士師記 11
Freedom Bible (フリーダム・バイブル)Translation
Freedom Bible (フリーダム・バイブル)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1ギルアデ人エフタは勇士であったが、遊女の子であった。ギルアデがエフタの父である。
1Nu was Jefte van Gilad zeker een dapper man; maar hij was de zoon van een ongehuwde vrouw, bij wie Gilad Jefte had verwekt.
2ギルアデの妻も息子たちを産んだ。その息子たちが成長すると、エフタを追い出して言った。「あなたは父の家で相続を受けることはできない。別の女の息子だからだ。」
2Ook de vrouw van Gilad had hem zonen gebaard, en toen haar zonen groot waren geworden, hadden zij Jefte verjaagd. Ze hadden gezegd: Gij zult niet erven in het huis van onzen vader; want gij zijt de zoon van een andere vrouw.
3そこでエフタは自分の兄弟たちから逃れ、トブの地に住んだ。ならず者たちがエフタの周りに集まり、彼とともに出て行った。
3Daarom was Jefte voor zijn broers gevlucht, en had hij zich in het land Tob gevestigd. Lieden, die niets te verliezen hadden, hadden zich bij Jefte gevoegd, en trokken er met hem op uit.
4しばらくして、アンモンの子らがイスラエルに対して戦いを仕掛けた。
4Toen nu enige tijd later de Ammonieten Israël de oorlog aandeden,
5アンモンの子らがイスラエルに対して戦いを仕掛けたとき、ギルアデの長老たちはエフタをトブの地から連れ戻そうと出かけた。
5en de Ammonieten reeds met de Israëlieten streden, gingen de oudsten van Gilad Jefte halen uit het land Tob.
6彼らはエフタに言った。「来て、私たちの指揮官になってほしい。そうすれば、私たちはアンモンの子らと戦うことができる。」
6Ze zeiden tot Jefte: Kom, en wees onze aanvoerder in onze strijd met de Ammonieten.
7エフタはギルアデの長老たちに言った。「あなたがたは私を憎み、父の家から私を追い出したではないか。あなたがたが苦難にある今になって、なぜ私のところに来たのか。」
7Maar Jefte zei tot de oudsten van Gilad: Zijt gij het soms niet, die me hatelijk hebt weggejaagd uit het huis van mijn vader? Waarom komt ge dan nú naar mij toe, nu ge in nood verkeert?
8ギルアデの長老たちはエフタに言った。「それゆえ、私たちは今、再びあなたのもとに帰って来たのだ。あなたが私たちとともに行き、アンモンの子らと戦ってくれるためである。そうすれば、あなたはギルアデの全住民の上に立つ私たちの頭となる。」
8De oudsten van Gilad gaven Jefte ten antwoord: Laat dat nu maar; we keren nu immers tot u terug. Ge moet met ons mee gaan, om tegen de Ammonieten te strijden; dan zult ge aan het hoofd van alle bewoners van Gilad komen staan.
9エフタはギルアデの長老たちに言った。「あなたがたが私を連れ戻してアンモン人と戦わせ、主が彼らを私に渡されるなら、私は本当にあなたがたのかしらとなるのか。」
9Toen zei Jefte tot de oudsten van Gilad: Wanneer ge mij terug wilt hebben om de Ammonieten te bestrijden, en Jahweh ze voor mij op de vlucht slaat, zal ik dan werkelijk aan uw hoofd komen staan?
10ギルアデの長老たちはエフタに言った。「主が私たちの間の証人となられる。私たちは必ずあなたの言葉どおりに行う。」
10De oudsten van Gilad verzekerden het Jefte: Jahweh zal tussen ons richten, zo we niet volgens uw woord zullen handelen.
11そこでエフタはギルアデの長老たちとともに行った。民は彼を自分たちのかしら、また指揮官とした。エフタはミツパで、主の御前に自分の言葉をすべて語った。
11Nu ging Jefte met de oudsten van Gilad mee, en het volk stelde hem tot hun hoofd en aanvoerder aan. Het was voor het aanschijn van Jahweh te Mispa, dat Jefte al deze woorden sprak.
12エフタはアンモンの子らの王に使者たちを遣わして言った。「あなたと私との間に何のかかわりがあって、あなたは私の地に対して戦うために、私のところに来たのか。」
12Nu zond Jefte boden naar den koning der Ammonieten met de vraag: Wat hebben we toch met elkander, dat gij mij in mijn land komt bestrijden?
13アンモンの子らの王はエフタの使者たちに答えた。「イスラエルがエジプトから上って来たとき、アルノンからヤボク、そしてヨルダン川に至るまで、私の地を奪い取ったからだ。それゆえ今、それらの地を平和のうちに返しなさい。」
13De koning der Ammonieten antwoordde aan de boden van Jefte: Wel, toen Israël optrok uit Egypte, heeft het bezit genomen van mijn land, van de Arnon af tot de Jabbok en de Jordaan; geef het mij dus maar vreedzaam terug.
