Apokalyps
Chapter 12
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Douay-Rheims Bible…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Douay-Rheims Bible, American Edition (1899)
1Toen verscheen er een groot teken aan de hemel: een Vrouw, bekleed met de zon, de maan aan haar voeten, en op haar hoofd een kroon van twaalf sterren.
1And a great sign appeared in heaven: A woman clothed with the sun, and the moon under her feet, and on her head a crown of twelve stars:
2Ze was zwanger, en kreet in haar weeën en in haar barensnood.
2And being with child, she cried travailing in birth, and was in pain to be delivered.
3Nog een ander teken verscheen aan de hemel. Zie:een grote rossige Draak met zeven koppen en tien horens, en op zijn koppen zeven kronen.
3And there was seen another sign in heaven: and behold a great red dragon, having seven heads, and ten horns: and on his head seven diadems:
4Zijn staart sleepte het derde deel van de sterren des hemels weg, en wierp ze op aarde. En de Draak stelde zich op tegenover de Vrouw, die op het punt stond te baren, om zodra zij gebaard had, haar Kind te verslinden.
4And his tail drew the third part of the stars of heaven, and cast them to the earth: and the dragon stood before the woman who was ready to be delivered; that, when she should be delivered, he might devour her son.
5Ze baarde een Kind van het mannelijk geslacht, dat alle volkeren zal weiden met ijzeren staf. En haar Kind werd weggevoerd naar God en zijn troon.
5And she brought forth a man child, who was to rule all nations with an iron rod: and her son was taken up to God, and to his throne.
6Maar de Vrouw nam de vlucht naar de woestijn, waar ze een plaats heeft, door God haar bereid, om daar te worden gevoed duizend tweehonderd zestig dagen.
6And the woman fled into the wilderness, where she had a place prepared by God, that there they should feed her a thousand two hundred sixty days.
7Toen barstte een strijd in de hemel los: Mikaël met zijn engelen streed tegen den Draak; ook vochten de Draak en zijn engelen.
7And there was a great battle in heaven, Michael and his angels fought with the dragon, and the dragon fought and his angels:
8Maar de laatsten legden het af, en er was geen plaats meer voor hen in de hemel.
8And they prevailed not, neither was their place found any more in heaven.
9De grote Draak werd neergesmakt, de oude slang, die Duivel en Satan heet en de ganse aarde verleidt; neergesmakt op de aarde, neergesmakt zijn engelen met hem.
9And that great dragon was cast out, that old serpent, who is called the devil and Satan, who seduceth the whole world; and he was cast unto the earth, and his angels were thrown down with him.
10En ik hoorde een machtige stem in de hemel, die riep: Thans is gekomen het heil en de macht, Het koningschap van onzen God, de heerschappij van zijn Gezalfde; Want neergesmakt ligt hij, die onze broeders beticht, Die ze beschuldigt voor onzen God, dag en nacht.
10And I heard a loud voice in heaven, saying: Now is come salvation, and strength, and the kingdom of our God, and the power of his Christ: because the accuser of our brethren is cast forth, who accused them before our God day and night.
11Overwonnen hebben ze hem door het Bloed van het Lam, Door het woord van hun getuigenis. Ze hadden hun leven niet lief tot de dood;
11And they overcame him by the blood of the Lamb, and by the word of the testimony, and they loved not their lives unto death.
12Juicht daarom hemelen, en die er in woont! Wee echter de aarde en de zee! Want de duivel is tot u neergedaald; Hij is ziedend van woede: Want hij weet, hij heeft slechts weinig tijd.
12Therefore rejoice, O heavens, and you that dwell therein. Woe to the earth, and to the sea, because the devil is come down unto you, having great wrath, knowing that he hath but a short time.
13En toen de Draak zag, dat hij op aarde was neergesmakt, ging hij de Vrouw vervolgen, die het Kind had gebaard.
13And when the dragon saw that he was cast unto the earth, he persecuted the woman, who brought forth the man child:
14Maar aan de Vrouw werden de twee vleugels van den groten adelaar gegeven, om te vliegen naar de woestijn, naar de plaats, waar ze gevoed wordt een tijd, twee tijden en een halve tijd, buiten bereik van de slang.
14And there were given to the woman two wings of a great eagle, that she might fly into the desert unto her place, where she is nourished for a time and times, and half a time, from the face of the serpent.
15Wel spoot de slang uit haar bek water, als een rivier, de Vrouw achterna, om haar mee te sleuren door de stroom;
15And the serpent cast out of his mouth after the woman, water as it were a river; that he might cause her to be carried away by the river.
16doch de aarde kwam de Vrouw te hulp; ze opende haar mond en verzwolg de rivier, die de Draak uit zijn bek had gespoten.
16And the earth helped the woman, and the earth opened her mouth, and swallowed up the river, which the dragon cast out of his mouth.
17Nu ontstak de Draak in woede tegen de Vrouw; hij trok af, om strijd te voeren tegen de rest van haar zaad, tegen hen, die de geboden van God onderhouden, en de getuigenis van Jesus bezitten.
17And the dragon was angry against the woman: and went to make war with the rest of her seed, who keep the commandments of God, and have the testimony of Jesus Christ.
no verse 18 in this text
18And he stood upon the sand of the sea.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.