士师记
Chapter 8
Chinese Union Version, p…
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Chinese Union Version, punctuated (Simplified)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1以法莲 人对 基甸 说:「你去与 米甸 人争战,没有招我们同去,为什么这样待我们呢?」他们就与 基甸 大大地争吵。
1Maar nu zeiden de Efraïmieten tot hem: Wat is dat voor een manier van doen tegenover ons, dat ge ons niet hebt opgeroepen, toen ge Midjan gingt bestrijden? En ze voeren heftig tegen hem uit.
2基甸 对他们说:「我所行的岂能比你们所行的呢? 以法莲 拾取剩下的葡萄不强过 亚比以谢 所摘的葡萄吗?
2Doch hij zeide tot hen: Wat heb ik dan meer gedaan dan gij? Is Efraïms nalezing niet meer waard dan Abiézers oogst?
3神已将 米甸 人的两个首领 俄立 和 西伊伯 交在你们手中;我所行的岂能比你们所行的呢?」 基甸 说了这话, 以法莲 人的怒气就消了。
3In uw handen heeft God Oreb en Zeëb, de aanvoerders der Midjanieten, geleverd. Wat heb ik dan meer kunnen doen, dan gij hebt gedaan? Toen hij zo had gesproken, bedaarde hun verstoordheid op hem.
4基甸 和跟随他的三百人到 约旦河 过渡,虽然疲乏,还是追赶。
4Vermoeid en hongerig kwam Gedeon met zijn drie honderd gezellen bij de Jordaan, en trok die over.
5基甸 对 疏割 人说:「求你们拿饼来给跟随我的人吃,因为他们疲乏了;我们追赶 米甸 人的两个王 西巴 和 撒慕拿 。」
5Hij zei toen tot de bewoners van Soekkot: Geef toch wat brood aan de mannen, die me volgen; want ze zijn uitgeput, en ik moet de midjanietische koningen Zébach en Salmoenna nog achtervolgen.
6疏割 人的首领回答说:「 西巴 和 撒慕拿 已经在你手里,你使我们将饼给你的军兵吗?」
6Maar de overheden van Soekkot zeiden: Hebt ge soms Zébach en Salmoenna al in uw macht, dat wij aan uw leger brood zouden geven?
7基甸 说:「耶和华将 西巴 和 撒慕拿 交在我手之后,我就用野地的荆条和枳棘打伤你们。」
7Toen sprak Gedeon: Waarachtig, als Jahweh mij Zébach en Salmoenna heeft overgeleverd, zal ik uw vlees komen dorsen met dorens uit de woestijn en met distels.
8基甸 从那里上到 毗努伊勒 ,对那里的人也是这样说; 毗努伊勒 人也与 疏割 人回答他的话一样。
8Vandaar trok hij verder naar Penoeël, en deed aan de burgers van Penoeël hetzelfde verzoek. Zij gaven hem hetzelfde antwoord als de bewoners van Soekkot.
9他向 毗努伊勒 人说:「我平平安安回来的时候,我必拆毁这楼。」
9Hij sprak dan ook tot de inwoners van Penoeël: Als ik in vrede terugkeer, haal ik deze toren omver.
10那时 西巴 和 撒慕拿 ,并跟随他们的军队都在 加各 ,约有一万五千人,就是东方人全军所剩下的;已经被杀约有十二万拿刀的。
10Intussen waren Zébach en Salmoenna met hun leger van ongeveer vijftien duizend man te Karkor gekomen. Het was alles wat er was overgebleven van het hele leger der stammen uit het oosten; honderdtwintig duizend man, die het zwaard hanteerden, waren gevallen.
11基甸 就由 挪巴 和 约比哈 东边,从住帐棚人的路上去,杀败了 米甸 人的军兵,因为他们坦然无惧。
11Gedeon trok dus op in de richting der tentbewoners, ten oosten van Nóbach en Jogbeha, en versloeg het leger, dat zich in veiligheid waande.
12西巴 和 撒慕拿 逃跑; 基甸 追赶他们,捉住 米甸 的二王 西巴 和 撒慕拿 ,惊散全军。
12Zébach en Salmoenna namen de vlucht, maar hij zette ze na, nam de beide midjanietische koningen Zébach en Salmoenna gevangen, en bracht heel het leger in verwarring.
13约阿施 的儿子 基甸 由 希列斯 坡从阵上回来,
13Toen Gedeon, de zoon van Joasj, van de strijd terugkeerde langs de hoogte van Chéres,
14捉住 疏割 的一个少年人,问他:「 疏割 的首领长老是谁?」他就将首领长老七十七个人的名字写出来。
14nam hij een jongen, een van de inwoners van Soekkot, gevangen, die op zijn verzoek hem de overheden van Soekkot en zijn oudsten opschreef, zeven en zeventig man.
15基甸 到了 疏割 ,对那里的人说:「你们从前讥诮我说:『 西巴 和 撒慕拿 已经在你手里,你使我们将饼给 跟随 你的疲乏人吗?』现在 西巴 和 撒慕拿 在这里。」
15En bij de burgers van Soekkot gekomen, sprak hij: Hier zijn nu Zébach en Salmoenna, om wie gij mij honend gezegd hebt: “Hebt ge soms Zébach en Salmoenna al in uw macht, dat wij uw uitgeputte mannen brood zouden geven?”
16于是捉住那城内的长老,用野地的荆条和枳棘责打 疏割 人;
16En hij greep de oudsten der stad, nam dorens uit de woestijn en distels, en tuchtigde de inwoners van Soekkot er mee.
17又拆了 毗努伊勒 的楼,杀了那城里的人。
17Ook de toren van Penoeël haalde hij omver, en doodde de burgers der stad.
