民数記 22
Freedom Bible (フリーダム・バイブル)Translation
Freedom Bible (フリーダム・バイブル)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1イスラエルの子らは旅立ち、エリコの向かい、ヨルダン川の向こうにあるモアブの平野に宿営した。
1Daarna trokken de Israëlieten verder, en legerden zich in de velden van Moab, aan de overkant van de Jordaan bij Jericho.
2ツィポルの子バラクは、イスラエルがアモリ人に行ったすべてのことを見た。
2Maar Balak, de zoon van Sippor, had alles gezien, wat Israël de Amorieten had berokkend.
3モアブは、民の数が多いのを見て非常に恐れ、イスラエルの子らを前にしておびえた。
3En Moab werd zeer bevreesd voor het volk, omdat het heel talrijk was; en vol angst voor de Israëlieten
4モアブはミディアンの長老たちに言った。「今にこの群衆は、牛が野の草をなめ尽くすように、私たちの周囲をすべてなめ尽くすだろう。」 ツィポルの子バラクは、そのころモアブの王であった。
4sprak Moab tot de oudsten van Midjan: Die zwerm zal nog heel de omtrek kaal vreten, zoals het rund de velden afgraast. Daarom zond Balak, de zoon van Sippor, die toen koning van Moab was,
5彼は、川のほとりのペトルにいるベオルの子バラムを呼ぶため、その同族の地へ使者を遣わした。「見よ、一つの民がエジプトから出て来て、地の面を覆い、私の向かいに住み着いている。
5gezanten naar Balaäm, den zoon van Beor, te Petor aan de Rivier in het land van zijn volksgenoten, om hem te ontbieden. Ze moesten zeggen: Daar is een volk uit Egypte getogen, dat het land overdekt, en zich vlak naast mij heeft genesteld.
6どうか来て、私のためにこの民を呪ってほしい。彼らは私より強い。そうすれば、私は彼らを打ち、この地から追い出せるかもしれない。あなたが祝福する者は祝福され、呪う者は呪われると知っているからだ。」
6Kom dus, en vervloek mij dat volk; want het is mij te machtig. Misschien kan ik het dan verslaan, en het uit het land verdrijven; want ik weet: Wien gij zegent, is gezegend, en wien gij vervloekt, is vervloekt.
7モアブとミディアンの長老たちは、占いの報酬を手にして出発した。彼らはバラムのもとへ来て、バラクの言葉を伝えた。
7De oudsten van Moab en Midjan gingen dus op weg, en namen het waarzeggersloon met zich mee. Ze kwamen bij Balaäm aan, en brachten hem het verzoek van Balak over.
8バラムは彼らに言った。「今夜はここに泊まりなさい。主が私に語られることを、あなたがたに知らせよう。」そこでモアブの指導者たちはバラムのもとにとどまった。
8Hij gaf hun ten antwoord: Blijft vannacht hier; dan deel ik u de beslissing mee, die Jahweh mij ingeeft. De vorsten van Moab bleven dus bij Balaäm overnachten.
9神はバラムのもとに来て言われた。「あなたと一緒にいるこの者たちはだれか。」
9Nu verscheen God aan Balaäm, en sprak: Wie zijn deze mannen, die bij u overnachten?
10バラムは神に答えた。「モアブの王、ツィポルの子バラクが、私にこう言ってきました。
10Balaäm zeide tot God: Balak, de zoon van Sippor, de koning van Moab, heeft mij laten berichten:
11『見よ、エジプトから出て来た民が地の面を覆っている。今来て、私のために彼らを呪ってほしい。そうすれば、私は彼らと戦い、追い出せるかもしれない。』」
11Daar is een volk uit Egypte getogen, dat het land overdekt. Kom dus, en vervloek het voor mij; misschien kan ik het dan overwinnen en verdrijven.
12神はバラムに言われた。「彼らと一緒に行ってはならない。その民を呪ってはならない。彼らは祝福されている。」
12Maar God sprak tot Balaäm: Gij moogt niet met hen meegaan, en dat volk niet vervloeken; want het is gezegend.
13朝、バラムは起きて、バラクの指導者たちに言った。「あなたがたの国へ帰りなさい。主は、私があなたがたと一緒に行くことをお許しにならない。」
13Daarom zei Balaäm de volgende morgen tot de vorsten van Balak: Gaat terug naar uw land; want Jahweh wil mij niet toestaan, met u mee te gaan.
