Jeremia
Chapter 29
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Bíblia Portuguesa …
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)
1Dit is de inhoud van de brief, die de profeet Jeremias uit Jerusalem zond aan de nog levende oudsten onder de ballingen, en aan de priesters, profeten en heel het volk, dat Nabukodonosor van Jerusalem naar Babel had overgebracht,
1Estas são as palavras da carta que o profeta Jeremias enviou de Jerusalém ao restante dos anciãos do cativeiro, e aos sacerdotes, aos profetas e a todo o povo que Nabucodonosor havia levado cativo de Jerusalém para a Babilônia,
2nadat koning Jekonias met de gebiedster, de hovelingen en de magistraten van Juda en Jerusalem, met de smeden en bankwerkers Jerusalem hadden moeten verlaten.
2(depois que o rei Jeconias, a rainha-mãe, os eunucos, os príncipes de Judá e de Jerusalém, os artesãos e os ferreiros partiram de Jerusalém),
3Hij gaf hem mee aan Elasa, den zoon van Sjafan, en Gemarja, den zoon van Chilki-ja, die Sedekias, de koning van Juda, naar Babel zond tot Nabukodonosor, den koning van Babel. Hij luidde:
3pelas mãos de Elasa, filho de Safã, e de Gemarias, filho de Hilquias (os quais Zedequias, rei de Judá, enviou à Babilônia, a Nabucodonosor, rei da Babilônia). A carta dizia:
4Zo spreekt Jahweh der heirscharen, Israëls God, tot alle ballingen, die Ik van Jerusalem naar Babel heb overgebracht!
4Assim diz o SENHOR dos Exércitos, o Deus de Israel, a todos os cativos que fiz levar cativos de Jerusalém para a Babilônia:
5Bouwt huizen, en gaat er in wonen; legt tuinen aan, en geniet van hun vruchten.
5“Construam casas e habitem nelas. Plantem hortas e comam do seu fruto.
6Neemt vrouwen, en verwekt zonen en dochters; kiest vrouwen ook voor uw zonen, en huwt eveneens uw dochters uit, opdat zij zonen en dochters baren; vermeerdert u daar, in plaats van in getal te verminderen.
6Tomem esposas e gerem filhos e filhas. Tomem esposas para os seus filhos e deem as suas filhas a maridos, para que tenham filhos e filhas. Multipliquem-se ali, e não diminuam.
7Werkt voor de welvaart der stad, waarheen Ik u heb verbannen, en bidt Jahweh voor haar; want van haar welvaart hangt de uwe af.
7Busquem a paz da cidade para onde os fiz levar cativos, e orem ao SENHOR por ela; pois na paz dela vocês terão paz.”
8Want zo spreekt Jahweh, Israëls God: Laat u door de profeten, die in uw midden vertoeven, en door uw waarzeggers niet misleiden, en luistert niet naar uw dromers, die ge maar moet laten dromen.
8Pois assim diz o SENHOR dos Exércitos, o Deus de Israel: “Não deixem que os seus profetas que estão no meio de vocês e os seus adivinhos os enganem. Não deem ouvidos aos sonhos que vocês fazem sonhar.
9Want ze profeteren u leugens in mijn Naam; Ik heb ze niet gezonden, is de godsspraak van Jahweh.
9Pois eles profetizam falsamente a vocês em meu nome. Eu não os enviei”, diz o SENHOR.
10Want zo spreekt Jahweh: Eerst als de zeventig jaren van Babel voorbij zijn, zal Ik weer naar u omzien, en u mijn belofte gestand doen, om u terug te brengen naar deze plaats.
10Pois assim diz o SENHOR: “Quando se completarem setenta anos para a Babilônia, eu os visitarei e cumprirei a minha boa palavra para com vocês, fazendo-os retornar a este lugar.
11Ik ken toch zelf wel de plannen, die Ik over u heb gemaakt, is de godsspraak van Jahweh! Het zijn plannen van heil en niet van rampen; plannen, om u een hoopvolle toekomst te schenken.
11Pois eu sei os pensamentos que tenho a respeito de vocês”, diz o SENHOR, “pensamentos de paz, e não de mal, para dar a vocês esperança e um futuro.
