Zjevení Janovo
Chapter 13
Kralice Bible (1613)
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Zjevení Janovo 13

Kralice Bible (1613)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1I viděl jsem šelmu vystupující z moře, kteráž měla sedm hlav a deset rohů. A na rozích jejích deset korun, a na hlavách jejích jméno rouhání.
1Hij ging staan aan het strand van de zee. Toen zag ik uit de zee een Beest opstijgen met tien horens en zeven koppen; op zijn horens tien kronen en op zijn koppen godslasterlijke namen.
2Byla pak šelma ta, kterouž jsem viděl, podobná pardovi, a nohy její jako nedvědí, a ústa její jako ústa lvová. I dal jí drak sílu svou, a trůn svůj, a moc velikou.
2Het Beest, dat ik zag, geleek op een panter; zijn poten waren als berenpoten, zijn muil als de muil van een leeuw.
3A viděl jsem, ano jedna z hlav jejích jako zbitá byla až na smrt, ale rána její smrtelná uzdravena jest. Tedy divivši se všecka země, šla za tou šelmou.
3De Draak gaf hem zijn kracht en zijn troon, en grote macht. Doch één van zijn koppen zag ik als ten dode gewond; maar toch, zijn dodelijke wonde genas. En heel de wereld liep in verbazing het Beest achterna.
4A klaněli se drakovi, kterýž dal moc šelmě; a klaněli se šelmě, řkouce: Kdo jest podobný té šelmě? Kdo bude moci bojovati s ní?
4Ze aanbaden den Draak, omdat hij macht aan het Beest had gegeven; maar ook het Beest aanbaden ze, en ze zeiden: Wie is gelijk aan het Beest, En wie kan het bestrijden?
5I dána jsou jí ústa mluvící veliké věci a rouhání, a dána jí moc vládnouti za čtyřidceti a dva měsíce.
5Ook had het een bek gekregen, om grootspraak en godslastering uit te braken; en het was hem gegeven, dit te doen twee en veertig maanden lang.
6Protož otevřela ústa svá k rouhání se Bohu, aby se rouhala jménu jeho, i stánku jeho, i těm, kteříž přebývají na nebi.
6En het opende zijn bek tot het lasteren van God, om zijn Naam te vervloeken, zijn Woontent en allen die in de hemel verblijven.
7Dáno jí i bojovati s svatými a přemáhati je; a dána jí moc nad všelikým pokolením, nad rozličným jazykem, i nad národem.
7Ook werd hem toegestaan, strijd te voeren tegen de heiligen, en ze te overwinnen. En er werd hem macht gegeven over alle stammen en volken, talen en naties;
8Protož klaněti se jí budou všickni, kteříž přebývají na zemi, jichžto jména nejsou napsaná v knihách života Beránka, toho zabitého od počátku světa.
8en aanbidden zullen hem alle bewoners der aarde, wier naam niet staat geschreven sinds de grondvesting der wereld in het boek des levens van het Lam, dat geslacht is.
9Má-li kdo uši, slyš.
9Wie oren heeft, die hore!
10Jestliže kdo do vězení povede, do vězení půjde; zabije-li kdo mečem, musí mečem zabit býti. Zdeť jest trpělivost a víra svatých.
10Wie tot gevangenis wordt veroordeeld, ga de gevangenis in; wie met het zwaard doodt, moet zelf met het zwaard worden gedood. Hier geldt slechts het geduld der heiligen en hun geloof.
11Potom viděl jsem jinou šelmu vystupující z země, a měla dva rohy, podobné rohům Beránkovým, ale mluvila jako drak.
11Toen zag ik een ander beest oprijzen uit de aarde. Het had twee horens als die van het Lam, maar het sprak als de Draak.
12Kterážto všecku moc první šelmy provozuje před tváří její; a působí to, že země i ti, kteříž přebývají na ní, klanějí se šelmě té první, jejížto rána smrtelná uzdravena byla.
12Heel de macht van het eerste Beest oefent het uit onder diens ogen. Het doet de aarde, en die er op wonen, het eerste Beest aanbidden, wiens dodelijke wonde genezen was;
13A činí divy veliké, takže i ohni rozkazuje sstupovati s nebe na zem před obličejem mnohých lidí.
13het verricht grote tekenen, zodat het zelfs vuur uit de hemel op aarde doet vallen voor de ogen der mensen.
14A svodí ty, jenž přebývají na zemi, těmi divy, kteréžto dáno jí činiti před obličejem šelmy, říkající obyvatelům země, aby udělali obraz šelmě, kteráž měla ránu od meče, a ožila zase.
14En de bewoners der aarde verleidt het door de tekenen, die het in staat was te doen ten overstaan van het Beest; het zegt tot de bewoners der aarde, dat ze een beeld moeten maken voor het Beest, dat door het zwaard was gewond, maar bleef leven.
15I dáno jí, aby dáti mohla ducha tomu obrazu šelmy, aby i mluvil obraz šelmy, a aby to způsobila, kteřížkoli neklaněli by se obrazu šelmy, aby byli zmordováni.
15Zelfs was het bij machte, een geest te geven aan het beeld van het Beest, zodat het beeld van het Beest begon te spreken. En al wie het beeld van het Beest niet aanbaden, liet het doden.
16A rozkazuje všechněm, malým i velikým, bohatým i chudým, svobodným i v službu podrobeným, aby měli znamení na pravé ruce své, aneb na čelích svých,
16En aan allen, kleinen en groten, aan rijken en armen, aan vrijen en slaven laat het een merkteken geven op rechterhand of voorhoofd,
17A aby žádný nemohl kupovati ani prodávati, než ten, kdož má znamení aneb jméno té šelmy, anebo počet jména jejího.
17zodat niemand kan kopen of verkopen, zo hij dat teken niet draagt, de naam van het Beest of het getal van zijn naam.
18Tuť jest moudrost. Kdo má rozum, sečtiž počet šelmy. Nebo jest počet člověka, a jestiť počet ten šest set šedesáte a šest.
18Hier komt de wijsheid van pas! Die doorzicht heeft, berekene het getal van het Beest. Want het is het getal van een mens; zijn getal is zeshonderd zes en zestig.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.