Jozua 4
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Douay-Rheims Bible, American Edition (1899)
1Nadat dan het hele volk over de Jordaan was getrokken, sprak Jahweh tot Josuë:
1And when they were passed over, the Lord said to Josue:
2Kiest u uit dit volk twaalf mannen, één uit iedere stam,
2Choose twelve men, one of every tribe:
3en beveelt hun: Neemt hier midden uit de Jordaan, waar de voeten van de priesters hebben gestaan, twaalf stenen; draagt ze met u mee naar de plek, waar ge vannacht verblijven zult, en richt ze daar op.
3And command them to take out of the midst of the Jordan, where the feet of the priests stood, twelve very hard stones, which you shall set in the place of the camp, where you shall pitch your tents this night.
4Josuë riep dus twaalf mannen, die hij onder de Israëlieten aanwees, uit elke stam één,
4And Josue called twelve men, whom he had chosen out of the children of Israel, one out of every tribe,
5en sprak tot hen: Trekt op tot bij de ark van Jahweh, uw God, in het midden van de Jordaan, en neemt ieder één steen op uw schouders, naar het getal van de stammen van Israëls kinderen,
5And he said to them: Go before the ark of the Lord your God to the midst of the Jordan, and carry from thence every man a stone on your shoulders, according to the number of the children of Israel,
6opdat die onder u ten teken zijn. En wanneer dan later uw zonen vragen: “Wat beduiden die stenen voor u?”
6That it may be a sign among you and when your children shall ask you tomorrow, saying: What mean these stones?
7zult ge hun antwoorden: “Omdat het water van de Jordaan voor de ark van Jahweh’s Verbond verdween, toen de ark de Jordaan overtrok: omdat het water van de Jordaan verdween, daarom zijn deze stenen een altijddurend gedenkteken voor de kinderen Israëls”.
7You shall answer them: The waters of the Jordan ran off before the ark of the covenant of the Lord, when it passed over the same: therefore were these atones set for a monument of the children of Israel for ever.
8De Israëlieten deden dus, zoals Josuë hun had bevolen; ze namen uit het midden van de Jordaan twaalf stenen op naar het getal der israëlietische stammen, zoals Jahweh het Josuë bevolen had, droegen ze mee naar het nachtkwartier en richtten ze daar op.
8The children of Israel therefore did as Josue commanded them, carrying out of the channel of the Jordan twelve stones, as the Lord had commanded him, according to the number of the children of Israel, unto the place wherein they camped, and there they set them.
9Tevens plaatste Josuë twaalf stenen midden in de Jordaan op de plaats, waar de voeten van de priesters, die de ark des Verbonds droegen, hadden gerust; ze zijn daar nog tot op de dag van heden.
9And Josue put other twelve stones in the midst of the channel of the Jordan, where the priests stood that carried the ark of the covenant: and they are there until this present day.
10Intussen waren de priesters, die de ark droegen, midden in de Jordaan blijven staan, totdat alles geschied was, wat Jahweh Josuë had opgedragen, aan het volk te bevelen. In aller ijl trok het volk naar de andere kant;
10Now the priests that carried the ark, stood in the midst of the Jordan till all things were accomplished which the Lord had commanded Josue to speak to the people, and Moses had said to him. And the people made haste and passed over.
11en toen het hele volk over was, trok ook de ark van Jahweh over, en gingen de priesters weer aan de spits van het volk.
11And when they had all passed over, the ark also of the Lord passed over, and the priests went before the people.
12Ook de Rubenieten, de Gadieten en de halve stam van Manasse trokken over, en gingen gewapend voor Israël uit, zoals Moses het hun had bevolen;
12The children of Ruben also and Gad, and half the tribe of Manasses, went armed before the children of Israel as Moses had commanded them.
13ze telden veertigduizend man ongeveer, die voor Jahweh ten strijde uittrokken naar de vlakte van Jericho.
13And forty thousand fighting men by their troops, and bands, marched through the plains and fields of the city of Jericho.
14Die dag verheerlijkte Jahweh Josuë in de ogen van heel Israël, zodat ze hem heel zijn leven vreesden, zoals ze Moses hadden gevreesd.
14In that day the Lord magnified Josue in the sight of all Israel, that they should fear him, as they had feared Moses, while he lived.
15Nu sprak Jahweh tot Josuë:
15And he said to him:
16Beveel de priesters, die de ark des Verbonds dragen, dat ze uit de Jordaan komen.
16Command the priests, that carry the ark of the covenant, to come up out of the Jordan.
17En Josuë beval de priesters: Komt de Jordaan uit.
17And he commanded them, saying: Come ye up out of the Jordan.
18Zodra nu de priesters, die de ark van Jahweh’s Verbond droegen, uit het midden van de Jordaan waren gekomen, en de voetzolen der priesters het droge hadden bereikt, hernam het water van de Jordaan zijn loop, en trad weer buiten zijn oevers als vroeger.
18And when they that carried the ark of the covenant of the Lord, were come up, and began to tread on the dry ground, the waters returned into the channel, and ran as they were wont before.
19Op de tiende dag van de eerste maand trok het volk van de Jordaan weg, en sloeg zijn legerplaats te Gilgal op, aan de oostelijke grens van Jericho.
19And the people came up out of the Jordan, the tenth day of the first month, and camped in Galgal, over against the east side of the city of Jericho.
20De twaalf stenen, die men uit de Jordaan had meegenomen, liet Josuë nu te Gilgal oprichten,
20And the twelve stones which they had taken out of the channel of the Jordan, Josue pitched in Galgal,
21terwijl hij tot de Israëlieten sprak: Als later uw zonen aan hun vaders vragen: “Wat hebben deze stenen te beduiden?”
21And said to the children of Israel: When your children shall ask their fathers, tomorrow, and shall say to them: What mean these stones?
22moet ge uw zonen vertellen: “Droogvoets trok Israël hier over de Jordaan!”
22You shall teach them and say: Israel passed over this Jordan through the dry channel.
23Want Jahweh, uw God, heeft het water van de Jordaan voor u doen opdrogen, totdat ge er over waart, zoals Jahweh, uw God, met de Rode Zee heeft gedaan, die Hij voor ons heeft drooggelegd, totdat wij er over waren:
23The Lord your God drying up the waters thereof in your sight, until you passed over:
24opdat alle volken der aarde zouden weten, dat de hand van Jahweh machtig is, en gij Jahweh, uw God, voor altijd zoudt vrezen!
24As he had done before in the Red Sea, which he dried up till we passed through:
no verse 25 in this text
25That all the people of the earth may learn the most mighty hand of the Lord, that you also may fear the Lord your God for ever.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.