2 Kronieken 24
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Douay-Rheims Bible, American Edition (1899)
1Joasj was zeven jaar oud, toen hij koning werd, en regeerde veertig jaar te Jerusalem. Zijn moeder heette Sibja, en was afkomstig uit Beër-Sjéba.
1Joas was seven years old when he began to reign: and he reigned forty years in Jerusalem: the name of his mother was Sebia of Bersabee.
2Joasj deed wat goed was in de ogen van Jahweh, zolang de priester Jehojada leefde.
2And he did that which is good before the Lord all the days of Joiada the priest.
3Jehojada koos twee vrouwen voor hem, en hij werd de vader van zonen en dochters.
3And Joiada took for him two wives, by whom he had sons and daughters.
4Enige tijd later vatte hij het plan op, de tempel van Jahweh te herstellen.
4After this Joas had a mind to repair the house of the Lord.
5Hij riep de priesters en levieten bijeen, en zeide tot hen: Ge moet naar de steden van Juda gaan, en geld bij heel Israël ophalen, om van jaar tot jaar de tempel van uw God te kunnen herstellen. Zet spoed achter het werk. Maar de levieten zetten geen spoed achter het werk.
5And he assembled the priests, and the Levites, and said to them: Go out to the cities of Juda, and gather of all Israel money to repair the temple of your God, from year to year: and do this with speed: but the Levites were negligent.
6Daarom ontbood de koning den opperpriester Jehojada, en sprak tot hem: Waarom hebt gij er niet voor gezorgd, dat de levieten in Juda en Jerusalem de heffing innen, die Moses, de dienaar van Jahweh, de gemeenschap van Israël heeft opgelegd voor de openbaringstent?
6And the king called Joiada the chief, and said to him: Why hast thou not taken care to oblige the Levites to bring in out of Juda and Jerusalem the money that was appointed by Moses the servant of the Lord for all the multitude of Israel to bring into the tabernacle of the testimony?
7Dat goddeloze schepsel Ataljáhoe en haar zonen hebben de tempel van God laten onderkomen, en alle wijgeschenken van de tempel van Jahweh voor de Báals gebruikt.
7For that wicked woman Athalia, and her children have destroyed the house of God, and adorned the temple of Baal with all the things that had been dedicated in the temple of the Lord.
8Toen maakte men op aanwijzing des konings een kist, die buiten de poort van de tempel van Jahweh gezet werd,
8And the king commanded, and they made a chest: and set it by the gate of the house of the Lord on the outside.
9en liet men in Juda en Jerusalem bekend maken, dat men voor Jahweh de heffing moest opbrengen, die Moses, de dienaar Gods, in de woestijn aan Israël had voorgeschreven.
9And they made a proclamation in Juda and Jerusalem, that every man should bring to the Lord the money which Moses the servant of God appointed for all Israel, in the desert.
10Alle voornamen en heel het volk kwamen nu tot den laatsten man met vreugde hun gave in de offerkist werpen.
10And all the princes, and all the people rejoiced: and going In they contributed and cast so much into the chest of the Lord, that it was filled.
11Telkens als men de kist bij de levieten bracht, die op last des konings toezicht moesten houden, en dezen zagen, dat er veel geld in was, kwam de kanselier van den koning met een opzichter van den opperpriester, om de kist te ledigen en haar weer op haar plaats te zetten. Dit hadden ze iedere dag te doen, zodat ze veel geld bijeen kregen.
11And when it was time to bring the chest before the king by the hands of the Levites, (for they saw there was much money,) the king’s scribe, and he whom the high priest had appointed went in: and they poured out the money that was in the chest: and they carried back the chest to its place: and thus they did from day to day, and there was gathered an immense sum of money.
12De koning en Jehojada gaven het aan de opzichters, die het werk aan de tempel van Jahweh hadden te leiden; en dezen namen steenhouwers en timmerlieden in dienst, om de tempel van Jahweh nog hechter te maken, en smeden en koperslagers, om de tempel van Jahweh te herstellen.
12And the king and Joiada gave it to those who were over the works of the house of the Lord: but they hired with it stonecutters, and artificers of every kind of work to repair the house of the Lord: and such as wrought in iron and brass, to uphold what began to be falling.
13De arbeiders deden hun werk, en het werk vorderde onder hun handen; zij herstelden de tempel van God in zijn oorspronkelijke toestand, en brachten hem in goede staat.
13And the workmen were diligent, and the breach of the walls was closed up by their hands, and they set up the house of the Lord in its former state, and made it stand firm.
14Toen zij klaar waren, bracht men den koning en Jehojada de gelden, die nog over waren; daarvoor liet hij het gerief voor de tempel van Jahweh vervaardigen, met schalen en andere gouden en zilveren voorwerpen, die nodig waren voor de dienst en de offers. Zolang Jehojada leefde, bracht men voortdurend brandoffers in de tempel van Jahweh.
