Суддїв 8
Kulish and Puluj Bible (1905)Translation
Kulish and Puluj Bible (1905)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Ефраїмії ж мовляли до його: Що се ти вдїяв нам, що не покликав нас? Нї, ти сам виступив у поле проти Мадиянїїв! І сварились тяжко з ним.
1Maar nu zeiden de Efraïmieten tot hem: Wat is dat voor een manier van doen tegenover ons, dat ge ons niet hebt opgeroepen, toen ge Midjan gingt bestrijden? En ze voeren heftig tegen hem uit.
2Відказав їм: Що я вчинив більш як ви? Хиба виноградуваннє Ефраїмове не переважує Абієзерового збирання винограду?
2Doch hij zeide tot hen: Wat heb ik dan meer gedaan dan gij? Is Efraïms nalezing niet meer waard dan Abiézers oogst?
3Бог оддав вам у руки Мадиянїйських князїв Орива й Зива. Що ж би я зміг зробити рівноважнього з вами? Як се промовив, угамувався гнїв їх і пійшли собі від його.
3In uw handen heeft God Oreb en Zeëb, de aanvoerders der Midjanieten, geleverd. Wat heb ik dan meer kunnen doen, dan gij hebt gedaan? Toen hij zo had gesproken, bedaarde hun verstoordheid op hem.
4Як же прибув Гедеон до Йорданї й перейшов на той бік сам і триста, що йшли з ним, потомлені погонею,
4Vermoeid en hongerig kwam Gedeon met zijn drie honderd gezellen bij de Jordaan, en trok die over.
5Прохав він міських осадників у Соккотї: Дайте хлїба людям, що я веду, бо потомились, уганяючи зо мною за Мадиянїйським царем Зевейом і Салманом.
5Hij zei toen tot de bewoners van Soekkot: Geef toch wat brood aan de mannen, die me volgen; want ze zijn uitgeput, en ik moet de midjanietische koningen Zébach en Salmoenna nog achtervolgen.
6Городські ж голови питали: Хиба в тебе в руках уже Зевей та Салман, щоб нам твоє військо харчити?
6Maar de overheden van Soekkot zeiden: Hebt ge soms Zébach en Salmoenna al in uw macht, dat wij aan uw leger brood zouden geven?
7Відказав Гедеон: Добре! Як подасть менї Господь на поталу Зевея та Салмана, тодї я пороздираю ваше тїло дикою терниною та бороною.
7Toen sprak Gedeon: Waarachtig, als Jahweh mij Zébach en Salmoenna heeft overgeleverd, zal ik uw vlees komen dorsen met dorens uit de woestijn en met distels.
8Звідти двинув на Пенуел і сказав осадникам так само, бо Пенуеляне відказали йому те ж саме, що й Суккотяне.
8Vandaar trok hij verder naar Penoeël, en deed aan de burgers van Penoeël hetzelfde verzoek. Zij gaven hem hetzelfde antwoord als de bewoners van Soekkot.
9Відказав і Пенуелянам: Як вертати мусь у доброму здоровї, зруйную сей город.
9Hij sprak dan ook tot de inwoners van Penoeël: Als ik in vrede terugkeer, haal ik deze toren omver.
10Зевей же та Салман були з їх військом в Каркорі до пятнайцяти тисячей чоловіка, все що зосталось із усього війська восточників, бо полягло їх сто й двайцять тисячей чоловіка, всї взброєні мечами.
10Intussen waren Zébach en Salmoenna met hun leger van ongeveer vijftien duizend man te Karkor gekomen. Het was alles wat er was overgebleven van het hele leger der stammen uit het oosten; honderdtwintig duizend man, die het zwaard hanteerden, waren gevallen.
11І пійшов Гедеон караванним шляхом на схід сонця від Ноби й Йокбеги, та й ударив на табір, як військо спочивало собі безпечно.
11Gedeon trok dus op in de richting der tentbewoners, ten oosten van Nóbach en Jogbeha, en versloeg het leger, dat zich in veiligheid waande.
