ヨハネ 11
Freedom Bible (フリーダム・バイブル)Translation
Freedom Bible (フリーダム・バイブル)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1さて、ある人が病気にかかっていた。マリアとその姉妹マルタの村ベタニアに住むラザロであった。
1Nu was er een zieke, zekere Lázarus van Betánië, uit het dorp van Maria en van Marta, haar zuster.
2このマリアは、主に香油を塗り、自分の髪でその足をぬぐった人である。病気になったラザロは彼女の兄弟であった。
2Het was de Maria, die den Heer met reukwerk gezalfd en zijn voeten met de haren afgedroogd heeft; de zieke Lázarus was haar broer.
3そこで姉妹たちは、イエスのもとに人を遣わし、「主よ、見よ、あなたが深く愛しておられる者が病気です」と伝えた。
3De zusters lieten Hem dus berichten: Zie, Heer: hij, dien Gij liefhebt, is ziek.
4しかしイエスはそれを聞いて言われた。 「この病気は死に至るものではなく、神の栄光のためのものです。それによって神の子が栄光を受けるためです。」
4Toen Jesus dit vernam, zeide Hij: Deze ziekte loopt niet uit op de dood, maar ze dient tot glorie van God, en om Gods Zoon te verheerlijken.
5イエスはマルタとその姉妹とラザロを愛しておられた。
5Jesus had Marta, haar zuster en ook Lázarus lief.
6それで、ラザロが病気だと聞いても、イエスはおられた場所にさらに二日とどまられた。
6Toen Hij had vernomen, dat hij ziek was, bleef Hij toch nog twee dagen ter plaatse, waar Hij zich bevond.
7その後、弟子たちに 「もう一度ユダヤへ行きましょう」 と言われた。
7Nu eerst sprak Hij tot de leerlingen: Laten we weer naar Judea gaan.
8弟子たちは尋ねた。「ラビ、つい先ほどユダヤ人たちがあなたを石打ちにしようとしたのに、またそこへ行かれるのですか。」
8De leerlingen zeiden Hem: Rabbi, kort geleden zochten de Joden U te stenigen, en gaat Gij nu opnieuw daarheen?
9イエスは答えられた。 「昼は十二時間ではありませんか。昼間に歩く人は、この世の光を見るので、つまずきません。
9Jesus antwoordde: Heeft de dag geen twaalf uren?
10しかし、夜に歩く人は、その人のうちに光がないので、つまずきます。」
10Zo iemand wandelt bij dag, dan stoot hij zich niet, omdat hij het licht dezer wereld ziet; maar als hij wandelt bij nacht, dan stoot hij zich, omdat hij geen licht heeft.
11こう言った後、さらに彼らに言われた。 「私たちの友ラザロは眠っています。しかし、私は彼を眠りから起こすために行きます。」
11Zo sprak Hij. Daarna zei Hij tot hen: Onze vriend Lázarus is ingeslapen; maar Ik ga hem wekken.
12そこで弟子たちは言った。「主よ、眠っているのなら、良くなるでしょう。」
12Zijn leerlingen zeiden Hem: Heer, als hij slaapt, zal hij genezen.
13イエスはラザロの死について語られたのだが、弟子たちは眠って休んでいることを語られたと思ったのである。
13Maar Jesus had van zijn dood gesproken, terwijl zij meenden, dat Hij van gewoon inslapen sprak.
14そこでイエスは、彼らにはっきりと言われた。 「ラザロは死にました。
14Daarom zei Jesus hun toen ronduit: Lázarus is gestorven.
15私がそこにいなかったことを、あなたがたのために喜んでいます。それは、あなたがたが信じるためです。さあ、彼のところへ行きましょう。」
15En om u verheug Ik mij, dat Ik er niet aanwezig was, opdat gij geloven moogt. Maar laten we nu naar hem toegaan.
16そこで、ディディモと呼ばれるトマスが、仲間の弟子たちに言った。「私たちも行って、イエスと一緒に死のう。」
16Toen zei Tomas, ook Didumus geheten, tot zijn medeleerlingen: Laten ook wij gaan, om met Hem te sterven.
17イエスが着くと、ラザロはすでに四日間、墓の中にいた。
17Maar bij zijn aankomst vond Jesus hem reeds vier dagen in het graf.
18ベタニアはエルサレムに近く、約十五スタディオン離れていた。
18Daar Betánië dicht bij Jerusalem lag, op ongeveer vijftien stadiën afstand,
19多くのユダヤ人が、兄弟を亡くしたマルタとマリアを慰めるため、二人のもとに来ていた。
19waren er veel Joden naar Marta en Maria gekomen, om haar hun rouwbeklag te doen over haar broer.
20マルタは、イエスが来られると聞くと迎えに出たが、マリアは家に座っていた。
20Zodra Marta Jesus’ aankomst vernam, ging ze Hem tegemoet; Maria bleef thuis.
