Jan
Chapter 7
Kralice Bible (1613)

Read in

Smith–Van Dyck Arabic Bible (فان دايك)Brezhoneg (Breton Gospels, 1827)Judson Burmese Bible (1840)Chamorro: Gospels, Acts and PsalmsChinese Union Version, punctuated (Simplified)Chinese Union Version, punctuated (Traditional)Coptic New TestamentCoptic New Testament (Bohairic)Kralice Bible (1613)Testamenta Marra (Dieri New Testament)Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)Asang Khongca Bible (Eastern Khumi Chin, 2019)Berean Standard BibleDouay-Rheims Bible, American Edition (1899)King James Version with ApocryphaWorld English BibleLondona Biblio (Esperanto, 1910)Louis Segond 1910Lutherbibel 1912Greek New Testament, word by word (STEPBible TAGNT)Greek New Testament: 1904 Patriarchal Text (Byzantine)Greek New Testament: Byzantine Text (Robinson–Pierpont 2018)Greek New Testament: Textus ReceptusSBL Greek New TestamentBaibala Hemolele (Hawaiian Bible, 1868 revision)Modern Hebrew BibleDiodati Bibbia 1885Freedom Bible (フリーダム・バイブル)Korean Bible, 1910 (한국어 성경)Bible Mutal (Kosraean)Clementine Vulgate, 1598Baibal Olcim (Matupi Chin)Meriam Mir GospelsOld Persian Version (ترجمه قدیم)Kadede Kap (Pohnpeian New Testament and Psalms)Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)Cornilescu Bible (1924), Cyrillic scriptSynodal Translation (Синодальный перевод)Daničić–Karadžić Bible (1868), CyrillicReina-Valera 1909Biblia Takatifu (Swahili): New Testament portionsFreedom Bible (Thai)Tongan Bible, Revised West VersionKulish and Puluj Bible (1905)Vietnamese Bible (1923 translation)
vs Petrus Canisius Bi…

Compare with

Smith–Van Dyck Arabic Bible (فان دايك)Brezhoneg (Breton Gospels, 1827)Judson Burmese Bible (1840)Chamorro: Gospels, Acts and PsalmsChinese Union Version, punctuated (Simplified)Chinese Union Version, punctuated (Traditional)Coptic New TestamentCoptic New Testament (Bohairic)Testamenta Marra (Dieri New Testament)Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)Asang Khongca Bible (Eastern Khumi Chin, 2019)Berean Standard BibleDouay-Rheims Bible, American Edition (1899)King James Version with ApocryphaWorld English BibleLondona Biblio (Esperanto, 1910)Louis Segond 1910Lutherbibel 1912Greek New Testament, word by word (STEPBible TAGNT)Greek New Testament: 1904 Patriarchal Text (Byzantine)Greek New Testament: Byzantine Text (Robinson–Pierpont 2018)Greek New Testament: Textus ReceptusSBL Greek New TestamentBaibala Hemolele (Hawaiian Bible, 1868 revision)Modern Hebrew BibleDiodati Bibbia 1885Freedom Bible (フリーダム・バイブル)Korean Bible, 1910 (한국어 성경)Bible Mutal (Kosraean)Clementine Vulgate, 1598Baibal Olcim (Matupi Chin)Meriam Mir GospelsOld Persian Version (ترجمه قدیم)Kadede Kap (Pohnpeian New Testament and Psalms)Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)Cornilescu Bible (1924), Cyrillic scriptSynodal Translation (Синодальный перевод)Daničić–Karadžić Bible (1868), CyrillicReina-Valera 1909Biblia Takatifu (Swahili): New Testament portionsFreedom Bible (Thai)Tongan Bible, Revised West VersionKulish and Puluj Bible (1905)Vietnamese Bible (1923 translation)Stop comparing
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Jan 7

Kralice Bible (1613)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Potom pak chodil Ježíš po Galilei; nebo nechtěl býti v Judstvu, protože ho hledali Židé zabíti.
1Daarna trok Jesus in Galilea rond; want Hij wilde niet in Judea vertoeven, omdat de Joden Hem zochten te doden.
2A byl blízko svátek Židovský, památka stánků.
