レビ記
Chapter 17
Freedom Bible (フリーダム・バイブル)
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Freedom Bible (フリーダム・バイブル)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1主はモーセに告げられた。
1Jahweh sprak tot Moses:
2「アロンとその子ら、およびイスラエルのすべての子らに告げなさい。『主が命じられたことは次のとおりである。
2Beveel Aäron en zijn zonen en alle Israëlieten, en zeg hun: Dit heeft Jahweh bevolen:
3イスラエルの家のどんな人でも、牛、子羊、山羊を宿営の中で屠るか、宿営の外で屠るかして、
3Iedereen van Israëls huis, die een stier, een lam of een geit in of buiten de legerplaats slacht,
4それを会見の天幕の入り口に持って来ず、主の幕屋の前で主へのささげ物としてささげないなら、血の罪がその人に負わされる。彼は血を流したのである。その人は自分の民の中から断たれる。
4en ze niet bij bij de ingang van de openbaringstent brengt om voor de woning van Jahweh een gave aan Jahweh op te dragen, zal het als bloedschuld worden aangerekend; die man heeft bloed vergoten, en zal van zijn volk worden afgesneden.
5これは、イスラエルの子らが野原でささげているいけにえを、主のもと、すなわち会見の天幕の入り口の祭司のところに持って来て、それらを主への和解のいけにえとしてささげるためである。
5Daarom moeten de kinderen Israëls hun slachtoffers, die zij gewoon zijn in het open veld te slachten, voor Jahweh naar den priester brengen bij de ingang van de openbaringstent, en als vredeoffers voor Jahweh slachten.
6祭司は、会見の天幕の入り口にある主の祭壇に血を振りかけ、主への芳ばしい香りとして脂肪を燃やす。
6En de priester moet het bloed op het altaar van Jahweh bij de ingang van de openbaringstent sprenkelen, en het vet als een heerlijk geurend offer voor Jahweh in rook doen opgaan.
7彼らは、自分たちが淫行をもって慕ってきた山羊の姿の偶像に、二度といけにえをささげてはならない。これは代々にわたる永遠の掟である。』
7Ze mogen dus hun offers niet meer voor de bosgeesten slachten, die zij ontuchtig achterna lopen. Dit is voor hen een eeuwig geldende wet van geslacht tot geslacht.
8「あなたは彼らに言いなさい。『イスラエルの家のどんな人でも、あるいは彼らの間に住む寄留者でも、全焼のささげ物あるいはいけにえをささげる場合、
8Ge moet hun dus zeggen: Iedereen van Israëls huis en van de vreemdelingen in uw midden, die een brand(-) of slachtoffer opdraagt,
9それを主へのいけにえとしてささげるために会見の天幕の入り口に持って来ないなら、その人は自分の民から断たれる。
9en het niet naar de openbaringstent brengt, om het Jahweh te offeren, zal van zijn volk worden afgesneden.
10『イスラエルの家の者でも、彼らの間に寄留する者でも、血を食べる者には、わたしは顔を向けて敵対し、その者を民の中から断つ。
10Iedereen uit het huis van Israël of van de vreemdelingen in uw midden, die enig bloed nuttigt, zal Ik om het nuttigen van dat bloed mijn gramschap doen voelen en hem van zijn volk afsnijden.
11肉の命は血にある。わたしは、あなたがたの命を贖うため、祭壇の上で用いるものとして血を与えた。命によって贖いをもたらすのは血だからである。
11Want in het bloed zit het leven van een schepsel. Daarom heb Ik het u enkel voor het altaar gegeven, om voor u verzoening te verkrijgen; want het bloed verkrijgt verzoening door het leven.
12それゆえ、わたしはイスラエルの子らに言った。「あなたがたのうちのだれも血を食べてはならない。あなたがたの間に住む寄留者も血を食べてはならない。」
12Daarom zeg Ik tot de kinderen Israëls: Niemand van u mag bloed nuttigen; ook de vreemdeling niet, die in uw midden woont.
13『イスラエルの子らであれ、彼らの間に住む寄留者であれ、食べてもよい動物や鳥を狩りで捕らえた者はだれでも、その血を注ぎ出し、土で覆う。
13Iedereen van de Israëlieten en van de vreemden in uw midden, die wild of gevogelte heeft gejaagd, dat gegeten mag worden, moet het bloed uitgieten en met aarde bedekken.
14すべての肉の命はその血にある。それゆえ、わたしはイスラエルの子らに言った。「どのような肉の血も食べてはならない。すべての肉の命はその血にある。それを食べる者は断たれる。」
14Want het leven van elk schepsel zit in zijn bloed. Daarom herhaal Ik tot de Israëlieten: Van geen enkel schepsel moogt ge het bloed nuttigen; want het leven van ieder schepsel zit in zijn bloed. Iedereen, die het nuttigt, zal worden afgesneden.
15『自然に死んだもの、あるいは野獣に引き裂かれたものを食べる者はだれでも、その地に生まれた者であれ寄留者であれ、自分の衣服を洗い、水で体を洗わなければならず、夕方まで汚れる。その後、彼は清くなる。
15Iedereen, zowel de ingezetene als de vreemde, die een gestorven of een verscheurd dier eet, moet zijn kleren wassen, een bad nemen, en is tot de avond onrein; daarna is hij weer rein.
16しかし、彼がそれらを洗わず、自分の体を洗わないなら、その咎を負う。』」
16Als hij zijn kleren niet wast en geen bad neemt, begaat hij een zonde.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.