21そこでマルタはイエスに言った。「主よ、もしここにいてくださったなら、私の兄弟は死ななかったでしょう。
21En Marta zei tot Jesus: Heer, zo Gij hier waart geweest, was mijn broer niet gestorven.
22しかし今でも、あなたが神に求めることは何でも、神があなたに与えてくださると知っています。」
22Maar zelfs nu weet ik nog, dat God U zal geven, wat Gij Hem vraagt.
23イエスは彼女に 「あなたの兄弟はよみがえります」 と言われた。
23Jesus sprak tot haar: Uw broer zal verrijzen.
24マルタは言った。「終わりの日の復活の時に、彼がよみがえることは知っています。」
24Marta zeide Hem: Ik weet, dat hij verrijzen zal bij de opstanding op de jongste dag.
25イエスは彼女に言われた。 「私が復活であり、命です。私を信じる者は、たとえ死んでも生きます。
25Jesus sprak tot haar: Ik ben de verrijzenis en het leven. Wie in Mij gelooft, zal leven, ook al is hij gestorven;
26生きていて私を信じる者は皆、決して死にません。あなたはこのことを信じますか。」
26en wie leeft en in Mij gelooft, zal niet sterven voor eeuwig. Gelooft ge dit?
27彼女は言った。「はい、主よ。あなたがキリスト、神の子、世に来られる方であると、私は信じています。」
27Ze zeide Hem: Ja, Heer; ik geloof, dat Gij de Christus zijt, Gods Zoon, die in de wereld komt.
28こう言うと、マルタは帰って行き、姉妹マリアをひそかに呼んで、「先生が来て、あなたを呼んでおられます」と言った。
28Na deze woorden ging ze heen, om Maria, haar zuster, te roepen; heel in stilte zeide ze haar: De Meester is daar, en roept u.
29マリアはそれを聞くと、すぐに立ち上がり、イエスのもとへ向かった。
29Zodra deze het hoorde, stond ze haastig op, en ging naar Hem toe.
30イエスはまだ村に入らず、マルタが出迎えた場所におられた。
30Jesus was nog niet in het dorp gekomen, maar bevond Zich nog op de plaats. waar Marta Hem had ontmoet.
31家でマリアと一緒にいて彼女を慰めていたユダヤ人たちは、マリアが急いで立ち上がって出て行くのを見ると、「墓へ泣きに行くのだろう」と思い、彼女について行った。
31De Joden, die bij Maria in huis waren, om hun rouwbeklag te doen, zagen haar ijlings opstaan en heengaan; zij volgden haar, in de mening, dat ze naar het graf ging, om er te wenen.
32マリアはイエスのおられる所に来て、イエスを見ると、その足もとにひれ伏して言った。「主よ、もしここにいてくださったなら、私の兄弟は死ななかったでしょう。」
32Zodra Maria kwam, waar Jesus was, en Hem zag, viel ze voor zijn voeten neer, en sprak tot Hem: Heer, zo Gij hier waart geweest, was mijn broer niet gestorven.
33イエスは、マリアが泣き、一緒に来たユダヤ人たちも泣いているのを見て、霊の内に深くうめき、心を揺さぶられ、
33Toen Jesus haar zag wenen, en de Joden zag wenen, die haar vergezelden, werd Hij hevig bewogen en ontroerd.
34「彼をどこに置きましたか」 と言われた。 彼らは「主よ、来て、ご覧ください」と答えた。
34Hij sprak: Waar hebt gij hem begraven? Ze zeiden Hem: Heer, kom het zien.
35イエスは涙を流された。
35En Jesus weende.
36そこでユダヤ人たちは言った。「見なさい。どれほどラザロを深く愛しておられたことか。」
36De Joden zeiden: Zie, hoe Hij hem liefhad.
37しかし、彼らの中にはこう言う者もいた。「目の見えなかった人の目を開いたこの人が、ラザロを死なせないようにすることはできなかったのか。」
37Maar sommigen hunner zeiden: Kon Hij, die de ogen van den blinde heeft geopend, niet even goed zorgen, dat deze niet stierf?
38イエスは再び深くうめきながら、墓へ来られた。それは洞穴で、入り口には石が置かれていた。
38Jesus dan, opnieuw hevig bewogen, kwam bij het graf. Het was een grot, en een steen sloot de ingang af.
39イエスは 「石を取りのけなさい」 と言われた。 死んだ人の姉妹マルタは、「主よ、もう臭くなっています。死んで四日になりますから」と言った。
39Jesus sprak: Neemt de steen weg. Marta, de zuster van den overledene, zeide Hem: Heer, hij riekt al; want het is reeds de vierde dag.
40イエスは彼女に言われた。 「信じるなら神の栄光を見ると、あなたに言ったではありませんか。」
40Jesus sprak tot haar: Heb Ik u niet gezegd: Wanneer ge gelooft, zult ge Gods heerlijkheid zien?