12Als ge dan tot Mij roept en tot Mij komt bidden, dan zal Ik u horen;
12Vocês clamarão a mim, virão e orarão a mim, e eu os ouvirei.
13als ge Mij zoekt, met heel uw hart zoekt, dan zult ge Mij vinden.
13Vocês me buscarão e me encontrarão, quando me buscarem de todo o seu coração.
14Ja, dan zal Ik Mij door u laten vinden, is de godsspraak van Jahweh: aan uw ballingschap een einde maken, u verzamelen uit alle volken en plaatsen, waarheen Ik u heb verstrooid, is de godsspraak van Jahweh, en u terugvoeren naar de plaats, waaruit Ik u heb verbannen.
14Serei encontrado por vocês”, diz o SENHOR, “e reverterei o seu cativeiro, e os reunirei de todas as nações e de todos os lugares para onde os expulsei”, diz o SENHOR. “Eu os trarei de volta ao lugar de onde os fiz levar cativos.”
15Waarachtig, dan zult ge zeggen: Jahweh heeft ons in Babel profeten verwekt!
15Porque vocês disseram: “O SENHOR nos levantou profetas na Babilônia”,
16Maar zo spreekt Jahweh over den koning, die op Davids troon is gezeten, en over heel het volk, dat in deze stad is blijven wonen, over uw broeders, die niet met u in ballingschap zijn gegaan:
16assim diz o SENHOR a respeito do rei que se assenta no trono de Davi, e a respeito de todo o povo que habita nesta cidade, seus irmãos que não foram com vocês para o cativeiro,
17Zo spreekt Jahweh der heirscharen! Zie, Ik laat het zwaard, de honger en de pest op hen los, en zal er mee doen als met rotte vijgen, te slecht om te eten.
17assim diz o SENHOR dos Exércitos: “Eis que enviarei sobre eles a espada, a fome e a peste, e os farei como figos podres, que não podem ser comidos de tão ruins que são.
18Ik zal ze vervolgen met het zwaard, met honger en pest, en zal ze ten afschrik maken voor alle koninkrijken der aarde, tot een vloek en ontzetting, tot spot en hoon onder alle volken, waaronder Ik ze zal verstrooien.
18Eu os perseguirei com a espada, com a fome e com a peste, e os entregarei para serem jogados de um lado para outro entre todos os reinos da terra, para serem objeto de horror, de espanto, de vaias e de vergonha entre todas as nações para onde os expulsei,
19Want ze hebben niet naar mijn woorden geluisterd, spreekt Jahweh; niet geluisterd naar de profeten, mijn dienaars, die Ik hun ‘s morgens vroeg en ‘s avonds laat heb gezonden, is de godsspraak van Jahweh.
19porque não deram ouvidos às minhas palavras”, diz o SENHOR, “com as quais lhes enviei os meus servos, os profetas, levantando-me cedo e os enviando; mas vocês não quiseram ouvir”, diz o SENHOR.
20Luistert gij dan, ballingen, naar het woord van Jahweh, gij allen, die Ik van Jerusalem naar Babel zond.
20Ouçam, portanto, a palavra do SENHOR, todos vocês, cativos que enviei de Jerusalém para a Babilônia.
21Zo spreekt Jahweh der heirscharen, Israëls God, over Achab, den zoon van Kolaja en Sidki-jáhoe, den zoon van Maäseja, die u leugens profeteren in mijn Naam: Zie, Ik lever ze uit aan Nabukodonosor, den koning van Babel, die ze voor uw ogen zal doden.
21Assim diz o SENHOR dos Exércitos, o Deus de Israel, a respeito de Acabe, filho de Colaías, e a respeito de Zedequias, filho de Maaseias, que profetizam mentiras a vocês em meu nome: “Eis que os entregarei nas mãos de Nabucodonosor, rei da Babilônia; e ele os matará diante dos seus olhos.
22Men zal een vloek van hen maken bij alle ballingen van Juda, die zich in Babel bevinden: “Jahweh doe met u als met Sidki-jáhoe en Achab, die de koning van Babel in het vuur heeft geroosterd!”
