Zjevení Janovo
Chapter 16
Kralice Bible (1613)
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Zjevení Janovo 16

Kralice Bible (1613)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1I slyšel jsem hlas veliký z chrámu, řkoucí sedmi andělům: Jděte, vylijte sedm koflíků hněvu Božího na zemi.
1Toen hoorde ik een machtige stem uit de tempel, die tot de zeven engelen sprak: “Gaat heen, en giet de zeven schalen van Gods gramschap leeg op de aarde.”
2I šel první anděl a vylil koflík svůj na zemi, i vyvrhli se vředové škodliví a zlí na lidech, majících znamení šelmy, a na těch, kteříž se klaněli obrazu jejímu.
2De eerste ging heen, en goot zijn schaal leeg op de aarde. Kwade en boosaardige zweren braken uit op de mensen, die het merkteken droegen van het Beest en zijn beeld aanbaden.
3Za tím druhý anděl vylil koflík svůj na moře, a učiněno jest jako krev umrlého, a všeliká duše živá v moři umřela.
3De tweede goot zijn schaal op de zee leeg: Ze werd bloed, als dat van een dode; en alle levende wezens der zee kwamen om.
4Potom třetí anděl vylil koflík svůj na řeky a na studnice vod, i obráceny jsou v krev.
4De derde goot zijn schaal leeg op de rivieren en de waterbronnen: Ze werden bloed.
5I slyšel jsem anděla vod, řkoucího: Spravedlivý jsi, Pane, Kterýž jsi, a Kterýž jsi byl, a Svatý, žes to usoudil.
5En den engel der wateren hoorde ik zeggen: Rechtvaardig zijt Gij, de Heilige, die zijt en die waart, Omdat Gij zulke oordelen velt.
6Neboť jsou krev svatých a proroků vylévali, i dal jsi jim krev píti; hodniť jsou zajisté toho.
6Want ze hebben het bloed Van heiligen en profeten vergoten; Bloed hebt Gij hun te drinken gegeven. Ze hebben het verdiend!
7I slyšel jsem jiného anděla od oltáře, kterýž řekl: Jistě, Pane Bože všemohoucí, praví jsou a spravedliví soudové tvoji.
7En het altaar hoorde ik roepen: Ja waarlijk, Heer en almachtige God, Waarachtig en rechtvaardig zijn uw oordelen!
8Potom čtvrtý anděl vylil koflík svůj na slunce, i dáno jest jemu trápiti lidi ohněm.
8De vierde engel goot zijn schaal leeg op de zon: Het werd haar gegeven, de mensen te blakeren met vuur;
9I pálili se lidé horkem velikým, a rouhali se jménu Boha toho, kterýž má moc nad těmito ranami, avšak nečinili pokání, aby vzdali slávu jemu.
9en de mensen werden geblakerd door geweldige hitte. Maar ze lasterden de Naam van God, die de macht heeft over die plagen; ze bekeerden zich niet, om Hem eer te geven.
10Tedy pátý anděl vylil koflík svůj na stolici té šelmy, i učiněno jest království její tmavé, i kousali lidé jazyky své pro bolest.
10De vijfde goot zijn schaal leeg op de troon van het Beest: Zijn rijk werd verduisterd; en ze verbeten hun tongen van pijn.
11A rouhali se Bohu nebeskému pro bolesti své a pro vředy své, avšak nečinili pokání z skutků svých.
11Maar ze lasterden den God des hemels om hun pijnen en zweren; ze bekeerden zich niet van hun werken.
12Šestý pak anděl vylil koflík svůj na tu velikou řeku Eufrates, i vyschla voda její, aby připravena byla cesta králům od východu slunce.
12De zesde engel goot zijn schaal leeg op de grote stroom, de Eufraat: Zijn water droogde op, zodat de weg was gebaand voor de koningen van de opgang der zon.
13A viděl jsem, ano z úst draka a z úst šelmy a z úst falešného proroka vyšli tři duchové nečistí, podobní žabám.
13Toen zag ik uit de mond van den Draak, uit de mond van het Beest, en uit de mond van den valsen profeet drie onreine geesten uitgaan als kikvorsen;
14Nebo jsouť duchové ďábelští, ješto činí divy a chodí mezi krále zemské a všeho světa, aby je shromáždili k boji, k tomu velikému dni Boha všemohoucího.
14want het zijn duivelsgeesten, die wondertekenen doen, en die zich begeven tot de koningen van heel de wereld, om hen te verzamelen tot de strijd op de grote dag van den almachtigen God.
15Aj, přicházímť jako zloděj. Blahoslavený, kdož bdí a ostříhá roucha svého, aby nah nechodil, aby neviděli hanby jeho.
15“Zie, Ik kom als een dief. Zalig hij die waakt en zijn kleren aanhoudt, opdat hij niet naakt ga, en men zijn schaamte niet zie.”
16I shromáždil je na místo, kteréž slove Židovsky Armageddon.
16En ze verzamelden hen op de plaats, in het hebreeuws “Harmagedón” geheten.
17Tedy sedmý anděl vylil koflík svůj na povětří, i vyšel hlas veliký z chrámu nebeského, od trůnu, řkoucí: Stalo se.
17De zevende goot zijn schaal leeg op de lucht: Er kwam een machtige stem uit de tempel en van de troon, en ze sprak: “Het is geschied!”
18I stali se zvukové a hromobití a blýskání, i země třesení stalo se veliké, jakéhož nikdy nebylo, jakž jsou lidé na zemi, totiž země třesení tak velikého.
18Bliksemstralen, geraas en donderslagen barstten los, en een geweldige aardbeving brak uit; een aardbeving zó verschrikkelijk als er nooit is geweest, sinds er een mens op aarde woont.
19I roztrhlo se to veliké město na tři strany, a města národů padla. A Babylon veliký přišel na pamět před obličejem Božím, aby dal jemu kalich vína prchlivosti hněvu svého.
19En de grote stad scheurde in drie delen uiteen; de steden der heidenen stortten in. Het grote Bábylon werd voor Gods aanschijn bedacht, om het de beker te geven van de wijn van zijn verbolgen toorn.
20A všickni ostrovové pominuli, a hory nejsou nalezeny.
20Alle eilanden vloden heen, en bergen waren niet meer.
21A kroupy veliké jako centnéřové pršely s nebe na lidi. I rouhali se Bohu lidé pro ránu těch krup; nebo velmi veliká byla ta rána.
21Geweldige hagel, zwaar als talenten, viel uit de hemel neer op de mensen. Maar de mensen lasterden God om de plaag van de hagel; want ontzettend groot was die plaag.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.