2 Kronieken 10
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Modern Hebrew Bible
1Daar heel Israël nu te Sikem bijeenkwam, om Roboam tot koning uit te roepen, ging ook deze er heen.
1וילך רחבעם שכמה כי שכם באו כל ישראל להמליך אתו׃
2Zodra echter Jeroboam dat vernam, de zoon van Nebat, die zich in Egypte ophield, waarheen hij voor koning Salomon uitgeweken was, keerde hij uit Egypte terug.
2ויהי כשמע ירבעם בן נבט והוא במצרים אשר ברח מפני שלמה המלך וישב ירבעם ממצרים׃
3Men liet hem ontbieden, en zo kwamen hij en alle Israëlieten voor Roboam en zeiden:
3וישלחו ויקראו לו ויבא ירבעם וכל ישראל וידברו אל רחבעם לאמר׃
4Uw vader heeft ons een zwaar juk opgelegd; verlicht gij nu de harde dienstbaarheid, waartoe uw vader ons dwong, en het zware juk, dat hij ons heeft opgelegd, en wij zullen u dienen.
4אביך הקשה את עלנו ועתה הקל מעבדת אביך הקשה ומעלו הכבד אשר נתן עלינו ונעבדך׃
5Hij antwoordde: Gaat heen tot overmorgen, en komt dan bij mij terug. Toen het volk weg was,
5ויאמר אלהם עוד שלשת ימים ושובו אלי וילך העם׃
6ging koning Roboam te rade bij de bejaarde mannen, die bij het leven van zijn vader Salomon diens vertrouwelingen waren geweest, en vroeg hun: Wat raadt gij mij, dit volk te antwoorden?
6ויועץ המלך רחבעם את הזקנים אשר היו עמדים לפני שלמה אביו בהיתו חי לאמר איך אתם נועצים להשיב לעם הזה דבר׃
7Ze zeiden hem: Wanneer gij dit volk nu terwille zijt, en het een goedgunstig antwoord geeft, zal het u voor altijd dienen.
7וידברו אליו לאמר אם תהיה לטוב להעם הזה ורציתם ודברת אלהם דברים טובים והיו לך עבדים כל הימים׃
8Maar hij verwierp de raad, die de bejaarde mannen hem gegeven hadden, en ging te rade bij de jongelieden, die met hem waren opgegroeid en nu zijn vertrouwelingen waren.
8ויעזב את עצת הזקנים אשר יעצהו ויועץ את הילדים אשר גדלו אתו העמדים לפניו׃
9Hij zeide hun: Wat raadt gij mij, dit volk te antwoorden, dat mij heeft durven zeggen: “Verlicht het juk, dat uw vader ons heeft opgelegd.”
9ויאמר אלהם מה אתם נועצים ונשיב דבר את העם הזה אשר דברו אלי לאמר הקל מן העל אשר נתן אביך עלינו׃
10En de jongemannen, die met hem waren opgegroeid, zeiden hem: Dit moet ge antwoorden aan dit volk, dat tot u durfde zeggen: “Uw vader heeft ons een zwaar juk opgelegd; maak gij het nu lichter!” Zo moet ge tot hen spreken: Mijn pink is dikker dan mijns vaders middel.
10וידברו אתו הילדים אשר גדלו אתו לאמר כה תאמר לעם אשר דברו אליך לאמר אביך הכביד את עלנו ואתה הקל מעלינו כה תאמר אלהם קטני עבה ממתני אבי׃
11Heeft mijn vader u een zwaar juk opgelegd, ik zal uw juk nog verzwaren; heeft mijn vader u met zwepen getuchtigd, ik zal het met schorpioenen doen.
11ועתה אבי העמיס עליכם על כבד ואני אסיף על עלכם אבי יסר אתכם בשוטים ואני בעקרבים׃
12Toen Jeroboam met al het volk op bevel van den koning, om overmorgen bij hem terug te komen, na drie dagen bij den koning kwam,
12ויבא ירבעם וכל העם אל רחבעם ביום השלשי כאשר דבר המלך לאמר שובו אלי ביום השלשי׃
13gaf de koning een hard antwoord aan het volk. Want koning Roboam stoorde zich niet aan de raad, die de bejaarde mannen hem hadden gegeven,
13ויענם המלך קשה ויעזב המלך רחבעם את עצת הזקנים׃
14maar volgens de raad der jongelieden zeide hij hun: Heeft mijn vader u een zwaar juk opgelegd, ik zal het nog verzwaren. Heeft mijn vader u met zwepen getuchtigd, ik zal het met schorpioenen doen.
14וידבר אלהם כעצת הילדים לאמר אכביד את עלכם ואני אסיף עליו אבי יסר אתכם בשוטים ואני בעקרבים׃
15De koning was dus het volk niet terwille; want Jahweh had het zo beschikt om zijn belofte te houden, die Hij door den profeet Achijáhoe van Sjilo aan Jeroboam, den zoon van Nebat, had gedaan.
15ולא שמע המלך אל העם כי היתה נסבה מעם האלהים למען הקים יהוה את דברו אשר דבר ביד אחיהו השלוני אל ירבעם בן נבט׃
16Toen Israël dus zag, dat de koning hun niet ter wille was, riep heel het volk den koning toe: Wat hebben wij met David te maken? Wij hebben niets uit te staan met den zoon van Jesse! Terug naar uw tenten, Israël! David, zorg voor uw eigen huis! Heel Israël trok zich dus terug naar zijn tenten,
16וכל ישראל כי לא שמע המלך להם וישיבו העם את המלך לאמר מה לנו חלק בדויד ולא נחלה בבן ישי איש לאהליך ישראל עתה ראה ביתך דויד וילך כל ישראל לאהליו׃
17en Roboam werd koning alleen over de Israëlieten, die in de steden van Juda woonden.
17ובני ישראל הישבים בערי יהודה וימלך עליהם רחבעם׃
18Wel vaardigde koning Roboam den leider van de arbeidsdienst Hadoram nog af, maar Israël stenigde hem dood, en koning Roboam moest overhaast zijn wagen bestijgen, om nog naar Jerusalem te kunnen vluchten.
18וישלח המלך רחבעם את הדרם אשר על המס וירגמו בו בני ישראל אבן וימת והמלך רחבעם התאמץ לעלות במרכבה לנוס ירושלם׃
19Zo scheurde Israël zich van het huis van David los; dit bleef zo tot op de huidige dag.
19ויפשעו ישראל בבית דויד עד היום הזה׃
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.