22Uma maldição será levantada a respeito deles por todos os cativos de Judá que estão na Babilônia, dizendo: ‘O SENHOR o faça como a Zedequias e como a Acabe, os quais o rei da Babilônia assou no fogo’;
23Want ze hebben een schanddaad in Israël bedreven, door overspel te begaan met vrouwen van anderen, en leugenwoorden te spreken in mijn Naam, daar Ik hun geen opdracht gaf. Ik weet het, en kan het getuigen, is de godsspraak van Jahweh!
23porque fizeram loucuras em Israel, cometeram adultério com as esposas dos seus próximos e falaram falsamente palavras em meu nome, as quais eu não lhes ordenei. Eu sou aquele que sabe, e sou testemunha”, diz o SENHOR.
24En tot Sjemajáhoe, den Nechelamiet, moet ge zeggen:
24A respeito de Semaías, o neelamita, você falará, dizendo:
25Zo spreekt Jahweh der heirscharen, Israëls God! Omdat gij op eigen gezag een brief hebt gezonden aan heel het volk van Jerusalem, aan den priester Sefanja, den zoon van Maäseja, en aan alle andere priesters…
25“Assim diz o SENHOR dos Exércitos, o Deus de Israel: ‘Porque você enviou cartas em seu próprio nome a todo o povo que está em Jerusalém, e a Sofonias, filho de Maaseias, o sacerdote, e a todos os sacerdotes, dizendo:
26Hij luidde: Jahweh heeft u tot priester aangesteld in plaats van den priester Jehojada, om in de tempel van Jahweh toezicht te houden op iederen geestdrijver, die aan het profeteren slaat, en dien in stok en boeien te zetten.
26“O SENHOR o constituiu sacerdote no lugar do sacerdote Joiada, para que haja oficiais na casa do SENHOR, para todo homem que é louco e se faz de profeta, a fim de que você o coloque no tronco e nas algemas.
27Waarom laat ge dan Jeremias van Anatot ongemoeid, die onder u profeteert?
27Agora, portanto, por que você não repreendeu Jeremias de Anatote, que se faz de profeta para vocês,
28Hij heeft bovendien ons in Babel een boodschap gezonden: Nog lang zal het duren! Bouwt huizen, en gaat er in wonen; legt tuinen aan, en geniet van hun vruchten!
28pois ele nos enviou uma mensagem na Babilônia, dizendo: O cativeiro será longo. Construam casas e habitem nelas. Plantem hortas e comam do seu fruto?”’”
29Toen de priester Sefanja deze brief aan den profeet Jeremias had voorgelezen,
29O sacerdote Sofonias leu esta carta aos ouvidos do profeta Jeremias.
30werd het woord van Jahweh tot Jeremias gericht:
30Então a palavra do SENHOR veio a Jeremias, dizendo:
31Zend alle ballingen deze boodschap! Zo spreekt Jahweh over Sjemaja, den Nechelamiet: Omdat Sjemaja onder u profeteert, zonder dat Ik hem heb gezonden, en omdat hij onder u valse verwachtingen wekt,
31“Envie uma mensagem a todos os cativos, dizendo: ‘Assim diz o SENHOR a respeito de Semaías, o neelamita: “Porque Semaías profetizou a vocês, e eu não o enviei, e ele fez com que vocês confiassem em uma mentira”,
32daarom spreekt Jahweh! Zie, Ik zal Mij op Sjemaja, den Nechelamiet, en zijn nageslacht wreken; geen van de zijnen zal een plaats krijgen in de kring van dit volk, om het geluk te aanschouwen, dat Ik mijn volk zal bereiden, is de godsspraak van Jahweh; omdat hij opstand tegen Jahweh heeft gepreekt.
32portanto, assim diz o SENHOR: “Eis que punirei Semaías, o neelamita, e a sua descendência. Ele não terá um homem sequer para habitar entre este povo. Ele não verá o bem que farei ao meu povo”, diz o SENHOR, “porque ele pregou rebelião contra o SENHOR.”’”

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.