Marcum 3
Clementine Vulgate, 1598Translation
Clementine Vulgate, 1598
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Et introivit iterum in synagogam: et erat ibi homo habens manum aridam.
1Eens ging Hij weer een synagoge binnen; daar was een man wiens hand verdord was.
2Et observabant eum, si sabbatis curaret, ut accusarent illum.
2En ze bespiedden Hem, of Hij hem ook op de sabbat zou genezen, om Hem dan te kunnen beschuldigen.
3Et ait homini habenti manum aridam: Surge in medium.
3En Hij zei tot den man met de verdorde hand: Kom hier in het midden!
4Et dicit eis: Licet sabbatis benefacere, an male? animam salvam facere, an perdere? At illi tacebant.
4Toen sprak Hij tot hen: Mag men op de sabbat goed doen of kwaad, iemand redden of doden? Ze zwegen.
5Et circumspiciens eos cum ira, contristatus super cæcitate cordis eorum, dicit homini: Extende manum tuam. Et extendit, et restituta est manus illi.
5Toornig liet Hij zijn blik over hen rondgaan, bedroefd over de verblinding van hun hart; en Hij sprak tot den man: Strek uw hand uit! Hij strekte ze uit, en zijn hand was genezen.
6Exeuntes autem pharisæi, statim cum Herodianis consilium faciebant adversus eum quomodo eum perderent.
6Toen gingen de farizeën heen, en spanden terstond met de herodianen tegen Hem samen, om Hem ten val te
7Jesus autem cum discipulis suis secessit ad mare: et multa turba a Galilæa et Judæa secuta est eum,
7Nu ging Jesus met zijn leerlingen terug naar het meer, en een talrijke schare uit Galilea volgde Hem. Ook uit Judea,
8et ab Jerosolymis, et ab Idumæa, et trans Jordanem: et qui circa Tyrum et Sidonem multitudo magna, audientes quæ faciebat, venerunt ad eum.
8Jerusalem, Idumea, het Overjordaanse en uit de streek van Tyrus en Sidon kwam men in grote menigte naar Hem toe, toen men hoorde, al wat Hij deed.
9Et dicit discipulis suis ut navicula sibi deserviret propter turbam, ne comprimerent eum:
9En Hij beval zijn leerlingen, een boot voor Hem gereed te houden met het oog op de schare, opdat ze Hem niet zouden dringen.
10multos enim sanabat, ita ut irruerent in eum ut illum tangerent, quotquot habebant plagas.
10Want Hij genas er velen; zodat allen, die kwalen hadden, op Hem aandrongen, om Hem aan te raken.
11Et spiritus immundi, cum illum videbant, procidebant ei: et clamabant, dicentes:
11En als de onreine geesten Hem zagen, vielen ze voor Hem neer, en schreeuwden het uit:
12Tu es Filius Dei. Et vehementer comminabatur eis ne manifestarent illum.
12Gij zijt de Zoon van God. Maar Hij verbood hun streng, Hem bekend te maken.
13Et ascendens in montem vocavit ad se quos voluit ipse: et venerunt ad eum.
13Vervolgens besteeg Hij de berg en riep hen, die Hij zelf wilde; en ze kwamen bij Hem.
14Et fecit ut essent duodecim cum illo: et ut mitteret eos prædicare.
14En twaalf stelde Hij er aan, om bij Hem te blijven, en om hen ter prediking uit te zenden,
15Et dedit illis potestatem curandi infirmitates et ejiciendi dæmonia.
15met de macht om duivels uit te drijven.
16Et imposuit Simoni nomen Petrus:
16Deze twaalf stelde Hij aan: Simon, dien Hij de bijnaam Petrus gaf;
17et Jacobum Zebedæi, et Joannem fratrem Jacobi, et imposuit eis nomina Boanerges, quod est, Filii tonitrui:
17dan Jakobus, den zoon van Zebedeus, en Johannes, den broer van Jakobus, aan wie Hij de bijnaam Boanerges gaf, dat is zonen van de donder.
