Zjevení Janovo
Chapter 19
Kralice Bible (1613)
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Zjevení Janovo 19

Kralice Bible (1613)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Potom jsem slyšel veliký hlas velikého zástupu na nebi, řkoucího: Haleluiah. Spasení, a sláva, a čest, i moc Pánu Bohu našemu.
1Daarna hoorde ik een machtige stem als van een talrijke schare in de hemel, die riep: Alleluja! Het heil, de glorie en macht Behoren onzen God;
2Neboť jsou praví a spravedliví soudové jeho, kterýž odsoudil nevěstku tu velikou, jenž byla porušila zemi smilstvem svým, a pomstil krve služebníků svých z ruky její.
2Want waarachtig en rechtvaardig zijn zijn oordelen! De grote Boeleerster heeft Hij geoordeeld, Haar, die de aarde bedierf door haar ontucht: Hij heeft het bloed van zijn dienaars opgeëist uit haar hand!
3I řekli po druhé: Haleluiah. A dým její vstupoval na věky věků.
3En ze herhaalden: Alleluja! Haar rook stijgt op in de eeuwen der eeuwen!
4I padlo čtyřmecítma starců a čtvero zvířat, a klaněli se Bohu sedícímu na trůnu, řkouce: Amen, Haleluiah.
4En de vier en twintig Oudsten en de vier Dieren vielen neer, aanbaden God, die op de troon is gezeten, en antwoordden: Amen! Alleluja!
5I vyšel z trůnu hlas, řkoucí: Chvalte Boha našeho všickni služebníci jeho, a kteříž se bojíte jeho, i malí i velicí.
5Toen ging er een stem uit van de troon, en deze sprak: Looft onzen God, Gij allen, zijn dienaars, Gij die Hem vreest, Kleinen en groten!
6A slyšel jsem hlas jako zástupu velikého, a jako hlas vod mnohých, a jako zvuk hromů silných, řkoucích: Haleluiah. Kralovalť jest Pán Bůh náš všemohoucí.
6En ik hoorde als het gejuich van een talrijke schare, als het geruis van vele wateren, als het rollen van geweldige donder: Alleluja! Want de Heer, onze God, De Almachtige heeft zijn koningschap aanvaard!
7Radujme se, a veselme se, a chválu vzdejme jemu. Neboť jest přišla svadba Beránkova, a manželka jeho připravila se.
7Laat ons blij zijn en juichen, En Hem de glorie geven! Want gekomen is de bruiloft van het Lam, En zijn Vrouw heeft er zich toe bereid;
8A dáno jest jí, aby se oblékla v kment čistý a stkvoucí, a ten kment jsouť ospravedlňování svatých.
8In blinkend rein lijnwaad mag ze zich kleden, In lijnwaad: de gerechtige werken der heiligen.
9I řekl mi: Piš: Blahoslavení, kteříž jsou k večeři svadby Beránkovy povoláni. A řekl mi: Tatoť slova Boží jsou pravá.
9Toen sprak hij tot mij: Schrijf op! Zalig zij, die geroepen zijn tot het Bruiloftsmaal van het Lam. En hij vervolgde: Dit zijn de waarachtige woorden van God!
10I padl jsem k nohám jeho, klaněti se jemu chtěje. Ale řekl mi: Hleď, abys toho nečinil. Neboť jsem spoluslužebník tvůj i bratří tvých, těch, jenž mají svědectví Ježíšovo. Bohu se klaněj! Svědectví pak Ježíšovo jestiť duch proroctví.
10Toen viel ik voor zijn voeten neer, om hem te aanbidden. Maar hij sprak tot mij: Houd op! Ik ben uw mededienstknecht, en die uwer broeders, die de getuigenis van Jesus bezitten. Gòd moet gij aanbidden! Want de getuigenis van Jesus is de geest der profetie.