2Maar toen het loofhuttenfeest der Joden begon te naderen,
3Tedy řekli jemu bratří jeho: Vyjdi odsud, a jdi do Judstva, ať i učedlníci tvoji vidí skutky tvé, kteréž činíš.
3zeiden zijn broeders tot Hem: Vertrek van hier en ga naar Judea, opdat ook uw leerlingen de werken zien, die Gij verricht.
4Nižádný zajisté v skrytě nic nedělá, kdož chce vidín býti. Protož ty, činíš-li takové věci, zjeviž se světu.
4Want niemand handelt in het verborgen, als hij bekend wil worden. Nu Gij toch deze dingen doet, vertoon U dan ook aan de wereld.
5Nebo ani bratří jeho nevěřili v něho.
5Want ook zijn broeders zelf geloofden niet in Hem.
6I dí jim Ježíš: Èas můj ještě nepřišel, ale čas váš vždycky jest hotov.
6Jesus sprak dus tot hen: Mijn tijd is nog niet gekomen; maar uw tijd is er steeds.
7Nemůžeť vás svět nenáviděti, ale mneť nenávidí; nebo já svědectví vydávám o něm, že skutkové jeho zlí jsou.
7U kan de wereld niet haten; maar Mij haat ze wel, omdat Ik getuig, dat haar werken boos zijn.
8Vy jděte k svátku tomuto. Jáť ještě nepůjdu k svátku tomuto, nebo čas můj ještě se nenaplnil.
8Gaat zelf maar naar dit feest; Ik ga nog niet naar dit feest, omdat mijn tijd nog niet is gekomen.
9To pověděv jim, zůstal v Galilei.
9Zo sprak Hij tot hen; en Hij bleef in Galilea.
10A když odešli bratří jeho, tedy i on šel k svátku, ne zjevně, ale jako ukrytě.
10Eerst toen zijn broeders waren vertrokken, vertrok Hij ook zelf naar het feest; niet publiek, maar in stilte.
11Židé pak hledali ho v svátek, a pravili: Kde jest onen?
11De Joden nu zochten Hem op het feest, en zeiden: Waar is Hij?
12A mnoho řečí bylo o něm v zástupu. Nebo někteří pravili, že dobrý jest, a jiní pravili: Není, ale svodí zástup.
12En er werd veel over Hem onder de menigte gemompeld. Sommigen zeiden: Hij is goed; anderen weer: Neen, Hij misleidt het volk.
13Žádný však o něm nemluvil zjevně pro bázeň Židů.
13Maar niemand sprak publiek over Hem, uit vrees voor de Joden.
14Když pak již polovici svátku se vykonalo, vstoupil Ježíš do chrámu, a učil.
14Toen het feest reeds half voorbij was, ging Jesus naar de tempel, en trad als leraar op.
15I divili se Židé, řkouce: Kterak tento Písmo umí, neučiv se?
15De Joden stonden verwonderd, en zeiden: Hoe is Hij zo geleerd, ofschoon Hij niet onderwezen is?
16Odpověděl jim Ježíš a řekl: Mé učení neníť mé, ale toho, jenž mne poslal.
16Jesus antwoordde hun en sprak: Mijn leer is niet van Mij, maar van Hem, die Mij gezonden heeft.
17Bude-li kdo chtíti vůli jeho činiti, tenť bude uměti rozeznati, jest-li to učení z Boha, čili mluvím já sám od sebe.
17Zo iemand bereid is, zijn wil te volbrengen, dan zal hij weten, of die leer uit God is, of dat Ik spreek uit Mijzelf.
18Kdoť sám od sebe mluví, chvály své vlastní hledá, ale kdož hledá chvály toho, kterýž ho poslal, tenť pravdomluvný jest, a nepravosti v něm není.
18Wie uit zichzelf spreekt, zoekt zijn eigen eer; maar wie de eer zoekt van Hem, die hem gezonden heeft, hij is waarachtig, en er is in hem geen bedrog.
19Však Mojžíš dal vám Zákon? a žádný z vás neplní Zákona? Proč mne hledáte zamordovati?
19Heeft Moses u niet de Wet gegeven? En toch niemand van u onderhoudt de Wet.
20Odpověděl zástup a řekl: Ïábelství máš. Kdo tě hledá zamordovati?
20Waarom zoekt gij Mij te doden? De menigte antwoordde: Gij zijt van den duivel bezeten; wie zoekt U te doden?
