2 Kronieken
Chapter 10
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Douay-Rheims Bible…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Douay-Rheims Bible, American Edition (1899)
1Daar heel Israël nu te Sikem bijeenkwam, om Roboam tot koning uit te roepen, ging ook deze er heen.
1And Roboam went to Sichem: for thither all Israel were assembled, to make him king.
2Zodra echter Jeroboam dat vernam, de zoon van Nebat, die zich in Egypte ophield, waarheen hij voor koning Salomon uitgeweken was, keerde hij uit Egypte terug.
2And when Jeroboam the son of Nabat, who was in Egypt, (for he was fled thither from Solomon,) heard it, forthwith he returned.
3Men liet hem ontbieden, en zo kwamen hij en alle Israëlieten voor Roboam en zeiden:
3And they sent for him, and he came with all Israel, and they spoke to Roboam, saying:
4Uw vader heeft ons een zwaar juk opgelegd; verlicht gij nu de harde dienstbaarheid, waartoe uw vader ons dwong, en het zware juk, dat hij ons heeft opgelegd, en wij zullen u dienen.
4Thy father oppressed us with a most grievous yoke, do thou govern us with a lighter hand than thy father, who laid upon us a heavy servitude, and ease some thing of the burden, that we may serve thee.
5Hij antwoordde: Gaat heen tot overmorgen, en komt dan bij mij terug. Toen het volk weg was,
5And he said to them: Come to me again after three days. And when the people were gone,
6ging koning Roboam te rade bij de bejaarde mannen, die bij het leven van zijn vader Salomon diens vertrouwelingen waren geweest, en vroeg hun: Wat raadt gij mij, dit volk te antwoorden?
6He took counsel with the ancients, who had stood before his father Solomon, while he yet lived, saying: What counsel give you to me, that I may answer the people?
7Ze zeiden hem: Wanneer gij dit volk nu terwille zijt, en het een goedgunstig antwoord geeft, zal het u voor altijd dienen.
7And they said to him: If thou please this people, and soothe them with kind words, they will be thy servants for ever.
8Maar hij verwierp de raad, die de bejaarde mannen hem gegeven hadden, en ging te rade bij de jongelieden, die met hem waren opgegroeid en nu zijn vertrouwelingen waren.
8But he forsook the counsel of the ancients, and began to treat with the young men, that had been brought up with him, and were in his train.
9Hij zeide hun: Wat raadt gij mij, dit volk te antwoorden, dat mij heeft durven zeggen: “Verlicht het juk, dat uw vader ons heeft opgelegd.”
9And he said to them: What seemeth good to you? or what shall I answer this people, who have said to me: Ease the yoke which thy father laid upon us?
10En de jongemannen, die met hem waren opgegroeid, zeiden hem: Dit moet ge antwoorden aan dit volk, dat tot u durfde zeggen: “Uw vader heeft ons een zwaar juk opgelegd; maak gij het nu lichter!” Zo moet ge tot hen spreken: Mijn pink is dikker dan mijns vaders middel.
10But they answered as young men, and brought up with him in pleasures, and said: Thus shalt thou speak to the people, that said to thee: Thy father made our yoke heavy, do thou ease it: thus shalt thou answer them: My little finger is thicker than the loins of my father.
11Heeft mijn vader u een zwaar juk opgelegd, ik zal uw juk nog verzwaren; heeft mijn vader u met zwepen getuchtigd, ik zal het met schorpioenen doen.
11My father laid upon you a heavy yoke, and I will add more weight to it: my father beat you with scourges, but I will beat you with scorpions.
12Toen Jeroboam met al het volk op bevel van den koning, om overmorgen bij hem terug te komen, na drie dagen bij den koning kwam,
12So Jeroboam, and all the people came to Roboam the third day, as he commanded them.
13gaf de koning een hard antwoord aan het volk. Want koning Roboam stoorde zich niet aan de raad, die de bejaarde mannen hem hadden gegeven,
13And the king answered roughly, leaving the counsel of the ancients.
14maar volgens de raad der jongelieden zeide hij hun: Heeft mijn vader u een zwaar juk opgelegd, ik zal het nog verzwaren. Heeft mijn vader u met zwepen getuchtigd, ik zal het met schorpioenen doen.
14And he spoke according to the advice of the young men: My father laid upon you a heavy yoke, which I will make heavier: my father beat you with scourges, but I will beat you with scorpions.
15De koning was dus het volk niet terwille; want Jahweh had het zo beschikt om zijn belofte te houden, die Hij door den profeet Achijáhoe van Sjilo aan Jeroboam, den zoon van Nebat, had gedaan.
15And he condescended not to the people’s requests: for it was the will of God, that his word might be fulfilled which he had spoken by the hand of Ahias the Silonite to Jeroboam the son of Nabat.
16Toen Israël dus zag, dat de koning hun niet ter wille was, riep heel het volk den koning toe: Wat hebben wij met David te maken? Wij hebben niets uit te staan met den zoon van Jesse! Terug naar uw tenten, Israël! David, zorg voor uw eigen huis! Heel Israël trok zich dus terug naar zijn tenten,
16And all the people upon the king’s speaking roughly, said thus unto him: We have no part in David, nor inheritance in the son of Isai. Return to thy dwellings, O Israel, and do thou, O David, feed thy own house. And Israel went away to their dwellings.
17en Roboam werd koning alleen over de Israëlieten, die in de steden van Juda woonden.
17But Roboam reigned over the children of Israel that dwelt in the cities of Juda.
18Wel vaardigde koning Roboam den leider van de arbeidsdienst Hadoram nog af, maar Israël stenigde hem dood, en koning Roboam moest overhaast zijn wagen bestijgen, om nog naar Jerusalem te kunnen vluchten.
18And king Roboam sent Aduram, who was over the tributes, and the children of Israel stoned him, and he died: and king Roboam made haste to gee up into his chariot, and fled into Jerusalem.
19Zo scheurde Israël zich van het huis van David los; dit bleef zo tot op de huidige dag.
19And Israel revolted from the house of David unto this day.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.