2 Kronieken 36
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Modern Hebrew Bible
1Het gewone volk koos nu Jehoachaz, den zoon van Josias, en riep hem in Jerusalem uit als opvolger van zijn vader Josias.
1ויקחו עם הארץ את יהואחז בן יאשיהו וימליכהו תחת אביו בירושלם׃
2Joachaz was drie en twintig jaar, toen hij koning werd, en heeft drie maanden in Jerusalem geregeerd.
2בן שלוש ועשרים שנה יואחז במלכו ושלשה חדשים מלך בירושלם׃
3De koning van Egypte zette hem af als koning van Jerusalem, en legde het land een boete op van honderd talenten zilver en een talent goud.
3ויסירהו מלך מצרים בירושלם ויענש את הארץ מאה ככר כסף וככר זהב׃
4Toen verhief de koning van Egypte zijn broer Eljakim tot koning over Juda en Jerusalem, en veranderde zijn naam in Jehojakim. Zijn broer Joachaz werd door Neko gevangen genomen en naar Egypte overgebracht.
4וימלך מלך מצרים את אליקים אחיו על יהודה וירושלם ויסב את שמו יהויקים ואת יואחז אחיו לקח נכו ויביאהו מצרימה׃
5Jehojakim was vijf en twintig jaar oud, toen hij koning werd, en heeft elf jaar in Jerusalem geregeerd. Hij deed wat kwaad was in de ogen van Jahweh, zijn God.
5בן עשרים וחמש שנה יהויקים במלכו ואחת עשרה שנה מלך בירושלם ויעש הרע בעיני יהוה אלהיו׃
6Nabukodonosor, de koning van Babel, rukte tegen hem op, en nam hem, met ijzeren ketenen geboeid, naar Babel mee.
6עליו עלה נבוכדנאצר מלך בבל ויאסרהו בנחשתים להליכו בבלה׃
7Ook nam Nabukodonosor een deel der vaten uit de tempel van Jahweh naar Babel mee, en zette die in zijn eigen paleis te Babel.
7ומכלי בית יהוה הביא נבוכדנאצר לבבל ויתנם בהיכלו בבבל׃
8De verdere geschiedenis van Jehojakim, met de gruwelen, die hij bedreef, en al wat hem overkomen is, staat geschreven in het boek van de koningen van Israël en Juda. Zijn zoon Jehojakin volgde hem op.
8ויתר דברי יהויקים ותעבתיו אשר עשה והנמצא עליו הנם כתובים על ספר מלכי ישראל ויהודה וימלך יהויכין בנו תחתיו׃
9Jehojakin was achttien jaar, toen hij koning werd, en heeft drie maanden en tien dagen in Jerusalem geregeerd. Hij deed wat kwaad was in de ogen van Jahweh.
9בן שמונה שנים יהויכין במלכו ושלשה חדשים ועשרת ימים מלך בירושלם ויעש הרע בעיני יהוה׃
10In het begin van het jaar liet koning Nabukodonosor hem met enige kostbare voorwerpen uit de tempel van Jahweh naar Babel brengen, en verhief zijn oom Sidki-jáhoe tot koning over Juda en Jerusalem.
10ולתשובת השנה שלח המלך נבוכדנאצר ויבאהו בבלה עם כלי חמדת בית יהוה וימלך את צדקיהו אחיו על יהודה וירושלם׃
11Sidki-jáhoe was een en twintig jaar oud toen hij koning werd, en heeft elf jaar te Jerusalem geregeerd.
11בן עשרים ואחת שנה צדקיהו במלכו ואחת עשרה שנה מלך בירושלם׃
12Hij deed wat kwaad was in de ogen van Jahweh, en onderwierp zich niet aan den profeet Jeremias, die in opdracht van Jahweh profeteerde.
12ויעש הרע בעיני יהוה אלהיו לא נכנע מלפני ירמיהו הנביא מפי יהוה׃
13Ook kwam hij in opstand tegen koning Nabukodonosor, ofschoon hij hem voor God trouw had gezworen. Hij bleef halsstarrig en verstokt, en bekeerde zich niet tot Jahweh, den God van Israël.
