Zjevení Janovo 18
Kralice Bible (1613)Translation
Kralice Bible (1613)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Potom pak viděl jsem anděla sstupujícího s nebe, majícího moc velikou, a země osvícena byla od slávy jeho.
1Daarna zag ik een anderen engel uit de hemel nederdalen, toegerust met grote macht, en de aarde werd verlicht door zijn luister.
2I zkřikl silně hlasem velikým, řka: Padl, padl Babylon ten veliký, a učiněn jest příbytkem ďáblů, a stráží každého ducha nečistého, a stráží všelikého ptactva nečistého a ohyzdného.
2Hij riep met machtige stem, en hij sprak: Gevallen, gevallen het grote Bábylon! Het is een woonplaats van duivels geworden, Een schuiloord van allerlei onreine geesten, Een toevlucht van allerlei onreine, afschuwelijke vogels.
3Nebo z vína hněvu smilstva jeho pili všickni národové, a králové zemští smilnili s ním, a kupci zemští z zboží rozkoší jeho zbohatli.
3Want alle volken hebben de driftwijn harer ontucht gedronken, De koningen der aarde hebben met haar geboeleerd; De kooplieden der aarde hebben zich verrijkt Door haar ontzaglijke weelde.
4I slyšel jsem jiný hlas s nebe, řkoucí: Vyjděte z něho, lide můj, abyste se nepřiúčastňovali hříchům jeho a abyste nepřijali z jeho ran.
4Toen hoorde ik een andere stem uit de hemel, die sprak: Gaat uit van haar, o mijn volk! Om geen deel te nemen aan haar zonden, En geen deel te krijgen van haar plagen.
5Neboť dosáhli hříchové jeho až k nebi a rozpomenul se Bůh na nepravosti jeho.
5Want tot de hemel zijn opgestapeld haar zonden, En God gedenkt haar ongerechtigheid.
6Dejtež jemu, jakož i on dával vám, a dejte jemu dvénásob podle skutků jeho; v koflík, kterýž naléval vám, nalijte jemu to dvénásob.
6Zet haar betaald, zoals zij betaald heeft, Geeft haar het dubbele terug van haar werken. In de beker, waarin zij gemengd heeft, Mengt haar het dubbele terug.
7Jakž se mnoho chlubil a zbujněl byl, tak mnoho dejte jemu muk a pláče. Neboť v srdci svém praví: Sedím královna, a nejsemť vdovou, a pláče neuzřím.
7In zoveel glorie en weelde zij baadde, Geeft haar evenveel kwelling en rouw. Omdat ze zegt in haar hart: “Ik troon als koningin, Ben geen weduwe, en ken geen rouw;”
8Protož v jeden den přijdouť rány jeho, smrt a pláč i hlad, a ohněm spáleno bude; nebo silný jest Pán, kterýž je odsoudí.
8Daarom zullen op één dag haar plagen komen: Dood en rouw en hongersnood, En met vuur zal ze worden verbrand; Want God de Heer, die haar oordeelt, is machtig!
9I plakati ho budou a kvíliti nad ním králové země, kteříž s ním smilnili a svou rozkoš měli, když uzří dým zapálení jeho,
9En de koningen der aarde, die met haar ontucht hebben bedreven en in weelde gebaad, ze zullen wenen en klagen over haar, als ze de rook aanschouwen van haar brand.
10Zdaleka stojíce, pro bázeň muk jeho, a řkouce: Běda, běda, veliké město Babylon, to město silné, že jest jedné hodiny přišel odsudek tvůj.
10Van verre zullen ze blijven staan uit vrees voor haar plagen, en roepen: Wee, Wee, de grote stad, Bábylon, de machtige stad; In één uur is uw oordeel gekomen!
11Ano i kupci zemští budou plakati a kvíliti nad ním; nebo koupí jejich žádný nebude kupovati více,
11Ook de kooplieden der aarde zullen wenen en klagen over haar, omdat niemand hun lading meer koopt:
12Koupě od zlata, a stříbra, a drahého kamene, i perel, i kmentu, šarlatu, i hedbáví, i brunátného roucha, i všelikého dřeva tyinového, a všech nádob z kostí slonových, i všelikého nádobí z nejdražšího dříví, i z mědi, i z železa, i z mramoru;
12Lading van goud en van zilver, van edelstenen en paarlen, Van fijn linnen en purper, van zijde en scharlaken, Allerlei reukhout en allerlei werk van ivoor, Van het kostbaarste hout, van koper, ijzer en marmer.
