Jeremia 36
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)
1In het vierde jaar van Jojakim, den zoon van Josias en koning van Juda, werd dit woord van Jahweh tot Jeremias gericht:
1No quarto ano de Jeoaquim, filho de Josias, rei de Judá, esta palavra veio a Jeremias da parte do SENHOR, dizendo:
2Neem een boekrol, en schrijf daarop al wat Ik over Israël en Juda en over alle volken heb gezegd, sinds Ik tot u begon te spreken van de tijd van Josias af tot heden toe.
2“Pegue o rolo de um livro e escreva nele todas as palavras que eu lhe falei contra Israel, contra Judá e contra todas as nações, desde o dia em que falei a você, desde os dias de Josias até o dia de hoje.
3Misschien bekeert zich het huis van Juda nog van zijn zondige wandel, als ze alle rampen vernemen, die Ik van plan ben hun te berokkenen, zodat Ik hun schuld en hun zonde nog kan vergeven.
3Pode ser que a casa de Judá ouça todo o mal que eu pretendo fazer a eles, para que cada um se converta do seu mau caminho; para que eu possa perdoar a sua iniquidade e o seu pecado.”
4Jeremias liet Baruk ontbieden, den zoon van Neri-ja; en Baruk schreef op een boekrol al wat Jahweh tot Jeremias had gesproken, en Jeremias hem mondeling opgaf.
4Então Jeremias chamou Baruque, filho de Nerias; e Baruque escreveu da boca de Jeremias todas as palavras do SENHOR, que ele lhe havia falado, no rolo de um livro.
5Daarop gaf Jeremias aan Baruk de opdracht: Men verhindert mij, naar het huis van Jahweh te gaan.
5Jeremias ordenou a Baruque, dizendo: “Estou impedido. Não posso entrar na casa do SENHOR.
6Gij moet er dus heen gaan, en uit de boekrol, die ge geschreven hebt, zoals ik u opgaf, op de vastendag in de tempel van Jahweh het volk voorlezen wat Jahweh gezegd heeft; ook aan alle Judeërs, die uit hun steden zullen komen, moet ge het voorlezen.
6Portanto, vá você, e leia do rolo que você escreveu da minha boca, as palavras do SENHOR, aos ouvidos do povo na casa do SENHOR no dia de jejum. Você também as lerá aos ouvidos de todo o Judá que vem das suas cidades.
7Misschien leggen ze dan hun smeekbede neer voor het aanschijn van Jahweh, en bekeren allen zich nog van hun zondige wandel; want geweldig is de grimmige toorn, waarmede Jahweh dit volk heeft bedreigd.
7Pode ser que eles apresentem a sua súplica diante do SENHOR, e que cada um se converta do seu mau caminho; pois o SENHOR pronunciou grande ira e furor contra este povo.”
8Baruk, de zoon van Neri-ja, deed al wat de profeet Jeremias hem had bevolen, en ging in de tempel van Jahweh uit het boek de woorden van Jahweh voorlezen.
8Baruque, filho de Nerias, fez de acordo com tudo o que o profeta Jeremias lhe ordenou, lendo no livro as palavras do SENHOR na casa do SENHOR.
9Het was in het vijfde jaar van Jojakim, den zoon van Josias en koning van Juda, en in de negende maand, dat men al het volk van Jerusalem, en al het volk, dat uit de steden van Juda naar Jerusalem was gekomen, voor Jahweh had samengeroepen, om een vasten te houden.
9Ora, no quinto ano de Jeoaquim, filho de Josias, rei de Judá, no nono mês, todo o povo em Jerusalém e todo o povo que veio das cidades de Judá para Jerusalém, proclamaram um jejum diante do SENHOR.
10Toen las Baruk in de tempel van Jahweh, in het vertrek van den schrijver Gemarjáhoe, den zoon van Sjafan, op de bovenste voorhof en bij de ingang van de nieuwe poort van Jahweh’s tempel ten aanhoren van heel het volk de woorden van Jeremias voor uit het boek.
10Então Baruque leu as palavras de Jeremias do livro na casa do SENHOR, na sala de Gemarias, filho de Safã, o escriba, no pátio superior, à entrada da porta nova da casa do SENHOR, aos ouvidos de todo o povo.
