Jesaja 38
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
World English Bible
1In die dagen werd Ezekias dodelijk ziek. De profeet Isaias, de zoon van Amos, ging naar hem toe, en sprak tot hem: Dit zegt Jahweh! Maak uw zaken in orde; ge moet sterven, en zult niet langer leven.
1In those days Hezekiah was sick and near death. Isaiah the prophet, the son of Amoz, came to him, and said to him, “The LORD says, ‘Set your house in order, for you will die, and not live.’”
2Toen keerde Ezekias zijn gezicht naar de muur, en bad tot Jahweh:
2Then Hezekiah turned his face to the wall and prayed to the LORD,
3Ach Jahweh, denk er toch aan, hoe ik trouw en in oprechtheid des harten voor U heb geleefd, en steeds heb gedaan wat U aangenaam was. En Ezekias barstte in tranen uit.
3and said, “Remember now, LORD, I beg you, how I have walked before you in truth and with a perfect heart, and have done that which is good in your sight.” Then Hezekiah wept bitterly.
4Toen sprak Jahweh tot Isaias:
4Then the LORD’s word came to Isaiah, saying,
5Ga Ezekias zeggen: Zo spreekt Jahweh, de God van David, uw vader! Ik heb uw smeken gehoord, uw tranen gezien. Zie, Ik zal uw leven met vijftien jaren verlengen;
5“Go, and tell Hezekiah, ‘The LORD, the God of David your father, says, “I have heard your prayer. I have seen your tears. Behold, I will add fifteen years to your life.
6ook zal Ik u en deze stad uit de macht van den assyrischen koning bevrijden, en deze stad in bescherming nemen.
6I will deliver you and this city out of the hand of the king of Assyria, and I will defend this city.
7Hij zeide: Dit is voor u het teken van Jahweh, dat Jahweh, wat Hij beloofd heeft, zal doen.
7This shall be the sign to you from the LORD, that the LORD will do this thing that he has spoken.
8Zie, Ik zal de schaduw tien graden doen teruggaan, evenveel als zij op de zonnewijzer van Achab reeds afgelegd heeft. En de zon ging op de zonnewijzer de tien graden terug, die zij reeds afgelegd had.
8Behold, I will cause the shadow on the sundial, which has gone down on the sundial of Ahaz with the sun, to return backward ten steps.”’” So the sun returned ten steps on the sundial on which it had gone down.
9Gedicht van Ezekias, den koning van Juda, toen hij van zijn ziekte hersteld was:
9The writing of Hezekiah king of Judah, when he had been sick, and had recovered of his sickness:
10Ik had al gezegd: In de bloei van mijn leven ga ik heen, Binnen de poorten van het rijk der doden ontboden Voor de rest van mijn jaren.
10I said, “In the middle of my life I go into the gates of Sheol. I am deprived of the residue of my years.”
11Ik dacht: Niet langer zal ik Jahweh aanschouwen In het land der levenden, Geen mensen meer zien Onder de bewoners der wereld.
11I said, “I won’t see the LORD, the LORD in the land of the living. I will see man no more with the inhabitants of the world.
12Mijn levensloop is afgebroken, Opgerold als een herderstent; Als een wever heb ik mijn leven gesponnen, Van de schering snijdt Hij mij af. Dag en nacht put Gij mij uit,
12My dwelling is removed, and is carried away from me like a shepherd’s tent. I have rolled up my life like a weaver. He will cut me off from the loom. From day even to night you will make an end of me.
13En ik kerm tot de morgen; Als een leeuw hebt Gij Al mijn beenderen vermorzeld.
13I waited patiently until morning. He breaks all my bones like a lion. From day even to night you will make an end of me.
14Ik tjilp als een zwaluw, En kir als een duif; Mijn ogen zien smachtend omhoog: Ach Jahweh, sta mij toch bij in mijn nood.
14I chattered like a swallow or a crane. I moaned like a dove. My eyes weaken looking upward. Lord, I am oppressed. Be my security.”
15Wat zal ik zeggen, en nog tot Hem spreken: Hij heeft het zelf toch gedaan! Troosteloos sleep ik al mijn jaren voort, Om de smart van mijn ziel.
15What will I say? He has both spoken to me, and himself has done it. I will walk carefully all my years because of the anguish of my soul.
16Heer, toch blijft mijn hart op U hopen, Mijn geest naar U zuchten: Gij maakt mij gezond en doet mij weer leven,
16Lord, men live by these things; and my spirit finds life in all of them. You restore me, and cause me to live.
17Zie, mijn smart is in vrede verkeerd! Gij hebt mijn leven behoed Voor de kuil der vernieling; Ja, achter uw rug Al mijn zonden geworpen.
17Behold, for peace I had great anguish, but you have in love for my soul delivered it from the pit of corruption; for you have cast all my sins behind your back.
18Want het dodenrijk zal U niet prijzen, De dood U niet roemen; Die in het graf is gedaald Op uw trouw niet meer hopen!
18For Sheol can’t praise you. Death can’t celebrate you. Those who go down into the pit can’t hope for your truth.
19Neen, alleen de levenden zullen U prijzen, Zoals ik het heden nog doe; En de vader zal uw trouw Aan zijn zonen verkonden.
19The living, the living, he shall praise you, as I do today. The father shall make known your truth to the children.
20Ach Jahweh, wil mij toch redden! Dan slaan wij de harpen Al de dagen van ons leven Bij de tempel van Jahweh!
20The LORD will save me. Therefore we will sing my songs with stringed instruments all the days of our life in the LORD’s house.
21Daarop liet Isaias een vijgenkoek brengen, om hem op het gezwel te leggen. En Ezekias genas.
21Now Isaiah had said, “Let them take a cake of figs, and lay it for a poultice on the boil, and he shall recover.”
22Ezekias vroeg: Wat is het teken, dat ik naar de tempel van Jahweh zal opgaan?
22Hezekiah also had said, “What is the sign that I will go up to the LORD’s house?”
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.