18et Andræam, et Philippum, et Bartholomæum, et Matthæum, et Thomam, et Jacobum Alphæi, et Thaddæum, et Simonem Cananæum,
18Verder Andreas en Filippus, Bartolomeus en Matteüs, Tomas en Jakobus, den zoon van Alfeus, Taddeus en Simon den Kananeër,
19et Judam Iscariotem, qui et tradidit illum.
19en Judas Iskáriot, die Hem heeft verraden.
20Et veniunt ad domum: et convenit iterum turba, ita ut non possent neque panem manducare.
20Daarop ging Hij naar huis: maar weer liep de menigte samen, zodat zij niet eens konden eten.
21Et cum audissent sui, exierunt tenere eum: dicebant enim: Quoniam in furorem versus est.
21Toen zijn verwanten dit hoorden, trokken ze er op af, om Hem vast te houden; want ze zeiden: Hij is krankzinnig.
22Et scribæ, qui ab Jerosolymis descenderant, dicebant: Quoniam Beelzebub habet, et quia in principe dæmoniorum ejicit dæmonia.
22Maar de schriftgeleerden, die van Jerusalem waren gekomen, zeiden: Hij is van Beélzebub bezeten, en door den vorst der duivels drijft Hij de duivels uit.
23Et convocatis eis in parabolis dicebat illis: Quomodo potest Satanas Satanam ejicere?
23Hij riep hen tot Zich, en sprak hen in gelijkenissen toe: Hoe kan een satan den satan verdrijven?
24Et si regnum in se dividatur, non potest regnum illud stare.
24Wanneer een rijk inwendig is verdeeld, dan kan dat rijk niet in stand blijven.
25Et si domus super semetipsam dispertiatur, non potest domus illa stare.
25En wanneer een huis inwendig is verdeeld, dan zal dat huis geen stand kunnen houden.
26Et si Satanas consurrexerit in semetipsum, dispertitus est, et non poterit stare, sed finem habet.
26Wanneer dus de satan in opstand komt tegen zichzelf, en verdeeld is, dan kan hij geen stand houden, maar het loopt met hem af.
27Nemo potest vasa fortis ingressus in domum diripere, nisi prius fortem alliget, et tunc domum ejus diripiet.
27Niemand toch kan het huis van een sterken man binnendringen en zijn huisraad roven, als hij niet eerst den sterke bindt; eerst dan zal hij zijn huis kunnen plunderen.
28Amen dico vobis, quoniam omnia dimittentur filiis hominum peccata, et blasphemiæ quibus blasphemaverint:
28Voorwaar, Ik zeg u: Alle zonden zullen aan de mensenkinderen worden vergeven: zelfs alle godslasteringen, die ze hebben geuit.
29qui autem blasphemaverit in Spiritum Sanctum, non habebit remissionem in æternum, sed reus erit æterni delicti.
29Maar wie lastert tegen den Heiligen Geest, krijgt in eeuwigheid geen vergiffenis, maar hij is schuldig aan een eeuwige zonde.
30Quoniam dicebant: Spiritum immundum habet.
30Ze hadden immers gezegd: Hij heeft een onreinen geest.
31Et veniunt mater ejus et fratres: et foris stantes miserunt ad eum vocantes eum,
31Toen kwamen zijn moeder en broeders; ze bleven buiten staan en lieten Hem roepen.
32et sedebat circa eum turba: et dicunt ei: Ecce mater tua et fratres tui foris quærunt te.
32Maar er zat een menigte om Hem heen: men zei Hem dus: Zie, uw moeder, uw broeders en zusters staan buiten, en zoeken U.
33Et respondens eis, ait: Quæ est mater mea et fratres mei?
33Maar Hij gaf hun ten antwoord: Wie is mijn moeder, en wie zijn mijn broeders?
34Et circumspiciens eos, qui in circuitu ejus sedebant, ait: Ecce mater mea et fratres mei.
34En terwijl Hij rondkeek naar hen, die in een kring om Hem heen waren gezeten, sprak Hij: Ziedaar mijn moeder en broeders!
35Qui enim fecerit voluntatem Dei, hic frater meus, et soror mea, et mater est.
35Wie de wil van God volbrengt, hij is mijn broeder en zuster en moeder.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.