41そこで人々は、死んだ人が横たわっていた場所から石を取りのけた。イエスは目を上げて言われた。 「父よ、私の願いを聞いてくださったことを感謝します。
41Men nam dus de steen weg. Toen sloeg Jesus de ogen omhoog, en sprak: Vader, Ik dank U, omdat Gij Mij hebt verhoord.
42あなたがいつも私の願いを聞いてくださることを、私は知っています。しかし、周りに立っている群衆のために、私はこう言いました。あなたが私を遣わされたことを、彼らが信じるためです。」
42Ik wist wel, dat Gij Mij altijd verhoort; maar Ik zeg het terwille van de omstaande menigte, opdat ze mogen geloven, dat Gij Mij gezonden hebt.
43こう言うと、イエスは大声で叫ばれた。 「ラザロ、出て来なさい。」
43Na deze woorden riep Hij met luider stem: Lázarus, kom uit.
44死んでいた人が出て来た。その手足は布で巻かれ、顔も布で包まれていた。 イエスは人々に 「彼をほどいて、行かせなさい」 と言われた。
44En de dode kwam te voorschijn, de voeten en handen in windsels gewikkeld, en zijn gezicht met een zweetdoek omwonden. Jesus zei hun: Maakt hem los, en laat hem gaan.
45そこで、マリアのもとに来て、イエスが行われたことを見たユダヤ人の多くが、イエスを信じた。
45Velen van de Joden, die naar Maria waren gekomen, en gezien hadden, wat Jesus gedaan had, geloofden daarom in Hem.
46しかし、彼らの中にはパリサイ人たちのところへ行き、イエスが行われたことを知らせる者もいた。
46Maar sommigen van hen liepen naar de farizeën, en deelden hun mee, wat Jesus gedaan had.
47そこで祭司長たちとパリサイ人たちは最高法院を招集して言った。「われわれは何をしているのか。この人は多くのしるしを行っている。
47Toen riepen de opperpriesters en farizeën de Hoge Raad bijeen. Ze zeiden: Wat doen we? Want die man doet veel wonderen.
48このままにしておけば、皆が彼を信じるだろう。そうなればローマ人が来て、われわれの場所も国民も奪うだろう。」
48Als we Hem zó laten begaan, zullen ze allemaal in Hem geloven; dan zullen de Romeinen komen, en ons land en volk verdelgen.
49しかし、その年の大祭司であったカヤパという一人が、彼らに言った。「あなたがたは何も分かっていない。
49Maar één hunner, Káifas, die dat jaar de hogepriester was, sprak tot hen: Weet gij geen uitkomst?
50一人の人が民のために死に、国民全体が滅びない方が、われわれにとって有益だということを考えてもいない。」
50Beseft gij dan niet, dat het goed voor u is, dat één mens sterft voor het heil van het volk, en niet het hele volk te gronde gaat?
51彼はこれを自分から言ったのではない。その年の大祭司であったので、イエスが国民のために死ぬことを預言したのである。
51Dit zei hij niet uit zichzelf. Maar als hogepriester van dat jaar profeteerde hij, dat Jesus sterven zou voor het heil van het volk;
52しかも国民のためだけではなく、各地に散らされている神の子どもたちを一つに集めるためでもあった。
52en niet voor het volk alleen, maar ook om de verstrooide kinderen Gods bijeen te brengen.
53そこで彼らは、その日からイエスを殺そうと相談した。
53Van die dag af waren ze besloten, Hem te doden.
54そのためイエスは、もはやユダヤ人たちの間を公然とは歩かず、そこを去って荒野に近い地方へ行き、エフライムという町で弟子たちとともに滞在された。
54Daarom trad Jesus niet meer in het openbaar onder de Joden op, maar trok Hij Zich terug in een streek nabij de woestijn, in een stad, Efrem genaamd; en daar bleef Hij met zijn leerlingen.
55さて、ユダヤ人の過越の祭りが近づいていた。多くの人が自分を清めるため、過越の祭りの前に地方からエルサレムへ上った。
55Intussen was het paasfeest der Joden genaderd, en trokken er velen van het land nog vóór het paasfeest naar Jerusalem op, om zich te reinigen.
56彼らはイエスを捜し、宮に立ちながら互いに言った。「どう思うか。あの人は祭りに全く来ないのだろうか。」
56Ze zochten naar Jesus, en zeiden in de tempel onder elkander: Wat dunkt u? Zou Hij niet op het feest komen?
57祭司長たちとパリサイ人たちは、イエスがどこにいるか知っている者は届け出るようにと命じていた。イエスを捕らえるためであった。
57Maar de opperpriesters en de farizeën hadden bevel gegeven, het aan te brengen, wanneer iemand wist, waar Hij was; dan konden ze Hem gevangen nemen.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.