder de volken!
51El que engrandece las saludes de su rey, y hace misericordia á su ungido, á David, y á su simiente, para siempre.
51Machtige hulp verleent Hij zijn koning, En genade aan zijn Gezalfde, Aan David en zijn geslacht Voor altijd!

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.