Kaudial
Chapter 13
Kadede Kap (Pohnpeian Ne…
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Kadede Kap (Pohnpeian New Testament and Psalms)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1I AP kajinenda pon pik en oror o kilaner man amen pwaradar jan nan madau, me a oje ek o mona iju mia, o mar eijok mier pon oje kan, o ni mona ad en lalaue kan.
1Hij ging staan aan het strand van de zee. Toen zag ik uit de zee een Beest opstijgen met tien horens en zeven koppen; op zijn horens tien kronen en op zijn koppen godslasterlijke namen.
2Man o, me i kilaner, dueta parder amen, o na a dueta na en par amen, o au a raj on au en laien. O drake ki on i a kelail, o mol a, o a manaman lapalap.
2Het Beest, dat ik zag, geleek op een panter; zijn poten waren als berenpoten, zijn muil als de muil van een leeuw.
3O i kilaner mona eu dueta kamekamelar, ari jo, a kamekam motier, a toun jappa karoj puriamuiki man o.
3De Draak gaf hem zijn kracht en zijn troon, en grote macht. Doch één van zijn koppen zag ik als ten dode gewond; maar toch, zijn dodelijke wonde genas. En heel de wereld liep in verbazing het Beest achterna.
4Irail ari poni on drake, pwe a kapieki man o a kelail, o re poni on man o indinda: Ij me rajon man o? O ij me pan kak mauini on i?
4Ze aanbaden den Draak, omdat hij macht aan het Beest had gegeven; maar ook het Beest aanbaden ze, en ze zeiden: Wie is gelijk aan het Beest, En wie kan het bestrijden?
5O a pan on i au en juai lapalap, o en lalau eu, o a pan on i, en mimieta jaunipon paeijok riau.
5Ook had het een bek gekregen, om grootspraak en godslastering uit te braken; en het was hem gegeven, dit te doen twee en veertig maanden lang.
6Ari, a jara pajan au a, en lalaue Kot, en laue mar a o tanpaj a jaraui, o irail me kotikot nanlan.
6En het opende zijn bek tot het lasteren van God, om zijn Naam te vervloeken, zijn Woontent en allen die in de hemel verblijven.
7O a kapieki i, en mauini on jaraui kan o kaloe irail edi; o a kapieki i, en kaunda wei karoj, o men liki kan, o lokaia, o kainok kan.
7Ook werd hem toegestaan, strijd te voeren tegen de heiligen, en ze te overwinnen. En er werd hem macht gegeven over alle stammen en volken, talen en naties;
8O irail karoj, me kaukaujon jappa, pan poni on i karoj, me mar arail jota intinidier nan puk en maur en Jippul, me kamekamelar jan nin tapin jappa.
8en aanbidden zullen hem alle bewoners der aarde, wier naam niet staat geschreven sinds de grondvesting der wereld in het boek des levens van het Lam, dat geslacht is.
9Meamen jalon a mia, en ron.
9Wie oren heeft, die hore!
10Ma amen pan kaloedi, nan pein i pan lodila; o ma amen pan kamekila, kodlaj, nan a pan kamekila kodlaj. Nan iet en jaraui kan ar kononama o ar pojon.
10Wie tot gevangenis wordt veroordeeld, ga de gevangenis in; wie met het zwaard doodt, moet zelf met het zwaard worden gedood. Hier geldt slechts het geduld der heiligen en hun geloof.
11O i kilaner, amen man pwarado jan nan pwel, oje riau mia, rajon jippul amen, o a kajoi dueta drake amen.
11Toen zag ik een ander beest oprijzen uit de aarde. Het had twee horens als die van het Lam, maar het sprak als de Draak.
12O man o kin wia manaman akan karoj dueta men maj mon por en maj a. O a wiada, me toun jappa en poni on man o, me kelailadar jan a kamekam.
12Heel de macht van het eerste Beest oefent het uit onder diens ogen. Het doet de aarde, en die er op wonen, het eerste Beest aanbidden, wiens dodelijke wonde genezen was;
13A wiadar kilel lapalap, kamoredi jan lan kijiniai pon jappa mon aramaj akan.
13het verricht grote tekenen, zodat het zelfs vuur uit de hemel op aarde doet vallen voor de ogen der mensen.
14O a kotaue kin ir, me kaukaujon jappa a kilel akan, me kapi on i, en wiada mon man o, indai on irail, me kaujonta jappa, ren wiai on man o, me a lop en kodlaj mier, ap mauredar, dikedik eu.
14En de bewoners der aarde verleidt het door de tekenen, die het in staat was te doen ten overstaan van het Beest; het zegt tot de bewoners der aarde, dat ze een beeld moeten maken voor het Beest, dat door het zwaard was gewond, maar bleef leven.
15O a kapi on i, en kamaureda dikedik en man o, pwe dikedik en man o en pil lokaia, o en wiai on irail, me kan poni dikedik en man, en kamekamela.
15Zelfs was het bij machte, een geest te geven aan het beeld van het Beest, zodat het beeld van het Beest begon te spreken. En al wie het beeld van het Beest niet aanbaden, liet het doden.
16O wiai on karoj, me tik o me lap akan, o kapwapwa kan, o jamama kan, o me maio, o ladu kan, ren wia kilel eu ni pa ar pali maun de ni tam ar.
16En aan allen, kleinen en groten, aan rijken en armen, aan vrijen en slaven laat het een merkteken geven op rechterhand of voorhoofd,
17Pwe jota amen en kak net de netikila, pwe ir eta, me kileledier, kilelekidi mar en man de wad en mar a.
17zodat niemand kan kopen of verkopen, zo hij dat teken niet draagt, de naam van het Beest of het getal van zijn naam.
18Iet lolekon. Me lolekon kan en wadokdi mar en man o, pwe a raj on wad en aramaj amen; iet a wad: Wonepuki woneijok
18Hier komt de wijsheid van pas! Die doorzicht heeft, berekene het getal van het Beest. Want het is het getal van een mens; zijn getal is zeshonderd zes en zestig.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.