21Odpověděl Ježíš a řekl jim: Jeden skutek učinil jsem, a všickni se tomu divíte.
21Jesus antwoordde hun, en sprak: Slechts één enkel werk heb Ik verricht, en toch staat gij allen daarover versteld.
22Mojžíš vydal vám obřízku, (ne že by z Mojžíše byla, ale z otců,) a v sobotu obřezujete člověka.
22Moses heeft u de besnijdenis gegeven; niet dat ze van Moses afkomstig is, maar van de aartsvaders; en op sabbat dient gij iemand de besnijdenis toe.
23Poněvadž člověk obřízku přijímá i v sobotu, aby nebyl rušen Zákon Mojžíšův, proč pak se na mne hněváte, že jsem celého člověka uzdravil v sobotu?
23Zo iemand op sabbat de besnijdenis ontvangt, om niet de Wet van Moses te schenden, zijt gij dan verbitterd op Mij, omdat Ik een mens heel en al gezond heb gemaakt op de sabbat?
24Nesuďte podle osoby, ale spravedlivý soud suďte.
24Oordeelt niet naar de uiterlijke schijn, maar velt een rechtvaardig oordeel.
25Tedy někteří z Jeruzalémských pravili: Zdaliž toto není ten, kteréhož hledají zabíti?
25Sommigen van de Jerusalemmers zeiden: Is Hij het niet, dien men zoekt te doden?
26A aj, svobodně mluví, a nic mu neříkají. Zdali jsou již právě poznali knížata, že tento jest právě Kristus?
26En zie, Hij spreekt in het openbaar, en men zegt Hem niets. Zouden dan de overheden werkelijk hebben erkend, dat Hij de Christus is?
27Ale o tomto víme, odkud jest, Kristus pak když přijde, žádný nebude věděti, odkud by byl.
27Maar van Hem weten we, waar Hij vandaan is; als echter de Christus komt, weet niemand, waar Hij vandaan komt.
28I volal Ježíš v chrámě, uče a řka: I mne znáte, i odkud jsem, víte. A všakť jsem nepřišel sám od sebe, ale jestiť pravdomluvný, kterýž mne poslal, jehož vy neznáte.
28Toen leerde Jesus met luider stem in de tempel, en sprak: Gij kent Mij, en gij weet ook, waar Ik vandaan ben? En toch ben Ik niet uit Mijzelf gekomen, maar Hij, die Mij gezonden heeft, is de Waarachtige; Dien kent gij niet.
29Ale já znám jej, nebo od něho jsem, a on mne poslal.
29Ik ken Hem wel, omdat Ik van Hem ben uitgegaan, en omdat Hij Mij heeft gezonden.
30I hledali ho jíti, ale žádný nevztáhl ruky na něho, nebo ještě byla nepřišla hodina jeho.
30Toen zocht men Hem gevangen te nemen; toch sloeg niemand de hand aan Hem, omdat zijn uur nog niet was gekomen.
31Z zástupu pak mnozí uvěřili v něj, a pravili: Kristus když přijde, zdali více divů činiti bude nad ty, kteréž tento činí?
31Uit de menigte geloofden er velen in Hem. Ze zeiden: Zal de Christus, als Hij komt, meer tekenen doen dan Hij verricht?
32Slyšeli pak farizeové zástup, an o něm takové věci rozmlouvá, i poslali farizeové a přední kněží služebníky, aby jej jali.
32De farizeën hoorden de menigte aldus over Hem mompelen; daarom zonden de opperpriesters en farizeën dienaars uit, om Hem gevangen te nemen.
33Tedy řekl jim Ježíš: Ještě maličký čas jsem s vámi, potom odejdu k tomu, jenž mne poslal.
33Nu sprak Jesus: Nog korte tijd ben Ik bij u; dan ga Ik terug naar Hem, die Mij heeft gezonden.
34Hledati mne budete, a nenaleznete, a kdež já budu, vy tam nemůžte přijíti.
34Gij zult Mij zoeken maar niet vinden; en waar Ik ben, kunt gij niet komen.
35I řekli Židé k sobě vespolek: Kam tento půjde, že my ho nenalezneme? Zdali v rozptýlení pohanů půjde, a bude učiti pohany?