11Toen Mikájehoe, de zoon van Gemarjáhoe, zoon van Sjafan, al de woorden van Jahweh uit het boek had gehoord,
11Quando Micaías, filho de Gemarias, filho de Safã, ouviu do livro todas as palavras do SENHOR,
12liep hij naar het koninklijk paleis beneden de kanselarij in, waar juist alle aanvoerders zitting hielden: de kanselier Elisjama, Delajáhoe de zoon van Sjemajáhoe, Elnatan de zoon van Akbor, Gemarjáhoe de zoon van Sjafan, en Sidkijáhoe de zoon van Chananjáhoe, met alle andere aanvoerders.
12ele desceu à casa do rei, à sala do escriba; e eis que todos os príncipes estavam sentados ali: Elisama, o escriba, Delaías, filho de Semaías, Elnatã, filho de Acbor, Gemarias, filho de Safã, Zedequias, filho de Hananias, e todos os príncipes.
13En Mikájehoe vertelde hun al wat hij Baruk aan het volk uit het boek had horen voorlezen.
13Então Micaías lhes declarou todas as palavras que tinha ouvido, quando Baruque leu o livro aos ouvidos do povo.
14Toen stuurden alle aanvoerders Jehoedi, den zoon van Netanjáhoe, zoon van Sjelemjáhoe, zoon van Koesji naar Baruk toe met het bevel: Kom zelf hierheen, en breng de rol mee, waaruit ge het volk hebt voorgelezen. En Baruk, de zoon van Neri-ja, nam de rol met zich mee, en ging naar hen toe.
14Portanto, todos os príncipes enviaram Jeudi, filho de Netanias, filho de Selemias, filho de Cusi, a Baruque, dizendo: “Pegue em sua mão o rolo no qual você leu aos ouvidos do povo, e venha.” Assim Baruque, filho de Nerias, pegou o rolo em sua mão e foi até eles.
15Ze zeiden tot hem: Ga zitten, en lees het ons voor. Baruk deed het.
15Eles lhe disseram: “Sente-se agora, e leia-o aos nossos ouvidos.” Então Baruque o leu aos ouvidos deles.
16En toen ze alles hadden gehoord, keken ze elkaar ontsteld aan, en zeiden tot Baruk: We moeten den koning dit alles berichten.
16Ora, quando ouviram todas as palavras, viraram-se com medo uns para os outros, e disseram a Baruque: “Certamente contaremos ao rei todas estas palavras.”
17Maar eerst ondervroegen ze Baruk nog: Vertel ons eens, hoe komt ge aan al wat ge hebt opgeschreven?
17Eles perguntaram a Baruque, dizendo: “Diga-nos agora, como você escreveu todas estas palavras da boca dele?”
18Baruk gaf hun ten antwoord: Jeremias heeft mij dit alles mondeling opgegeven, en ik heb het met inkt in het boek geschreven.
18Então Baruque lhes respondeu: “Ele me ditou todas estas palavras com a sua boca, e eu as escrevi com tinta no livro.”
19Toen zeiden de aanvoerders: Ga u dan maar met Jeremias verbergen, en laat niemand weten, waar ge blijft!
19Então os príncipes disseram a Baruque: “Vá se esconder, você e Jeremias. Não deixem que ninguém saiba onde vocês estão.”
20Ze lieten de rol in het vertrek van den kanselier Elisjama achter, gingen in allerijl naar den koning en berichtten hem al wat er gebeurd was.
20Eles entraram até o rei no pátio, mas haviam guardado o rolo na sala de Elisama, o escriba. Então eles contaram todas as palavras aos ouvidos do rei.
21De koning liet Jehoedi de rol halen; en toen Jehoedi ze uit het vertrek van den kanselier Elisjama gehaald had, las hij ze voor aan den koning en aan alle aanvoerders, die zich om den koning hadden geschaard.
21Assim o rei enviou Jeudi para buscar o rolo, e ele o tirou da sala de Elisama, o escriba. Jeudi o leu aos ouvidos do rei, e aos ouvidos de todos os príncipes que estavam ao lado do rei.
22De koning bewoonde toen het winterverblijf en daar het in de negende maand was, brandde er voor hem een vuur in een pot.
22Ora, o rei estava sentado na casa de inverno no nono mês, e havia um fogo queimando no braseiro diante dele.
23Telkens als Jehoedi drie of vier kolommen gelezen had, liet hij ze met een schrijfmes afsnijden en in het vuur van de pot gooien, totdat de hele rol in het vuur van de pot was verteerd.