12Зевей і Салман втекли; він же вганяв за ними та й позаймав обох Мадиянїйських царів у полонь, а все військо пороспуджував.
12Zébach en Salmoenna namen de vlucht, maar hij zette ze na, nam de beide midjanietische koningen Zébach en Salmoenna gevangen, en bracht heel het leger in verwarring.
13Тодї вернувся Гедеон Йоасенко на Хересів прохід із походу свого.
13Toen Gedeon, de zoon van Joasj, van de strijd terugkeerde langs de hoogte van Chéres,
14І піймав одного молодика з Соккотян, випитував його, й той мусїв йому поважнїйших городян Соккотських сїмдесять і сїм чоловік списати.
14nam hij een jongen, een van de inwoners van Soekkot, gevangen, die op zijn verzoek hem de overheden van Soekkot en zijn oudsten opschreef, zeven en zeventig man.
15Прийшовши тодї він до Соккотян, промовив: Оце вам Зевей і Салман, що за них ви мене соромили питаючи: Хиба рука Зевея та Салмана уже в тебе в руцї, щоб нам харчувати твоїх томлених людей?
15En bij de burgers van Soekkot gekomen, sprak hij: Hier zijn nu Zébach en Salmoenna, om wie gij mij honend gezegd hebt: “Hebt ge soms Zébach en Salmoenna al in uw macht, dat wij uw uitgeputte mannen brood zouden geven?”
16Ухопив тодї він поважнїйших горожан, і взяв дикої тернини та борону та й пороздирав тих Суккотян.
16En hij greep de oudsten der stad, nam dorens uit de woestijn en distels, en tuchtigde de inwoners van Soekkot er mee.
17В Пенуелї ж зруйнував башту та й повбивав городян.
17Ook de toren van Penoeël haalde hij omver, en doodde de burgers der stad.
18Тодї питає в Зевея та в Салмана: Які були на виду ті мужі, що ви побили їх на Таворі? Вони кажуть: Зовсїм як ти були вони на виду, кожен на виду мов царевич.
18Daarna vroeg hij aan Zébach en Salmoenna: Wat waren dat voor mannen, die ge op de Tabor vermoord hebt? Ze zeiden: Ze leken op u; ze zagen er uit als koningszonen.
19Він же каже: Се були брати мої, сини матері моєї. Так вірно, як Бог живе: коли б ви зоставили були їх живими, я не вбивав би вас.
19Hij riep uit: Dan waren het mijn broeders, de zonen van mijn moeder! Zowaar Jahweh leeft: hadt gij hen in het leven gelaten, dan had ik ook u niet gedood!
20Рече тодї свойму перворідневі Етерові: Встань! постинай обох! Хлопець же не виймав з піхви меча свого: боявся, був ще недорослий.
20En hij zei tot Jéter, zijn eerstgeborene: Vooruit, sla ze dood! Maar de jongen durfde zijn zwaard niet trekken; hij was bang, omdat hij nog een jongen was.
21Озвуться тодї Зевей та Салман: Встань сам і постинай нас, по чоловікові бо й сила його. І встав Гедеон та й постинав Зевея й Салмана, й побрав собі пряжки, що їх верблюди мали на шиї,
21Toen zeiden Zébach en Salmoenna: Kom zelf ons neerslaan, want zoals de man, zo is ook zijn kracht. En Gedeon stond op, en doodde Zébach en Salmoenna; de maantjes, die aan de nekken hunner kamelen hingen, nam hij voor zich.
22Тодї мужі Ізраїлські прохали Гедеона: Пануй над нами, і ти сам, і син твій й твого сина син: бо ти нас визволив із потали в Мадиянїїв.
22Nu spraken de Israëlieten tot Gedeon: Heers over ons, gij zowel als uw zoon en uw kleinzoon; want gij hebt ons uit de hand van Midjan bevrijd.
23Гедеон же відказав їм: Нї, я над вами не буду панувати, нї син мій над вами не панувати ме, Господь нехай над вами панує.
