Kaudial
Chapter 8
Kadede Kap (Pohnpeian Ne…
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Kadede Kap (Pohnpeian New Testament and Psalms)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1NI a lauad pajan katen kaiju, kaporamen wiaui nanlan alep en auer.
1Engelen-tafereel van strijd en zege. De zeven bazuinen. Maar toen het Lam het zevende zegel opende, kwam er een stilte in de hemel, een half uur lang.
2O i kilaner tounlan ijimen, me uda mon Kot, o koronete iju panalan irail.
2Toen zag ik de zeven engelen, die voor God staan; en hun werden zeven bazuinen gegeven.
3Amen tounlan me kotido u pon pei jaraui, dal kold, men ijik potik, mi re a; potik ijij toto panalan re a, pwen kamanada kapakap en jaulan kan, me mi mon mol o.
3Nog kwam er een andere engel, die bij het altaar ging staan; hij had een gouden wierookpan, en veel wierook werd hem gegeven, om dit met de gebeden van al de heiligen neer te leggen op het gouden altaar voor de troon.
4Ad in ijik ianaki kapakap en me jaraui kan adidalan Kot jan ni lim en tounlan o.
4En de walm van de wierook met de gebeden der heiligen steeg op uit de hand van den engel voor het aanschijn van God.
5Tounlan ari aleda dal en potik o, ap aude kida kijiniai en pei jaraui, ap kajedi on jappa; ari, nanjapwe, o nil akan, o liol, o rerer en jappa wiauier.
5De engel nam de wierookpan, vulde ze met het vuur van het altaar, en wierp dit op de aarde. En donder brak los en geraas, bliksem en aardbeving.
6A tounlan ijimen, me ar koronete iju mia, kaonopatian pepeuk.
6Toen maakten ook de zeven engelen, met de zeven bazuinen, zich gereed om te blazen.
7Men maj pepeuk koronete, akel o kijiniai ianaki nta ap wiauier o pijikindi lan jappa; a jilekij eu en jappa ronala, o jilekij eu en tuka ronala, o ra karoj ronala.
7De eerste blies: Hagel en vuur brak los, met bloed gemengd, en het werd op de aarde geworpen. En het derde deel van de aarde verbrandde, het derde deel der bomen verbrandde, en al het groene gras werd verbrand.
8O tounlan kariamen pepeuk koronete ap likamata nana lapalap eu ijijiki kijiniai ap pijikindi lan madau; a jilekij eu en madau ap wialar nta.
8De tweede engel blies: Een grote berg, laaiend van vuur, werd in de zee geworpen. En het derde deel der zee werd bloed,
9O jilekij eu en tou a maur melar nan jed, o jilekij eu en jop akan olar.
9het derde deel van de levende schepsels der zee kwam om, en het derde deel der schepen verging.
10A tounlan kajilimen pepeuk koronete, uju lapalap ap pupedi jan nanlan likamata jer umpumpul eu pupedi pon jilekij eu en pilap akan o utun pil akan.
10De derde engel blies: Een grote ster viel neer uit de hemel, brandend als een fakkel; ze viel neer op het derde deel der rivieren en op de waterbronnen;
11Ad en uju o Jadik; jilekij eu en pil akan ap jadikalar, o aramaj toto mekilar pil aki ar jadik.
11en de naam der ster heet: “Alsem”. En het derde deel van het water werd alsem, en vele mensen stierven van het water, omdat het bitter was geworden.
12A tounlan kapamen pepeuk koronete, jilekij eu en katipin, o jilekij eu en maram, o jilekij eu en uju kan ap olar. Jilekij eu ari rotonala o ran jolar marain ni a jilekij eu o pil dueta pon.
12De vierde engel blies: Het derde deel der zon werd getroffen, het derde deel der maan, en het derde deel van de sterren. Zó werd hun derde deel verduisterd; de dag lichtte niet voor een derde deel, en evenmin de nacht.
13O i kilaner o roner ikel amen pipir nan waron en lan, indindaki nil laud: Apwal, apwal, apwal on irail, me kaukaujonta jappa, pweki nil en koronete en tounlan jilimen, me pan pepeuk mur.
13Ik zag toe. Daar hoorde ik een adelaar, vliegend hoog tegen de hemel, roepen met machtige stem: Wee! Wee! Wee! de bewoners der aarde, om de laatste stoten van de bazuin der drie engelen, die thans gaan blazen.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.