35De Joden zeiden dan tot elkander: Waar wil Hij heen, dat we Hem niet zullen vinden? Wil Hij soms naar de verstrooiing der heidenen gaan, en de heidenen onderrichten?
36Jaká jest to řeč, kterouž promluvil: Hledati mne budete, a nenaleznete, a kdež já budu, vy nemůžete přijíti?
36Wat betekent dit woord, dat Hij sprak: Gij zult Mij zoeken, maar niet vinden; en: Waar Ik ben, kunt gij niet komen?
37V poslední pak den ten veliký svátku toho, stál Ježíš a volal, řka: Žízní-li kdo, pojď ke mně, a napij se.
37Op de laatste en grootste dag van het feest, stond Jesus daar, en riep met luider stem: Zo iemand dorst heeft, hij kome tot Mij; hij drinke,
38Kdož věří ve mne, jakož dí Písmo, řeky z života jeho poplynou vody živé.
38wie in Mij gelooft. Zoals de Schrift heeft gezegd: “Stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien”.
39(A to řekl o Duchu svatém, kteréhož měli přijíti věřící v něho; nebo ještě nebyl dán Duch svatý, protože ještě Ježíš nebyl oslaven.)
39Dit zeide Hij van den Geest, dien zij zouden ontvangen, die in Hem zouden geloven. Want de Geest was er nog niet, daar Jesus nog niet verheerlijkt was.
40Tedy mnozí z zástupu uslyševše tu řeč, pravili: Tentoť jest právě prorok.
40Bij het horen dezer woorden zeiden sommigen van het volk: Deze is zeker de profeet.
41Jiní pravili: Tentoť jest Kristus. Ale někteří pravili: Zdaliž od Galilee přijde Kristus?
41Anderen zeiden: Hij is de Christus. Weer anderen zeiden: Komt dan de Christus uit Galilea?
42Zdaž nedí písmo, že z semene Davidova a z Betléma městečka, kdež býval David, přijíti má Kristus?
42Heeft dan de Schrift niet gezegd, dat de Christus uit het geslacht van David komt, en uit Bétlehem, het dorp, waar David woonde?
43A tak různice v zástupu stala se pro něj.
43Zo ontstond er verdeeldheid over Hem onder het volk.
44Někteří pak z nich chtěli ho jíti, ale žádný nevztáhl ruky na něj.
44Sommigen van hen wilden Hem grijpen; maar niemand sloeg de hand aan Hem.
45Tedy přišli služebníci k předním kněžím a k farizeům, i řekli jim oni: Proč jste ho nepřivedli?
45Nu kwamen ook de dienaars bij de opperpriesters en farizeën terug. Deze laatsten zeiden tot hen: Waarom hebt gij Hem niet meegebracht?
46Odpověděli služebníci: Nikdy tak člověk nemluvil, jako tento člověk.
46De dienaars antwoordden: Nooit heeft iemand zó gesproken als deze man.
47I odpověděli jim farizeové: Zdali i vy jste svedeni?
47De farizeën antwoordden hun: Hebt ook gij u laten misleiden?
48Zdaliž kdo z knížat uvěřil v něho anebo z farizeů?
48Heeft soms iemand van de overheden of van de farizeën in Hem geloofd?
49Než zástup ten, kterýž nezná Zákona. Zlořečeníť jsou.
49Ja, dat volk, dat de Wet niet kent: vervloekt zijn ze.
50I dí k nim Nikodém, ten, jenž byl přišel k němu v noci, kterýž byl jeden z nich:
50Maar één van hen, Nikodemus, die vroeger Hem eens had bezocht, sprak tot hen:
51Zdali Zákon náš soudí člověka, leč prve uslyší od něho a zví, co by činil?
51Onze Wet veroordeelt niemand, zonder hem vooraf te hebben gehoord, en zonder te weten, wat hij doet.
52Odpověděli a řekli jemu: Zdali i ty Galilejský jsi? Ptej se, žeť žádný prorok od Galilee nepovstal.
52Ze gaven hem ten antwoord: Zijt gij soms uit Galilea? Onderzoek het maar; dan zult ge erkennen, dat er geen profeet uit Galilea opstaat.
53I šel jeden každý do domu svého.
53Daarop gingen ze allen naar huis.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.