13A kupectví skořice, i vonných věcí, a mastí, i kadidla, i vína, i oleje, i bělí, i pšenice, i dobytka, i ovec, i koní, a vozů, i služebníků, i duší lidských;
13Kaneel en geurige zalf, reukwerk, balsem en wierook, Wijn, olie, meelbloem en tarwe; Runderen en schapen, paarden en wagens, Mensen-lichamen en mensen-zielen.
14I ovoce žádostivá duši tvé odešla od tebe, a všecko tučné a krásné odešlo od tebe, a aniž toho již více nalezneš.
14Het ooft, waar uw ziel naar smacht, ging van u heen, Met alles, wat schittert en blinkt; Het is voor u verloren gegaan, En nimmermeer zal men het vinden.
15Ti, pravím, kupci, kteříž v tom kupčili a jím zbohatli, zdaleka stanou pro strach muk jeho, plačíce, a kvílíce,
15De handelaars in al deze dingen, die door haar zijn rijk geworden, zullen van verre blijven staan uit vrees voor haar plagen, en zullen roepen, wenend en klagend:
16A řkouce: Běda, běda, ó město veliké, kteréž odíno kmentem, a šarlatem, a brunátným rouchem, a ozdobeno bylo zlatem, a kamením drahým, i perlami! nebo v jednu hodinu zahynula tak veliká bohatství.
16Wee, Wee, de grote stad, Die gekleed was in linnen, purper, scharlaken, Gesmukt met goud, edelstenen en paarlen:
17Ano i všeliký správce lodí mořských, i všecko množství lidí, kteříž jsou na lodech, i plavci, i ti, kteříž svou živnost na moři mají, zdaleka stanou,
17In één uur is al die rijkdom verwoest! En alle stuurlieden, kustvaarders, scheepsvolk, en al wie zee bouwt, ook zij zullen van verre blijven staan,
18A zkřiknou, vidouce dým zapálení jeho, řkouce: Které město bylo podobné tomuto velikému městu!
18en roepen bij het zien van de rook van haar brand: “Welke stad is gelijk aan die Grote?”
19A sypouce prach na hlavy své, křičeti budou, plačíce, a kvílíce, a řkouce: Běda, běda, město veliké, v němžto zbohatli všickni, kteříž měli lodí na moři, ze mzdy jeho; nebo jedné hodiny zpustlo.
19En ze zullen stof op hun hoofden strooien, en roepen wenend en klagend: Wee, Wee, de grote stad, Waarin allen, die schepen bezitten op zee, Rijk zijn geworden door haar weelde: Want in één uur werd ze verwoest!
20Ale raduj se nad ním nebe i svatí apoštolé i proroci; nebo pomstilť vás Bůh nad ním.
20Maar gij, hemel, verheug u om haar, gij heiligen, apostelen, profeten; want God heeft aan haar uw vonnis voltrokken!
21I zdvihl jeden silný anděl kámen jako žernov veliký a hodil jím do moře, řka: Tak prudce uvržen bude Babylon, to město veliké, a již více nebude nalezeno.
21Toen hief een machtige engel een steen op, groot als een molensteen; hij wierp hem in zee, en hij sprak: Zó zal met één slag Bábylon worden neergeworpen, De grote stad; Men zal haar nimmermeer vinden!
22A hlas na harfy hrajících, a zpěváků, a pišťců, a trubačů nebude více v tobě slyšán, a žádný řemeslník žádného řemesla nebude v tobě více nalezen, a zvuk žernovu nebude v tobě více slyšán.
22Geen muziek van citerspelers en muzikanten, Van fluitspelers en trompetters zal in u worden gehoord, Geen beoefenaar van enige kunst In u nog worden gevonden, Het geluid van een molen zal nooit meer worden gehoord,
23Ani světlo svíce nebude v tobě více svítiti, a hlas ženicha ani nevěsty nebude v tobě více slyšán, ješto kupci tvoji bývala knížata zemská, a tráveními tvými v blud uvedeni byli všickni národové.
23Het licht ener lamp nooit meer in u schijnen, De stem van bruidegom en bruid Nooit meer in u worden vernomen. Want uw kooplieden waren de groten der aarde, En door uw toverdrank werden alle volkeren verleid;
24Ale v něm nalezena jest krev proroků a svatých i všech zmordovaných na zemi.
24In haar werd het bloed van profeten en heiligen gevonden, Van allen, die vermoord zijn op aarde.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.