23Maar Gedeon gaf hun ten antwoord: Niet ik zal over u heersen, en mijn zoon evenmin, doch Jahweh zal over u heersen!
24І рече їм Гедеон: Хочу в вас чогось попросити: дайте менї по каблучцї з вашого лупу. Вороги бо носили золоті ковтки, бо були Ізмаїлїї.
24Maar Gedeon ging voort: Toch wilde ik u iets vragen. Laat ieder van u uit zijn buit mij een ring geven. Want omdat het Ismaëlieten waren, hadden ze gouden ringen gedragen.
25Они відказали: Дамо тобі їх охотою. І прослали опончу, і кожен кидав добичню наушницю на неї.
25Ze antwoordden: Die geven we u graag. Zij spreidden een mantel uit, en ieder wierp er een ring uit zijn buit op.
26Та назбіралось ваги в золотих каблучках, що випрохав, тисяча й сїмсот золотих секлів, опріч пряжок, сережок та пурпурових шат, що носили мадиянїйські царі, й окрім нашийних почіпок у їх верблюдів.
26Het gewicht der ringen, waarom hij gevraagd had, bedroeg zeventien honderd sikkels in goud, behalve de maantjes, oorbellen en purperen gewaden, die de koningen van Midjan hadden gedragen, met de ketens aan de nekken hunner kamelen.
27Гедеон же звелїв із того виготовити ефода, й поставив його в отецькому городї свойму Офрі, й ввесь Ізраїль ідольствував там із ним, і був він сїтею йому й його родинї.
27Hiervan liet Gedeon een efod maken, die hij in zijn stad Ofra plaatste. Daar pleegde heel Israël er ontucht mee, en zij werd ook een valstrik voor Gedeon en zijn huis.
28Так упокорились Мадиянїї перед синами Ізраїля, так що вже не задирали голови своєї в гору. І тїшилась супокоєм земля сорок год, покіль Гедеон жив на сьвітї.
28Zo werd Midjan voor de Israëlieten vernederd, en stak het hoofd niet meer op. En het land genoot gedurende veertig jaar rust, al de tijd, dat Gedeon nog leefde.
29І вернувсь додому Еробаал Йоасенко і жив далій у своїй господї.
29Toen Jeroebbáal, de zoon van Joasj, naar huis was gegaan, bleef hij daar wonen.
30Було в Гедеона сїмдесять рідних по тїлу синів, мав бо жінок багацько.
30Gedeon had zeventig zonen, uit zijn lenden ontsproten; want hij had vele vrouwen.
31А наліжниця його, що держав у Сихемі, вродила йому також сина, і дав він йому імя Абимелех.
31Bovendien baarde ook zijn bijzit, die hij te Sikem had, hem een zoon, dien hij Abimélek noemde.
32І вмер Гедеон Йоасенко в високих старощах, і поховано його в гробовищі батьківському Йоасовому в Офрі Авіезеровій.
32Gedeon, de zoon van Joasj, stierf in hoge ouderdom, en werd begraven in het graf van zijn vader Joasj, in Ofra van Abiézer.
33Як умер же Гедеон, блудували знов сини Ізрайлеві за Баалом і прийняли собі Баалверита за бога.
33Toen Gedeon gestorven was, begonnen de Israëlieten weer ontuchtig achter de Báals te lopen, en kozen zich Báal-Berit tot God.
34І не памятали Ізрайлитяне про Господа, Бога свого, що визволяв їх із потали всїх ворогів їх навкруги.
34De Israëlieten dachten niet meer aan Jahweh, hun God, die hen verlost had van al hun vijanden, die hen omringden;
35Та й не показували нїякої прихилности до родини Еробаалової, Гедеонової, такої щоб рівноважили з добродїйствами, які він чинив Ізраїлеві.
35evenmin waren ze het huis van Jeroebbáal of Gedeon erkentelijk voor al het goede, dat hij voor Israël had gedaan.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.