18基甸 问 西巴 和 撒慕拿 说:「你们在 他泊山 所杀的人是什么样式?」回答说:「他们好像你,各人都有王子的样式。」
18Daarna vroeg hij aan Zébach en Salmoenna: Wat waren dat voor mannen, die ge op de Tabor vermoord hebt? Ze zeiden: Ze leken op u; ze zagen er uit als koningszonen.
19基甸 说:「他们是我同母的弟兄,我指着永生的耶和华起誓,你们从前若存留他们的性命,我如今就不杀你们了。」
19Hij riep uit: Dan waren het mijn broeders, de zonen van mijn moeder! Zowaar Jahweh leeft: hadt gij hen in het leven gelaten, dan had ik ook u niet gedood!
20于是对他的长子 益帖 说:「你起来杀他们。」但 益帖 因为是童子,害怕,不敢拔刀。
20En hij zei tot Jéter, zijn eerstgeborene: Vooruit, sla ze dood! Maar de jongen durfde zijn zwaard niet trekken; hij was bang, omdat hij nog een jongen was.
21西巴 和 撒慕拿 说:「你自己起来杀我们吧!因为人如何,力量也是如何。」 基甸 就起来,杀了 西巴 和 撒慕拿 ,夺获他们骆驼项上戴的月牙圈。
21Toen zeiden Zébach en Salmoenna: Kom zelf ons neerslaan, want zoals de man, zo is ook zijn kracht. En Gedeon stond op, en doodde Zébach en Salmoenna; de maantjes, die aan de nekken hunner kamelen hingen, nam hij voor zich.
22以色列 人对 基甸 说:「你既救我们脱离 米甸 人的手,愿你和你的儿孙管理我们。」
22Nu spraken de Israëlieten tot Gedeon: Heers over ons, gij zowel als uw zoon en uw kleinzoon; want gij hebt ons uit de hand van Midjan bevrijd.
23基甸 说:「我不管理你们,我的儿子也不管理你们,惟有耶和华管理你们。」
23Maar Gedeon gaf hun ten antwoord: Niet ik zal over u heersen, en mijn zoon evenmin, doch Jahweh zal over u heersen!
24基甸 又对他们说:「我有一件事求你们:请你们各人将所夺的耳环给我。」(原来仇敌是 以实玛利 人,都是戴金耳环的。)
24Maar Gedeon ging voort: Toch wilde ik u iets vragen. Laat ieder van u uit zijn buit mij een ring geven. Want omdat het Ismaëlieten waren, hadden ze gouden ringen gedragen.
25他们说:「我们情愿给你」,就铺开一件外衣,各人将所夺的耳环丢在其上。
25Ze antwoordden: Die geven we u graag. Zij spreidden een mantel uit, en ieder wierp er een ring uit zijn buit op.
26基甸 所要出来的金耳环重一千七百 舍客勒 金子。此外还有 米甸 王所戴的月环、耳坠,和所穿的紫色衣服,并骆驼项上的 金 链子。
26Het gewicht der ringen, waarom hij gevraagd had, bedroeg zeventien honderd sikkels in goud, behalve de maantjes, oorbellen en purperen gewaden, die de koningen van Midjan hadden gedragen, met de ketens aan de nekken hunner kamelen.
27基甸 以此制造了一个以弗得,设立在本城 俄弗拉 。后来 以色列 人拜那以弗得行了邪淫;这就作了 基甸 和他全家的网罗。
27Hiervan liet Gedeon een efod maken, die hij in zijn stad Ofra plaatste. Daar pleegde heel Israël er ontucht mee, en zij werd ook een valstrik voor Gedeon en zijn huis.
28这样, 米甸 人被 以色列 人制伏了,不敢再抬头。 基甸 还在的日子,国中太平四十年。
28Zo werd Midjan voor de Israëlieten vernederd, en stak het hoofd niet meer op. En het land genoot gedurende veertig jaar rust, al de tijd, dat Gedeon nog leefde.
29约阿施 的儿子 耶路·巴力 回去,住在自己家里。
29Toen Jeroebbáal, de zoon van Joasj, naar huis was gegaan, bleef hij daar wonen.
30基甸 有七十个亲生的儿子,因为他有许多的妻。
30Gedeon had zeventig zonen, uit zijn lenden ontsproten; want hij had vele vrouwen.
31他的妾住在 示剑 ,也给他生了一个儿子。 基甸 与他起名叫 亚比米勒 。
31Bovendien baarde ook zijn bijzit, die hij te Sikem had, hem een zoon, dien hij Abimélek noemde.
32约阿施 的儿子 基甸 ,年纪老迈而死,葬在 亚比以谢 族的 俄弗拉 ,在他父亲 约阿施 的坟墓里。
32Gedeon, de zoon van Joasj, stierf in hoge ouderdom, en werd begraven in het graf van zijn vader Joasj, in Ofra van Abiézer.
33基甸 死后, 以色列 人又去随从诸 巴力 行邪淫,以 巴力·比利土 为他们的神。
33Toen Gedeon gestorven was, begonnen de Israëlieten weer ontuchtig achter de Báals te lopen, en kozen zich Báal-Berit tot God.
34以色列 人不记念耶和华—他们的 神,就是拯救他们脱离四围仇敌之手的,
34De Israëlieten dachten niet meer aan Jahweh, hun God, die hen verlost had van al hun vijanden, die hen omringden;
35也不照着 耶路·巴力 ,就是 基甸 向他们所施的恩惠厚待他的家。
35evenmin waren ze het huis van Jeroebbáal of Gedeon erkentelijk voor al het goede, dat hij voor Israël had gedaan.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.