13וגם במלך נבוכדנאצר מרד אשר השביעו באלהים ויקש את ערפו ויאמץ את לבבו משוב אל יהוה אלהי ישראל׃
14Maar ook de voornaamste priesters en het volk vielen in groten getale af, en maakten zich schuldig aan alle gruwelijke practijken der heidenen, en ontwijdden de tempel van Jahweh, die Hij in Jerusalem geheiligd had.
14גם כל שרי הכהנים והעם הרבו למעול מעל ככל תעבות הגוים ויטמאו את בית יהוה אשר הקדיש בירושלם׃
15Wel liet Jahweh, de God hunner vaderen, hen onophoudelijk door zijn gezanten waarschuwen, omdat Hij medelijden had met zijn volk en zijn woonstede;
15וישלח יהוה אלהי אבותיהם עליהם ביד מלאכיו השכם ושלוח כי חמל על עמו ועל מעונו׃
16maar zij verachtten de gezanten van God, sloegen zijn waarschuwing in de wind en spotten met zijn profeten. Zo barstte eindelijk de toorn van Jahweh tegen zijn volk los, en er was geen verbidden meer aan.
16ויהיו מלעבים במלאכי האלהים ובוזים דבריו ומתעתעים בנבאיו עד עלות חמת יהוה בעמו עד לאין מרפא׃
17Hij liet den koning der Chaldeën tegen hen oprukken, die hun jongemannen in het heiligdom met het zwaard doodstak en jongens spaarde noch meisjes, grijsaards noch hoogbejaarden: allen leverde Hij aan hem over.
17ויעל עליהם את מלך כשדיים ויהרג בחוריהם בחרב בבית מקדשם ולא חמל על בחור ובתולה זקן וישש הכל נתן בידו׃
18Alle vaten uit het Godshuis, grote en kleine, alle schatten uit de tempel van Jahweh, alle schatten van den koning en zijn voormannen nam hij mee naar Babel.
18וכל כלי בית האלהים הגדלים והקטנים ואצרות בית יהוה ואצרות המלך ושריו הכל הביא בבל׃
19Zij lieten de tempel van God in vlammen opgaan, sloopten de muur van Jerusalem, en staken zijn paleizen in brand, zodat alle kostbaarheden verloren gingen.
19וישרפו את בית האלהים וינתצו את חומת ירושלם וכל ארמנותיה שרפו באש וכל כלי מחמדיה להשחית׃
20En wie aan het zwaard waren ontsnapt, voerde hij gevangen naar Babel, waar zij hem en zijn zonen als slaven moesten dienen, totdat het perzische rijk aan de macht kwam.
20ויגל השארית מן החרב אל בבל ויהיו לו ולבניו לעבדים עד מלך מלכות פרס׃
21Zo werd het woord van Jahweh vervuld, door de mond van Jeremias gesproken: Totdat het land zijn sabbatten heeft ingehaald, zal het al de tijd blijven liggen; het zal moeten rusten, totdat er zeventig jaren voorbij zijn.
21למלאות דבר יהוה בפי ירמיהו עד רצתה הארץ את שבתותיה כל ימי השמה שבתה למלאות שבעים שנה׃
22In het eerste jaar van Cyrus, den koning van Perzië, bewoog Jahweh de geest van Cyrus, den koning van Perzië, om het woord in vervulling te doen gaan, dat Jahweh door de mond van Jeremias gesproken had. Daarom liet deze in heel zijn rijk mondeling en schriftelijk afkondigen:
22ובשנת אחת לכורש מלך פרס לכלות דבר יהוה בפי ירמיהו העיר יהוה את רוח כורש מלך פרס ויעבר קול בכל מלכותו וגם במכתב לאמר׃
23Zo spreekt Cyrus, de koning van Perzië! Jahweh, de God des hemels, heeft mij alle koninkrijken der aarde gegeven. Hij is het, die mij bevolen heeft, Hem een tempel te bouwen in Jerusalem van Juda. Laat dus ieder van u, die tot zijn volk behoort, onder de schutse van zijn God optrekken!
23כה אמר כורש מלך פרס כל ממלכות הארץ נתן לי יהוה אלהי השמים והוא פקד עלי לבנות לו בית בירושלם אשר ביהודה מי בכם מכל עמו יהוה אלהיו עמו ויעל׃
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.