士師記
Chapter 3
Freedom Bible (フリーダム・バイブル)
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Freedom Bible (フリーダム・バイブル)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1主が残しておかれた国々は次のとおりである。これは、カナンでの戦いを経験しなかったイスラエルの者たちを試すためであり、
1Dit zijn de volken, die Jahweh met rust liet, om door hen de Israëlieten, die nog geen der oorlogen van Kanaän hadden leren kennen, op de proef te stellen,
2それまで戦いを知らなかったイスラエルの世代に、戦いを教えるためでもあった。
2en om aan de geslachten der Israëlieten de strijd te leren, voor zover ze die tevoren niet kenden.
3ペリシテ人の五人の君主、すべてのカナン人、シドン人、およびバアル・ヘルモン山からハマテの入り口に至るまでのレバノン山に住むヒビ人である。
3Het waren de vijf vorsten der Filistijnen, al de Kanaänieten, de Sidoniërs, en de Chittieten, die het Libanon-gebergte bewonen van de berg Hermon af tot bij Chamat.
4彼らが残されたのは、彼らによってイスラエルを試み、主がモーセを通して彼らの父祖たちに命じられた主の戒めに、彼らが聞き従うかどうかを知るためであった。
4Ze dienden dus, om Israël te beproeven, ten einde te weten, of zij Jahweh’s voorschriften, die Hij hun vaders door Moses gegeven had, zouden opvolgen.
5イスラエルの人々はカナン人、ヘト人、アモリ人、ペリジ人、ヒビ人、およびエブス人の間に住んだ。
5Maar toen de Israëlieten midden tussen de Kanaänieten, Chittieten, Amorieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jeboesieten woonden,
6彼らはその娘たちを自分たちの妻としてめとり、自分たちの娘たちを彼らの息子たちに与え、彼らの神々に仕えた。
6namen ze zich hun dochters tot vrouw, gaven hun eigen dochters aan hun zonen, en dienden hun goden.
7イスラエルの人々は主の目に悪を行い、自分たちの神、主を忘れ、バアルとアシェラに仕えた。
7Toen dus de Israëlieten kwaad deden in de ogen van Jahweh, den God hunner vaderen vergaten, en de Báals en Asjera’s vereerden,
8それゆえ、主の怒りはイスラエルに向かって燃え上がり、主は彼らをメソポタミアの王クシャン・リシュアタイムの手に売り渡された。イスラエルの人々は八年の間、クシャン・リシュアタイムに仕えた。
8werd Jahweh op Israël vertoornd, en leverde Hij het in de macht van Koesjan-Risjatáim, den koning van Edom; en de Israëlieten dienden Koesjan-Risjatáim acht jaar lang.
9イスラエルの人々が主に向かって叫び求めると、主はイスラエルの人々のために一人の救い主を起こし、彼らを救い出された。すなわちカレブの弟であるケナズの子オトニエルである。
9Maar zodra de Israëlieten tot Jahweh riepen, deed Jahweh een redder opstaan om hen te bevrijden, namelijk Otniël, den zoon van Kenaz, den jongeren broer van Kaleb.
10主の霊が彼に臨み、彼はイスラエルをさばいた。彼が戦いに出ると、主はメソポタミアの王クシャン・リシュアタイムを彼の手に渡され、オトニエルは彼を制圧した。
10De geest van Jahweh rustte op hem, en hij was rechter over Israël. En toen hij ten strijde trok, leverde Jahweh Koesjan-Risjatáim, den koning van Edom, in zijn hand, zodat hij Koesjan-Risjatáim overwon.
11その地には四十年の間、平穏があった。その後、ケナズの子オトニエルは死んだ。
11Gedurende veertig jaar genoot het land nu rust. Na de dood van Otniël
12イスラエルの人々は再び主の目に悪を行った。彼らが主の目に悪を行ったので、主はモアブの王エグロンを強くしてイスラエルに立ち向かわせた。
12deden de Israëlieten opnieuw kwaad in de ogen van Jahweh. Daarom maakte Jahweh Eglon, den koning van Moab, sterk tegen Israël, omdat ze kwaad hadden gedaan in de ogen van Jahweh.
13エグロンはアンモンの子らとアマレクを自分のところに集め、行ってイスラエルを打ち、なつめやしの町を所有した。
13Deze verenigde zich met de Ammonieten en Amalekieten, trok op, versloeg Israël, en nam bezit van de Palmenstad.
14イスラエルの人々は十八年の間、モアブの王エグロンに仕えた。
14En achttien jaar lang dienden de Israëlieten Eglon, den koning van Moab.
15しかしイスラエルの人々が主に向かって叫び求めたとき、主は彼らのために一人の救い主を起こされた。ベニヤミン人であるゲラの子で、左利きの男エフドである。イスラエルの人々は彼を通してモアブの王エグロンに貢ぎ物を送った。
15Maar toen de Israëlieten weer tot Jahweh riepen, verwekte Jahweh hun een redder, Ehoed, den zoon van Gera, een Benjamiet, die links was. Toen de Israëlieten hem eens de schatting naar Eglon, den koning van Moab, lieten brengen,
16エフドは自分のために、長さ一キュビト の諸刃の剣を作り、それを自分の右の太ももの服の下に帯びた。
16maakte Ehoed zich een tweesnijdend zwaard van één span lengte, en gordde het onder zijn mantel aan zijn rechterheup.
