Exodus
Chapter 34
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Douay-Rheims Bible…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Douay-Rheims Bible, American Edition (1899)
1Daarna sprak Jahweh tot Moses: Houw u twee stenen tafelen, zoals de vorige; dan zal Ik er de woorden opschrijven, die op de vorige tafelen stonden, welke gij hebt verbrijzeld.
1And after this he said: Hew thee two tables of stone like unto the former, and I will write upon them the words which were in the tables, which thou brokest.
2Zorg, dat gij tegen de morgen gereed zijt; bestijg dan de berg Sinaï, en blijf daar op de top van de berg op Mij wachten.
2Be ready in the morning, that thou mayst forthwith go up into mount Sinai, and thou shalt stand with me upon the top of the mount.
3Maar niemand mag met u mee, niemand mag op heel de berg worden gezien; zelfs mogen er geen schapen en runderen weiden in de nabijheid van de berg.
3Let no man go up with thee: and let not any man be seen throughout all the mount: neither let the oxen nor the sheep feed over against it.
4Moses hakte dus twee stenen tafelen, gelijk aan de eerste, besteeg vroeg in de morgen de berg Sinaï, zoals Jahweh het hem had bevolen, en nam de twee stenen tafelen met zich mee.
4Then he cut out two tables of stone, such as had been before: and rising very early he went up into the mount Sinai, as the Lord had commanded him, carrying with him the tables.
5Toen daalde Jahweh neer in de wolk, terwijl Moses daar op Hem wachtte en Jahweh aanriep bij zijn Naam.
5And when the Lord was come down in a cloud, Moses stood with him, calling upon the name of the Lord.
6Nu ging Jahweh hem voorbij, en Jahweh riep: Jahweh is een barmhartige en ontfermende God, lankmoedig, vol van liefde en trouw,
6And when he passed before him, he said: O the Lord, the Lord God, merciful and gracious, patient and of much compassion, and true,
7die duizenden genade bewijst, die misdaden, fouten en zonden vergeeft, zonder ze ongestraft te laten, maar de zonden der vaderen op de zonen en kleinzonen wreekt tot in het derde en vierde geslacht.
7Who keepest mercy unto thousands: who takest away iniquity, and wickedness, and sin, and no man of himself is innocent before thee. Who renderest the iniquity of the fathers to the children, and to the grandchildren, unto the third and fourth generation.
8Haastig wierp Moses zich op zijn knieën, boog zich ter aarde,
8And Moses making haste, bowed down prostrate unto the earth, and adoring,
9en sprak: Heer, zo ik genade gevonden heb ik uw ogen, Heer, trek dan mee op, te midden van ons. Zeker het is een weerbarstig volk; maar vergeef ons onze zonde en schuld, en neem ons als uw erfdeel aan.
9Said: If I have found grace in thy sight: O Lord, I beseech thee, that thou wilt go with us, (for it is a stiffnecked people,) and take away our iniquities and sin, and possess us.
10Hij sprak: Zie, Ik sluit een Verbond met u. Ten aanschouwen van heel uw volk zal Ik wonderdaden verrichten, zoals er nog nooit op de ganse aarde en onder enig volk zijn gewrocht; en heel het volk, waaronder gij leeft, zal het werk van Jahweh zien. Ja, ontzaglijk zal het zijn, wat Ik voor u ga verrichten!
10The Lord answered: I will make a covenant in the sight of all. I will do signs such as were never seen upon the earth, nor in any nation: that this people, in the midst of whom thou art, may see the terrible work of the Lord which I will do.
11Onderhoud slechts, wat Ik u heden gebied; dan drijf Ik de Amorieten, Kanaänieten, Chittieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jeboesieten voor u uit.
11Observe all things which this day I command thee: I myself will drive out before thy face the Amorrhite, and the Chanaanite, and the Hethite, and the Pherezite, and the Hevite, and the Jebusite.
12Wacht u ervoor, een verbond te sluiten met de bewoners van het land, waar gij heen trekt, opdat zij onder u geen valstrik worden.
12Beware thou never join in friendship with the inhabitants of that land, which may be thy ruin:
13Neen, gij moet hun altaren verwoesten, hun wijstenen omverwerpen en hun heilige bomen omhakken.
13But destroy their altars, break their statues, and cut down their groves:
14Gij zult geen vreemden god aanbidden; want Jahweh wordt ijverzuchtig genoemd, en Hij is een naijverige God.
14Adore not any strange god. The Lord his name is Jealous, he is a jealous God.
15Sluit geen verbond met de inwoners van het land, die ontuchtig hun goden achterna lopen, en aan hun goden offers brengen. Want anders nodigen zij u daarbij uit, en zoudt gij van hun altaren eten;
15Make no covenant with the men of those countries lest, when they have committed fornication with their gods, and have adored their idols, some one call thee to eat of the things sacrificed.
16gij zoudt hun dochters als vrouwen voor uw zonen nemen, en hun dochters, die ontuchtig haar goden achterna lopen, zouden ook uw zonen daartoe verleiden.
16Neither shalt thou take of their daughters a wife for thy son, lest after they themselves have committed fornication, they make thy sons also to commit fornication with their gods.
17Gij moogt u geen gegoten godenbeeld maken.
17Thou shalt not make to thyself any molten gods.