14エフタは再びアンモンの子らの王に使者たちを遣わした。
14Opnieuw zond Jefte boden tot den koning der Ammonieten,
15彼は彼に言った。「エフタはこう言う。イスラエルはモアブの地も、アンモンの子らの地も奪い取ってはいない。
15en liet hem zeggen: Zo spreekt Jefte! Israël heeft noch het land van Moab, noch dat van Ammon zich toegeëigend.
16イスラエルがエジプトから上って来たとき、イスラエルは荒野を通って紅海に行き、カデシュに来た。
16Want bij zijn uittocht uit Egypte trok Israël de woestijn door tot aan de Rode Zee. En te Kadesj gekomen,
17そのとき、イスラエルはエドムの王に使者たちを遣わして、『どうか、あなたの地を通らせてほしい』と言ったが、エドムの王は聞き入れなかった。同じようにモアブの王にも遣わしたが、彼も承知しなかった。それでイスラエルはカデシュに留まった。
17zond Israël boden naar den koning van Edom met het verzoek: “Ik zou graag door uw land trekken”. Maar de koning van Edom gaf geen toestemming. Insgelijks zond het boden naar den koning van Moab; maar ook deze wilde niet. En zo bleef Israël te Kadesj.
18それから彼らは荒野を通り、エドムの地とモアブの地を迂回し、モアブの地の東側に来て、アルノンの向こう側に陣を敷いた。しかし彼らはモアブの領土の内には入らなかった。アルノンはモアブの境界だったからである。
18Daarna ging het de woestijn door, en trok om het land van Edom en het land van Moab heen. Ten oosten van het land van Moab gekomen, legerden ze zich aan de overzijde van de Arnon, en kwamen dus het gebied van Moab niet binnen, daar de Arnon de grens van Moab was.
19イスラエルはアモリ人の王、ヘシュボンの王シホンに使者を送り、『どうか、私たちの目的地まであなたの地を通らせてください』と言った。
19Vervolgens zond Israël boden naar Sichon, den Amorieten-koning, die in Chesjbon regeerde, en Israël zeide hem: “Ik zou graag door uw land naar de plaats van mijn bestemming gaan”.
20しかしシホンは、イスラエルが自分の境界を通ることを信用しなかった。それどころか、シホンは自分のすべての民を呼び集め、ヤハツに陣を敷いてイスラエルと戦った。
20Ook Sichon wilde Israël niet door zijn gebied laten trekken, doch Sichon verzamelde al zijn volk, dat zich te Jáhas legerde, en bond de strijd met Israël aan.
21イスラエルの神、主は、シホンとそのすべての民をイスラエルの手に引き渡されたため、彼らはこれを打ち倒した。こうしてイスラエルは、その地方の住民であるアモリ人の全地を所有した。
21Maar Jahweh, de God van Israël, leverde Sichon en heel zijn volk in de hand van de Israëlieten, die hen versloegen; en Israël nam bezit van heel het land der Amorieten, die deze streek bewoonden.
22彼らはアルノンからヤボクに至るまで、また荒野からヨルダン川に至るまで、アモリ人の全境界を所有した。
22Zij bezetten dus het gehele land der Amorieten, van de Arnon tot de Jabbok en van de woestijn tot de Jordaan.
23今、イスラエルの神、主が、その民イスラエルの前からアモリ人を追い払われた。それなのに、あなたがその地を所有しようというのか。
23En nu Jahweh, Israëls God, de Amorieten voor zijn volk Israël heeft uitgedreven, zoudt gij ons nu willen verjagen?
24あなたは、自分の神ケモシュが与えるものを所有するのではないか。私たちも、私たちの神、主が私たちの前から追い払われた者の地を所有する。
24Bezit gij zelf niet wat Kemosj, uw God, heeft veroverd; en zouden wij dan niet heel het land mogen bezitten, waarvan Jahweh, onze God, de bewoners voor ons heeft uitgedreven?
25今、あなたはモアブの王ツィポルの子バラクにまさっているというのか。彼はかつてイスラエルと争っただろうか。あるいは彼らと戦っただろうか。
25Zijt gij soms meer dan Balak, de zoon van Sippor, de koning van Moab? Heeft hij soms met Israël twist gezocht, heeft hij hen bestreden?
26イスラエルがヘシュボンとその町々、アロエルとその町々、またアルノン沿いのすべての町々に三百年の間住んでいたのに、なぜあなたがたはその間にそれらを取り戻さなかったのか。
26Wanneer Israël nu al drie honderd jaar te Chesjbon en Aroër en beider onderhorige plaatsen en in alle steden langs de Arnon heeft gewoond, waarom hebt ge die dan al die tijd niet bevrijd?