17彼はモアブの王エグロンに貢ぎ物をささげた。エグロンは非常に太った人であった。
17Zo bracht hij de schatting naar Eglon, den koning van Moab. Deze Eglon was een buitengewoon zwaarlijvig man.
18彼が貢ぎ物をささげ終えたとき、彼は貢ぎ物を運んできた人々を去らせた。
18Na de schatting te hebben aangeboden, zond hij de mannen, die de schatting gedragen hadden, heen,
19しかし彼自身はギルガルのそばにある石の偶像のところから引き返し、「王よ、あなたに秘密の用件があります」と言った。 王は「静かにせよ」と言った。彼のそばに立っていた者たちは皆、彼の前から出て行った。
19maar hij zelf keerde bij de afgodsbeelden in de buurt van Gilgal weer om, en zeide: Koning, ik moet u een geheim meedelen. De koning beval stilte, en liet allen, die bij hem waren, vertrekken.
20エフドが彼のもとに近づいて行くと、王は涼しい階上の部屋に一人で座っていた。エフドは「あなたに神からの言葉があります」と言った。王は座から立ち上がった。
20Toen nu Ehoed bij hem kwam, zat hij alleen in de koele opperzaal. En Ehoed sprak: Ik heb een godsspraak voor u. Terwijl Eglon van zijn zetel opstond,
21エフドは左手を伸ばし、右の太ももから剣を抜き取って、彼の腹に突き刺した。
21stak Ehoed zijn linkerhand uit, trok het zwaard van zijn rechterheup en stiet het hem in de buik,
22柄も刃の後から入り込み、脂肪が刃を包み込んだ。エフドが剣を腹から抜かなかったので、刃先は背後に突き出た。
22zodat zelfs het heft er met het lemmet in drong, en het vet zich om het lemmet sloot; want hij trok het zwaard niet uit zijn buik.
23それからエフドは玄関の間に出て行き、自分の後ろで階上の部屋の戸を閉めて鍵をかけた。
23Hij klom nu door het venster en ging langs de galerij heen, nadat hij de deur van de opperzaal achter zich gesloten en gegrendeld had.
24エフドが去った後、王のしもべたちが来て見ると、階上の部屋の戸には鍵がかかっていた。彼らは、「きっと涼しい部屋で足を覆っておられる のだ」と言った。
24Toen hij vertrokken was, kwamen de dienaren terug, maar zagen, dat de deur van de opperzaal gegrendeld was. Ze dachten: Hij doet zeker zijn behoefte in het gemak.
25彼らは途方に暮れるほど待ったが、王は階上の部屋の戸を開けなかった。そこで鍵を取って開けると、主君が床に倒れて死んでいた。
25Ze bleven dus wachten, tot ze er verlegen mee werden. En toen hij de deur van de opperzaal maar niet opende, haalden ze de sleutel en deden open; en daar lag hun heer dood op de grond.
26エフドは彼らが待っている間に逃げ、石の偶像をとおり過ぎてセイラへ逃れた。
26Maar door hun talmen was Ehoed ontkomen; hij ging de afgodsbeelden voorbij, en stelde zich te Seïra in veiligheid.
27彼がそこに着いたとき、彼はエフライムの山地で角笛を吹き鳴らした。そしてイスラエルの人々は彼と一緒に山地から下って行き、彼は彼らを率いた。
27Zodra hij in het land van Israël was aangekomen, stak hij de bazuin in het bergland van Efraïm, en de Israëlieten daalden met hem het gebergte af. Hij stelde zich aan hun spits,
28彼は言った。「私について来なさい。主があなたがたの敵モアブ人を、あなたがたの手に渡された。」彼らは彼に従って下り、モアブに通じるヨルダン川の渡り場を押さえ、一人も渡らせなかった。
28en sprak hun toe: Volgt mij; want Jahweh heeft de Moabieten, uw vijanden, in uw hand geleverd. Ze volgden hem dan, sneden Moab de doorwaadbare plaatsen van de Jordaan af, en lieten er niemand overtrekken.
29そのとき、彼らはモアブ人を約一万人打ち倒した。みな屈強な者、みな勇士であった。逃げ延びた者は一人もいなかった。
29In die tijd sloegen ze ongeveer tien duizend Moabieten neer, allemaal sterke en dappere mannen, en niemand ontkwam.
30こうしてその日、モアブはイスラエルの手に屈服した。その地には八十年の間、平穏があった。
30Zo werd Moab in die dagen door Israël vernederd; en het land genoot rust voor tachtig jaar.
31彼の後にはアナテの子シャムガルがいた。彼は牛追い棒でペリシテ人を六百人打ち倒した。彼もまたイスラエルを救った。
31Na hem trad nog Sjamgar op, de zoon van Anat, die zes honderd Filistijnen versloeg met een ossendrijversstok; ook hij redde Israël.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.