18Gij moet het feest der ongedesemde broden vieren. Op de vastgestelde tijd van de maand Abib zult ge zeven dagen lang ongedesemd brood eten, zoals Ik u bevolen heb; want in de maand Abib zijt ge uit Egypte getrokken.
18Thou shalt keep the feast of the unleavened bread. Seven days shalt thou eat unleavened bread, as I commanded thee in the time of the month of the new corn: for in the month of the springtime thou camest out from Egypt.
19Al wat de moederschoot opent, behoort aan Mij: ieder eerstgeboren mannelijk dier van uw kudde, zowel van runderen als van schapen;
19All of the male kind, that openeth the womb, shall be mine. Of all beasts, both of oxen and of sheep, it shall be mine.
20alleen het eerstgeboren ezelsjong zult ge loskopen met een lam, of het anders de nek breken. Maar al de eerstgeborenen van uw zonen moet ge loskopen, en zij zullen niet met lege handen voor Mij verschijnen.
20The firstling of an ass thou shalt redeem with a sheep: but if thou wilt not give a price for it, it shall be slain. The firstborn of thy sons thou shalt redeem: neither shalt thou appear before me empty.
21Zes dagen moogt ge werken, maar op de zevende dag zult gij rusten; zelfs in de ploeg(-) en oogsttijd zult ge dan rusten.
21Six days shalt thou work, the seventh day thou shalt cease to plough, and to reap.
22Bij de eerstelingen van de tarweoogst zult ge het feest der weken vieren: en het plukfeest bij de wisseling van het jaar.
22Thou shalt keep the feast of weeks with the firstfruits of the corn of thy wheat harvest, and the feast when the time of the year returneth that all things are laid in.
23Drie maal per jaar moeten alle mannen onder u voor den Heer Jahweh, den God van Israël, verschijnen.
23Three times in a year all thy males shall appear in the sight of the Almighty Lord the God of Israel.
24En wanneer Ik de heidenen voor u heb verdreven en u een uitgestrekt grondgebied heb geschonken, zal niemand uw land zelfs begeren, terwijl gij driemaal per jaar optrekt, om voor Jahweh, uw God, te verschijnen.
24For when I shall have taken away the nations from thy face, and shall have enlarged thy borders, no man shall lie in wait against thy land when thou shalt go up, and appear in the sight of the Lord thy God thrice in a year.
25Gij zult het bloed van wat Mij is geofferd, niet tegelijk met gedesemd brood ten offer brengen. Van het paasoffer mag niets tot de volgende morgen worden bewaard.
25Thou shalt not offer the blood of my sacrifice upon leaven: neither shall there remain in the morning any thing of the victim of the solemnity of the Lord.
26De eerste vruchten van uw akkers moet ge naar het huis van Jahweh, uw God, brengen. Gij moogt het geitje niet koken in de melk van zijn moeder.
26The first of the fruits of thy ground thou shalt offer in the house of the Lord thy God. Thou shalt not boil a kid in the milk of his dam.
27Nu sprak Jahweh tot Moses: Schrijf deze geboden op; want op grond van deze geboden, sluit Ik met u en Israël een Verbond.
27And the Lord said to Moses: Write these words by which I have made a covenant both with thee and with Israel.
28En Moses bleef daar met Jahweh veertig dagen en veertig nachten, zonder te eten of te drinken, en Hij schreef op de tafelen de bepalingen van het Verbond: de tien geboden.
28And he was there with the Lord forty days and forty nights: he neither ate bread nor drank water, and he wrote upon the tables the ten words of the covenant.
29Daarna daalde Moses van de berg Sinaï af, met de tafelen van het Verbond in zijn hand. Terwijl Moses van de berg afdaalde, wist hij niet, dat de huid van zijn aangezicht straalde, omdat hij met Jahweh gesproken had.
29And when Moses came down from the mount Sinai, he held the two tables of the testimony, and he knew not that his face was horned from the conversation of the Lord.
30Toen Aäron en al de Israëlieten zagen, dat de huid van Moses’ aangezicht straalde, durfden zij hem niet naderen.
30And Aaron and the children of Israel seeing the face of Moses horned, were afraid to come near.
31Eerst toen Moses hen riep, kwamen Aäron en al de leiders van de gemeenschap bij hem, en sprak Moses hun toe.
31And being called by him, they returned, both Aaron and the rulers of the congregation. And after that he spoke to them.
32Nu durfden ook de andere Israëlieten naderen, en deelde Moses hun alles mee, wat Jahweh hem op de berg Sinaï bevolen had.
32And all the children of Israel came to him: and he gave them in commandment all that he had heard of the Lord in mount Sinai.
33Toen Moses zijn toespraak beëindigd had, legde hij een sluier over zijn gelaat.
33And having done speaking, he put a veil upon his face.
34En telkens wanneer Moses voor Jahweh verscheen om met Hem te spreken, verwijderde hij de sluier, tot hij weer heenging. Maar als hij dan naar buiten trad, om de Israëlieten alle bevelen mede te delen,
34But when he went in to the Lord, and spoke with him, he took it away until he came forth, and then he spoke to the children of Israel all things that had been commanded him.
35en dezen zagen hoe de huid van Moses’ aangezicht straalde, legde Moses de sluier over zijn gelaat, totdat hij weer naar binnen ging, om met God te spreken.
35And they saw that the face of Moses when he came out was horned, but he covered his face again, if at any time he spoke to them.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.