23Quando Jeudi havia lido três ou quatro colunas, o rei o cortou com o canivete, e o lançou no fogo que estava no braseiro, até que todo o rolo foi consumido no fogo que estava no braseiro.
24Noch de koning, noch een van zijn hovelingen was ontsteld, of scheurde zijn kleren bij het horen van al die woorden.
24O rei e os seus servos que ouviram todas estas palavras não tiveram medo, e não rasgaram as suas vestes.
25Zelfs wilde de koning niet eens naar Elnatan, Delajáhoe en Gemarjáhoe luisteren, toen ze hem smeekten, de rol toch niet te verbranden.
25Além disso, Elnatã, Delaías e Gemarias haviam intercedido junto ao rei para que ele não queimasse o rolo; mas ele não lhes deu ouvidos.
26Integendeel, de koning gaf prins Jerachmeël, Serajáhoe den zoon van Azriël, en Sjelemjáhoe den zoon van Abdeël bevel, om Baruk den schrijver en den profeet Jeremias gevangen te nemen. Maar Jahweh hield ze verborgen.
26O rei ordenou a Jerameel, filho do rei, e a Seraías, filho de Azriel, e a Selemias, filho de Abdeel, que prendessem Baruque, o escriba, e Jeremias, o profeta; mas o SENHOR os escondeu.
27Nadat dus de koning de rol had verbrand met de woorden, die Baruk volgens mondelinge opgave van Jeremias daarop had geschreven, werd het woord van Jahweh tot Jeremias gericht:
27Então a palavra do SENHOR veio a Jeremias, depois que o rei havia queimado o rolo e as palavras que Baruque escreveu da boca de Jeremias, dizendo:
28Neem een nieuwe rol, en schrijf er alles weer op, wat op de eerste rol heeft gestaan, die Jojakim, de koning van Juda, heeft verbrand.
28“Pegue novamente outro rolo, e escreva nele todas as palavras anteriores que estavam no primeiro rolo, o qual Jeoaquim, rei de Judá, queimou.
29En over Jojakim, den koning van Juda, moet ge er aan toevoegen: Zo spreekt Jahweh! Ge hebt deze rol verbrand, en gezegd: “Waarom hebt ge er op geschreven, dat de koning van Babel zal komen, het hele land zal verwoesten, en er mens en vee zal verdelgen?”
29A respeito de Jeoaquim, rei de Judá, você dirá: ‘Assim diz o SENHOR: “Você queimou este rolo, dizendo: ‘Por que você escreveu nele, dizendo: “O rei da Babilônia certamente virá e destruirá esta terra, e fará cessar dela homens e animais”?’”
30Daarom spreekt Jahweh over Jojakim, den koning van Juda: Hij zal niemand hebben, die op de troon van David zal zetelen, en zijn lijk zal worden weggesmeten, overdag in de hitte en ‘s nachts in de kou.
30Portanto, assim diz o SENHOR a respeito de Jeoaquim, rei de Judá: “Ele não terá ninguém para se assentar no trono de Davi. O seu cadáver será lançado fora, ao calor de dia e à geada de noite.
31Ik zal op hem en zijn kroost en op zijn dienaars hun misdaad wreken, en over hen, en over de bewoners van Jerusalem en over de mannen van Juda alle rampen uitstorten, waarmee Ik ze heb bedreigd, zonder dat ze hebben geluisterd.
31Eu punirei a ele, a sua descendência e aos seus servos pela sua iniquidade. Trarei sobre eles, sobre os habitantes de Jerusalém e sobre os homens de Judá, todo o mal que pronunciei contra eles, mas eles não deram ouvidos.”’”
32Jeremias nam dus een nieuwe rol, en stelde ze Baruk den schrijver, den zoon van Neri-ja, ter hand. Deze schreef volgens mondelinge opgave van Jeremias er de hele inhoud in op van het boek, dat Jojakim, de koning van Juda, in het vuur had verbrand, en hij voegde er nog vele andere woorden aan toe van dezelfde strekking.
32Então Jeremias pegou outro rolo, e o deu a Baruque, o escriba, filho de Nerias, que escreveu nele, da boca de Jeremias, todas as palavras do livro que Jeoaquim, rei de Judá, havia queimado no fogo; e muitas palavras semelhantes lhes foram acrescentadas.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.