14モアブの指導者たちは起きてバラクのもとへ帰り、言った。「バラムは私たちと一緒に来ることを拒みました。」
14De vorsten van Moab vertrokken dus, kwamen bij Balak aan, en zeiden: Balaäm heeft geweigerd, met ons mee te gaan.
15バラクは再び、先の者たちより数も多く、身分も高い指導者たちを遣わした。
15Toen zond Balak opnieuw vorsten, talrijker en aanzienlijker nog dan de eersten.
16彼らはバラムのもとへ来て言った。「ツィポルの子バラクはこう申します。『どうか、何ものにも妨げられず、私のもとへ来てください。
16Ook dezen kwamen bij Balaäm aan, en zeiden tot hem: Zo spreekt Balak, de zoon van Sippor! Laat u toch niet weerhouden, tot mij te komen;
17私はあなたをこの上なく厚くもてなし、あなたの言うことは何でも行います。どうか来て、私のためにこの民を呪ってください。』」
17want ik zal u vorstelijk belonen, en al wat gij mij zegt, zal ik doen. Kom slechts, en vervloek mij dat volk.
18バラムはバラクの家来たちに答えた。「たとえバラクが、銀と金で満ちた彼の家を私に与えても、私の神、主の命令を越えて、小さなことも大きなことも行うことはできない。
18Maar Balaäm antwoordde de dienaren van Balak: Al gaf Balak mij zijn huis vol zilver en goud, ik kan het bevel van Jahweh, mijn God, niet overtreden, in het kleine noch in het grote.
19それでも、あなたがたも今夜ここにとどまってください。主がさらに何を語られるか確かめましょう。」
19Maar blijft ook gij vannacht hier; dan zal ik weten, wat Jahweh mij verder beveelt.
20夜、神はバラムのもとに来て言われた。「この者たちがあなたを呼びに来たのなら、立って一緒に行きなさい。ただし、わたしがあなたに告げることだけを行いなさい。」
20En God verscheen Balaäm des nachts, en sprak tot hem: Zo die mannen gekomen zijn, om u te ontbieden, ga dan met hen mee; maar doe slechts, wat Ik u zeg!
21バラムは朝起きて、ろばに鞍を置き、モアブの指導者たちと出発した。
21Balaäm maakte zich dus in de morgen gereed, zadelde zijn ezelin, en ging met de vorsten van Moab mee.
22しかし、彼が出発したので神の怒りが燃え、主の使いが敵対する者として道に立った。バラムはろばに乗り、二人の従者も一緒にいた。
22Toch was God vergramd dat hij ging. Daarom plaatste een engel van Jahweh zich op de weg, om hem tegen te houden, terwijl hij vergezeld van twee dienaren op zijn ezelin kwam aangereden.
23ろばは、主の使いが抜き身の剣を手にして道に立っているのを見た。ろばは道をそれて畑に入ったので、バラムは道へ戻そうとして打った。
23Toen de ezelin den engel van Jahweh met het getrokken zwaard in de hand op de weg zag staan, week de ezelin van de weg af, en ging het veld in. Balaäm sloeg de ezelin, om haar weer op de weg terug te brengen.
24すると、主の使いはぶどう園の間の狭い道に立った。両側には石垣があった。
24Nu plaatste de engel zich op een smal pad, dat tussen de wijngaarden liep, en aan weerskanten een muur had.
25ろばは主の使いを見ると、石垣に身を寄せ、バラムの足を石垣に押しつけた。バラムはまたろばを打った。
25Toen de ezelin den engel van Jahweh zag, drong zij zich tegen de muur, en knelde de voet van Balaäm tegen de muur; hij sloeg haar opnieuw.
26主の使いはさらに進み、右にも左にも曲がる余地のない狭い場所に立った。
26Daarna ging de engel van Jahweh verder, en plaatste zich op een nauw punt, waar geen gelegenheid was, om naar rechts of links uit te wijken.
27ろばは主の使いを見ると、バラムを乗せたまま伏した。バラムは怒りに燃え、杖でろばを打った。
27Toen de ezelin den engel van Jahweh zag, ging ze onder Balaäm liggen. Balaäm werd kwaad, en ranselde de ezelin met een stok.
28すると主がろばの口を開かれた。ろばはバラムに言った。「私が何をしたというのですか。三度も私を打つとは。」
28Maar nu opende Jahweh de bek van de ezelin, en ze zei tegen Baläam: Wat heb ik u toch gedaan, dat ge me nu voor de derde maal slaat?