14And when they had finished all the works, they brought the rest of the money before the king and Joiada: and with it were made vessels for the temple for the ministry, and for holocausts and bowls, and other vessels of gold and silver: and holocausts were offered in the house of the Lord continually all the days of Joiada.
15Maar Jehojada werd oud en hoogbejaard en stierf. Bij zijn dood was hij honderd dertig jaar.
15But Joiada grew old and was full of days, and died when he was a hundred and thirty years old.
16Men begroef hem in de Davidstad bij de koningen, omdat hij zich voor Israël en voor God en zijn tempel zo verdienstelijk had gemaakt.
16And they buried him in the city of David among the kings, because he had done good to Israel, and to his house.
17Na de dood van Jehojada kwamen echter de voormannen van Juda zich voor den koning neerbuigen. De koning luisterde naar hen,
17And after the death of Joiada, the princes of Juda went in, and worshipped the king: and he was soothed by their services and hearkened to them.
18en men begon de tempel van Jahweh, den God hunner vaderen, te verwaarlozen, en de heilige palen en de afgodsbeelden te vereren. Om deze misdaad kwam er een strafgericht over Juda en Jerusalem.
18And they forsook the temple of the Lord the God of their fathers, and served groves and idols, and wrath came upon Juda and Jerusalem for this sin.
19En Jahweh zond profeten tot hen, om ze tot Zich terug te brengen; dezen waarschuwden hen, maar ze luisterden niet.
19And he sent prophets to them to bring them back to the Lord, and they would not give ear when they testified against them.
20Toen kwam de geest Gods over Zekarja, den zoon van den priester Jehojada. Hij ging voor het volk staan, en zeide tot hen: Zo spreekt God! Waarom overtreedt gij de geboden van Jahweh en vertrapt gij uw eigen geluk? Want nu gij Jahweh verlaat, verlaat Hij ook u!
20The spirit of God then came upon Zacharias the son of Joiada the priest, and he stood in the sight of the people, and said to them: Thus saith the Lord God: Why transgress you the commandment of the Lord which will not be for your good, and have forsaken the Lord, to make him forsake you?
21Maar zij spanden tegen hem samen, en stenigden hem op bevel des konings in de voorhof van de tempel van Jahweh.
21And they gathered themselves together against him, and stoned him at the king’s commandment in the court of the house of the Lord.
22Zo weinig dacht de koning aan al het goede, dat zijn vader Jehojada voor hem gedaan had, dat hij zijn zoon liet vermoorden. Stervend riep deze uit: Jahweh ziet het, en zal het wreken!
22And king Joas did not remember the kindness that Joiada his father had done to him, but killed his son. And when he died, he said: The Lord see, and require it.
23Bij de jaarwisseling trok het leger van Aram tegen hem op. Zij drongen J uda en J erusalem binnen, brachten alle leiders van het volk om het leven, en zonden al hun buit naar den koning van Damascus.
23And when a year was come about, the army of Syria came up against him: and they came to Juda and Jerusalem, and killed all the princes of the people, and they sent all the spoils to the king of Damascus.
24Want ofschoon het leger van Aram slechts uit een gering aantal manschappen bestond, leverde Jahweh het zeer talrijke leger van Juda aan hen over, omdat ze Jahweh hadden verlaten, den God hunner vaderen. Ook aan Joasj voltrokken zij hun strafgericht.
24And whereas there came a very small number of the Syrians, the Lord delivered into their hands an infinite multitude, because they had forsaken the Lord the God of their fathers: and on Joas they executed shameful judgments.
25Toen zij van hem waren weggetrokken, en hem onder hevige pijnen hadden achtergelaten, spanden zijn hovelingen samen, om het bloed van den zoon van den priester Jehojada te wreken, en vermoordden hem op zijn bed. Zo stierf hij. Men begroef hem in de Davidstad, maar niet in de graven der koningen.
25And departing they left him in diseases: and his servants rose up him, for revenge of the blood of the son of Joiada the priest, and they slew him in his bed, and he died: and they buried him in the city of David, but not in the sepulchres of the kings.
26Dit zijn de mannen, die tegen hem hebben samengespannen: Zabad, de zoon van Sjimat den Ammoniet, en Jehozabad, de zoon van Sjimrit den Moabiet.
26Now the men that conspired against him were Zabad the son of Semmaath an Ammonitess, and Jozabad the son of Semarith a Moabitess.
27Over zijn zonen, de grootte van de schatting die hij moest opbrengen en het herbouwen van de tempel van God staat geschreven in het Leerboek van het boek der koningen. Hij werd opgevolgd door zijn zoon Amas-jáhoe.
27And concerning his sons, and the sum of money which was gathered under him, and the repairing the house of God; they are written more diligently in the book of kings: and Amasias his son reigned in his stead.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.