Jesaja 38
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Douay-Rheims Bible, American Edition (1899)
1In die dagen werd Ezekias dodelijk ziek. De profeet Isaias, de zoon van Amos, ging naar hem toe, en sprak tot hem: Dit zegt Jahweh! Maak uw zaken in orde; ge moet sterven, en zult niet langer leven.
1In those days Ezechias was sick even to death, and Isaias the son of Amos the prophet came unto him, and said to him: Thus saith the Lord: Take order with thy house, for thou shalt die, and not live.
2Toen keerde Ezekias zijn gezicht naar de muur, en bad tot Jahweh:
2And Ezechias turned his face toward the wall, and prayed to the Lord,
3Ach Jahweh, denk er toch aan, hoe ik trouw en in oprechtheid des harten voor U heb geleefd, en steeds heb gedaan wat U aangenaam was. En Ezekias barstte in tranen uit.
3And said: I beseech thee, O Lord, remember how I have walked before thee in truth, and with a perfect heart, and have done that which is good in thy sight. And Ezechias wept with great weeping.
4Toen sprak Jahweh tot Isaias:
4And the word of the Lord came to Isaias, saying:
5Ga Ezekias zeggen: Zo spreekt Jahweh, de God van David, uw vader! Ik heb uw smeken gehoord, uw tranen gezien. Zie, Ik zal uw leven met vijftien jaren verlengen;
5Go and say to Ezechias: Thus saith the Lord the God of David thy father: I have heard thy prayer, and I have seen thy tears: behold I will add to thy days fifteen years:
6ook zal Ik u en deze stad uit de macht van den assyrischen koning bevrijden, en deze stad in bescherming nemen.
6And I will deliver thee and this city out of the hand of the king of the Assyrians, and I will protect it.
7Hij zeide: Dit is voor u het teken van Jahweh, dat Jahweh, wat Hij beloofd heeft, zal doen.
7And this shall be a sign to thee from the Lord, that the Lord will do this word which he hath spoken:
8Zie, Ik zal de schaduw tien graden doen teruggaan, evenveel als zij op de zonnewijzer van Achab reeds afgelegd heeft. En de zon ging op de zonnewijzer de tien graden terug, die zij reeds afgelegd had.
8Behold I will bring again the shadow of the lines, by which it is now gone down in the sun dial of Achaz with the sun, ten lines backward. And the sun returned ten lines by the degrees by which it was gone down.
9Gedicht van Ezekias, den koning van Juda, toen hij van zijn ziekte hersteld was:
9The writing of Ezechias king of Juda, when he had been sick, and was recovered of his sickness.
10Ik had al gezegd: In de bloei van mijn leven ga ik heen, Binnen de poorten van het rijk der doden ontboden Voor de rest van mijn jaren.
10I said: In the midst of my days I shall go to the gates of hell: I sought for the residue of my years.
11Ik dacht: Niet langer zal ik Jahweh aanschouwen In het land der levenden, Geen mensen meer zien Onder de bewoners der wereld.
11I said: I shall not see the Lord God in the land of the living. I shall behold man no more, nor the inhabitant of rest.
12Mijn levensloop is afgebroken, Opgerold als een herderstent; Als een wever heb ik mijn leven gesponnen, Van de schering snijdt Hij mij af. Dag en nacht put Gij mij uit,
12My generation is at an end, and it is rolled away from me, as a shepherd’s tent. My life is cut off, as by a weaver: whilst I was yet but beginning, he out me off: from morning even to night thou wilt make an end of me.
13En ik kerm tot de morgen; Als een leeuw hebt Gij Al mijn beenderen vermorzeld.
13I hoped till morning, as a lion so hath he broken all my bones: from morning even to night thou wilt make an end of me.
14Ik tjilp als een zwaluw, En kir als een duif; Mijn ogen zien smachtend omhoog: Ach Jahweh, sta mij toch bij in mijn nood.
14I will cry like a young swallow, I will meditate like a dove: my eyes are weakened looking upward: Lord, I suffer violence, answer thou for me.
15Wat zal ik zeggen, en nog tot Hem spreken: Hij heeft het zelf toch gedaan! Troosteloos sleep ik al mijn jaren voort, Om de smart van mijn ziel.
15What shall I say, or what shall he answer for me, whereas he himself hath done it? I will recount to thee all my years in the bitterness of my soul.
16Heer, toch blijft mijn hart op U hopen, Mijn geest naar U zuchten: Gij maakt mij gezond en doet mij weer leven,
16O Lord, if man’s life be such, and the life of my spirit be in such things as these, thou shalt correct me, and make me to live.
17Zie, mijn smart is in vrede verkeerd! Gij hebt mijn leven behoed Voor de kuil der vernieling; Ja, achter uw rug Al mijn zonden geworpen.
17Behold in peace is my bitterness most bitter: but thou best delivered my soul that it should not perish, thou hast cast all my sins behind thy back.
18Want het dodenrijk zal U niet prijzen, De dood U niet roemen; Die in het graf is gedaald Op uw trouw niet meer hopen!
18For hell shall not confess to thee, neither shall death praise thee: nor shall they that go down into the pit, look for thy truth.
19Neen, alleen de levenden zullen U prijzen, Zoals ik het heden nog doe; En de vader zal uw trouw Aan zijn zonen verkonden.
19The living, the living, he shall give praise to thee, as I do this day: the father shall make thy truth known to the children.
20Ach Jahweh, wil mij toch redden! Dan slaan wij de harpen Al de dagen van ons leven Bij de tempel van Jahweh!
20O Lord, save me, and we will sing our psalms all the days of our life in the house of the Lord.
21Daarop liet Isaias een vijgenkoek brengen, om hem op het gezwel te leggen. En Ezekias genas.
21Now Isaias had ordered that they should take a lump of figs, and lay it as it plaster upon the wound, and that he should be healed.
22Ezekias vroeg: Wat is het teken, dat ik naar de tempel van Jahweh zal opgaan?
22And Ezechias bed said: What shall be the sign that I shall go up to the house of the Lord?
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.