27それゆえ、私はあなたに対して罪を犯していないが、あなたは私に対して戦いを仕掛けて悪を行っている。さばき主である主が今日、イスラエルの人々とアンモンの子らとの間をさばかれますように。」
27Ik heb dus tegenover u niets misdaan; maar gij doet mij onrecht aan, door tegen mij te strijden. Moge Jahweh, de Rechter, heden oordelen tussen de zonen van Israël en Ammon!
28しかし、アンモンの子らの王は、エフタが遣わした言葉に聞き入れなかった。
28Maar de koning der Ammonieten wilde niet luisteren naar wat Jefte hem had doen zeggen.
29そのとき主の霊がエフタに臨んだ。彼はギルアデとマナセを通り、ギルアデのミツパへ進み、そこからアンモン人のところへ渡って行った。
29Nu werd over Jefte de geest van Jahweh vaardig. Hij doorkruiste Gilad en Manasse, trok naar Mispa in Gilad, en rukte vandaar tegen de Ammonieten op.
30エフタは主に誓願を立てて言った。「もしあなたが本当に、アンモンの子らを私の手に渡してくださるなら、
30En Jefte legde deze gelofte voor Jahweh af: Zo Gij de Ammonieten in mijn hand levert,
31私がアンモン人のところから無事に帰るとき、私の家の戸口から私を迎えに出て来るものは主のものとなり、私はそれを全焼のささげ物としてささげます。」
31zal de eerste, die mij uit de deur van mijn huis tegemoet komt, wanneer ik in vrede van de Ammonieten terugkeer, aan Jahweh toebehoren; als brandoffer draag ik hem op.
32そこでエフタはアンモンの子らと戦うために彼らのところへ渡って行った。主は彼らを彼の手に渡された。
32Toen Jefte dan tegen de Ammonieten optrok, om ze te bestrijden, gaf Jahweh ze in zijn hand.
33彼はアロエルからミニテに至るまで二十の町を打ち、さらにアベル・ケラミムまで大打撃を与えた。こうしてアンモン人はイスラエルの人々の前に屈服した。
33Hij versloeg ze van Aroër tot Minnit, en moordde twintig steden uit, tot Abel-Keramin toe; het was een geweldige overwinning. Zo werden de Ammonieten voor de Israëlieten vernederd.
34エフタがミツパの自分の家に帰って来ると、娘がタンバリンを鳴らし、踊りながら迎えに出て来た。彼女は彼の一人娘であった。彼女のほかに彼には息子も娘もいなかった。
34Toen Jefte daarop te Mispa thuiskwam, trad zijn dochter naar buiten, om met tamboerijnen en reidansen hem tegemoet te gaan. Zij was zijn enig kind; buiten haar had hij zoon noch dochter.
35彼女を見ると、エフタは衣を裂いて言った。「ああ、娘よ。おまえは私を打ちのめした。おまえまでが私を苦しめる者となった。私は主に口を開いて誓った。もう取り消すことはできない。」
35Zodra hij haar zag, scheurde hij zijn kleren, en riep uit: Ach mijn dochter, ge geeft me de slag; gij stort me in het ongeluk! Ik heb mijn mond voor Jahweh geopend, en kan niet meer terug.
36彼女は彼に言った。「私の父よ。あなたは主に口を開かれたのですから、あなたの口から出たとおりに私にしてください。主があなたの敵であるアンモンの子らに、あなたのために復讐してくださったからです。」
36Ze zeide tot hem: Vader, zo ge uw mond hebt geopend voor Jahweh, handel dan met mij volgens uw gelofte, nu Jahweh u wraak heeft doen nemen over de Ammonieten, uw vijanden.
37彼女は父に言った。「このことを私にさせてください。二か月の間、私をそのままにしてください。私が出かけて山々へ行き、私の処女であることを友たちとともに嘆き悲しむためです。」
37Toch zeide ze nog tot haar vader: Sta me dit slechts toe; laat me twee maanden vrij, om rond te dwalen op de bergen, en met mijn vriendinnen mijn maagdelijkheid te bewenen.
38彼は「行きなさい」と言った。彼は彼女を二か月の間送り出し、彼女は友たちとともに去って行き、山々で自分の処女であることを嘆き悲しんだ。
38Hij antwoordde: Ga maar! En hij liet haar twee maanden vrij. Ze ging heen met haar vriendinnen, en beweende haar maagdelijkheid in het gebergte.
39二か月の終わりに彼女は父のもとへ帰った。父は誓った誓願のとおりに彼女に行った。彼女は男を知らなかった。このことから、イスラエルでは一つの慣わしが生まれ、
39En toen zij aan het einde der twee maanden naar haar vader terugkeerde, voltrok hij aan haar de gelofte, die hij had afgelegd. Ze heeft dus geen man gehad. En het werd een gewoonte in Israël,
40イスラエルの娘たちは毎年四日間、ギルアデ人エフタの娘をしのぶために出て行くようになった。
40dat de israëlietische meisjes jaarlijks gedurende vier dagen de dochter van Jefte, den Giladiet, gingen bewenen.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.