29バラムはろばに言った。「おまえが私を愚弄したからだ。手に剣があれば、今すぐおまえを殺していた。」
29Balaäm antwoordde de ezelin: Omdat ge mij voor de gek houdt; had ik een zwaard in mijn hand, dan sloeg ik je dood.
30ろばはバラムに言った。「私は、あなたが今日まで一生乗ってきたろばではありませんか。これまで、あなたにこんなことをしたでしょうか。」 バラムは答えた。「いや。」
30De ezelin vervolgde tot Balaäm: Ben ik niet uw ezelin, waarop ge van jongsaf rijdt tot de dag van vandaag; ben ik gewoon, mij zo tegenover u te gedragen? Hij antwoordde: Neen.
31そのとき主はバラムの目を開かれた。彼は主の使いが抜き身の剣を手にして道に立っているのを見て、身をかがめ、顔を地につけてひれ伏した。
31Toen opende Jahweh de ogen van Balaäm, zodat hij den engel van Jahweh op de weg zag staan met het getrokken zwaard in zijn hand; hij wierp zich neer, en boog zich met zijn aangezicht ter aarde.
32主の使いは言った。「なぜろばを三度も打ったのか。見よ、あなたの道がわたしの前でよこしまであるため、わたしは敵対する者として出て来た。
32De engel van Jahweh sprak tot hem: Waarom slaat gij uw ezelin nu al voor de derde maal? Zie, ik ben uitgetrokken, om u tegen te houden; want uw tocht is tegen mijn wil.
33ろばはわたしを見て、三度身をかわした。もし身をかわしていなければ、今ごろあなたを殺し、ろばを生かしていただろう。」
33De ezelin heeft mij bespeurd, en is drie maal voor mij uitgeweken; had ze het niet gedaan, dan had ik u gedood, maar haar in leven gelaten.
34バラムは主の使いに言った。「私は罪を犯しました。あなたが道に立ちはだかっておられるとは知りませんでした。これがあなたの意に反するなら、引き返します。」
34Toen zei Balaäm tot den engel van Jahweh: Ik heb gezondigd; ik wist immers niet, dat gij op de weg voor mij stondt. Als het u dus niet behaagt, keer ik terug.
35主の使いはバラムに言った。「この者たちと一緒に行きなさい。ただし、わたしがあなたに語る言葉だけを語りなさい。」 こうしてバラムはバラクの指導者たちと行った。
35Maar de engel van Jahweh zei tot Balaäm: Ga met die mannen mee, doch spreek slechts, wat Ik u zeg. Toen ging Balaäm met de vorsten van Balak mee.
36バラクはバラムが来たと聞き、アルノン川の境、領土の最果てにあるモアブの町まで迎えに出た。
36Zodra Balak hoorde, dat Balaäm in aantocht was, trok hij hem tegemoet tot Ar-Moab, dat aan de Arnon ligt, aan de uiterste grens van het land.
37バラクはバラムに言った。「私は何度も使者を遣わしてあなたを呼んだではないか。なぜ来なかったのか。私にはあなたを厚くもてなす力がないとでもいうのか。」
37En Balak zei tot Balaäm: Heb ik u niet dringend laten ontbieden? Waarom kwaamt ge dan niet naar mij toe? Gij dacht zeker, dat ik u niet genoeg kon belonen.
38バラムはバラクに答えた。「ご覧ください。私はあなたのもとに参りました。しかし、私に何かを自由に語る力があるでしょうか。神が私の口に置かれる言葉を、私は語ります。」
38Maar Balaäm antwoordde Balak: Zie, ik ben tot u gekomen, maar ik zal geen ander woord kunnen spreken, dan Jahweh mij in de mond legt!
39バラムはバラクとともに行き、キルヤテ・フゾトに着いた。
39Balaäm ging met Balak verder, en zij kwamen te Kirjat-Choesot.
40バラクは牛と羊をいけにえとしてささげ、その一部をバラムと彼に同行していた指導者たちに送った。
40Daar offerde Balak runderen en schapen, en liet er van aan Balaäm brengen en aan de vorsten, die hem vergezelden.
41朝になると、バラクはバラムを連れてバモテ・バアルに上った。そこからバラムは民の一部を見渡した。
41De volgende morgen nam Balak Balaäm met zich mee, en deed hem Bamot-Báal bestijgen, vanwaar hij het volk tot de uiterste rijen kon overzien.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.