11I viděl jsem nebe otevřené, a aj, kůň bílý, a ten, jenž seděl na něm, sloul Věrný a Pravý, a kterýž v spravedlnosti soudí i bojuje.
11Toen zag ik de hemel geopend, en zie: Een wit paard. En Die er op was gezeten, wordt “Getrouwe en Waarachtige” genoemd; met rechtvaardigheid leidt Hij het oordeel, en voert Hij de strijd.
12Oči pak jeho byly jako plamen ohně, a na hlavě jeho korun množství, a měl jméno napsané, kteréhož žádný neví, než on sám.
12Zijn ogen waren als een vuurvlam; op zijn hoofd waren talrijke kronen. Hij droeg een Naam, die niemand verstaat dan Hijzelf.
13A byl odín v roucho pokropené krví, a sloveť jméno jeho Slovo Boží.
13Hij was omhangen met een kleed, gedrenkt in bloed. Zijn Naam wordt geheten: “Het Woord van God!”
14A rytířstvo nebeské jelo za ním na bílých koních, jsouce odíni v kment bílý a čistý.
14Op witte rossen volgen Hem de legerscharen des hemels, gekleed in lijnwaad, wit en rein.
15A z úst jeho vycházel meč ostrý, aby jím bil všecky národy. Nebo on bude je spravovati prutem železným; onť i pres vína hněvu a prchlivosti Boha všemohoucího tlačiti bude.
15En uit zijn mond kwam een scherp zwaard te voorschijn, om er de volkeren mee te treffen. Hij zal ze weiden met ijzeren staf; Hij zelf treedt de perskuip van de grimmige toorn van den almachtigen God.
16A máť na rouchu a na bedrách svých napsané jméno: Král králů a Pán pánů.
16En op zijn kleed en op zijn heup draagt Hij de Naam geschreven: “Koning der koningen, en Heer der heren”.
17I viděl jsem jednoho anděla, an stojí v slunci, a zkřikl hlasem velikým, řka všechněm ptákům, kteříž létali po prostřed nebes: Pojďte a shromažďte se k večeři velikého Boha,
17En ik zag een engel staan in de zon; hij riep met machtige stem al de vogels toe, die vliegen hoog in de lucht: Hierheen! Verzamelt u aan de grote maaltijd van God,
18Abyste jedli těla králů, a těla hejtmanů, a těla silných, a těla koňů, i těch, kteříž na nich sedí, a těla všech svobodných i služebníků, i malých i velikých.
18Om het vlees van koningen te eten! Het vlees van krijgsoversten en machtigen, Het vlees van paarden en ruiters, Het vlees van alle vrijen en slaven, Van alle kleinen en groten!
19I viděl jsem šelmu a krále země a vojska jejich, ani se sjeli, aby bojovali s tím, kterýž seděl na koni, a s rytířstvem jeho.
19Toen zag ik het Beest en de koningen der aarde met hun legerscharen, die zich hadden verzameld, om strijd te voeren met Hem, die op het paard was gezeten, en met zijn legermacht.
20I jata jest šelma, a s ní falešný prorok ten, kterýž činíval divy před ní, jimiž svodil ty, kteříž přijali znamení šelmy a kteříž se klaněli obrazu jejímu. I uvrženi jsou oba za živa do jezera ohnivého, hořícího sirou.
20En gegrepen werd het Beest, en met hem de valse profeet, die onder zijn ogen de wonderen verricht had, waarmee hij hèn had verleid, die het teken van het Beest hadden aanvaard en zijn beeld hadden aanbeden: Levend werden beiden in de vuurpoel geworpen, met zwavel gestookt.
21A jiní zbiti jsou mečem toho, kterýž seděl na koni, vycházejícím z úst jeho. A všickni ptáci nasyceni jsou těly jejich.
21En de overigen werden gedood met het zwaard uit de mond van Hem, die op het paard was gezeten; en alle vogels vraten zich zat aan hun vlees.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.