Дела апостолска 12
Daničić–Karadžić Bible (1868), CyrillicTranslation
Daničić–Karadžić Bible (1868), Cyrillic
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1У оно пак време подиже Ирод цар руке да мучи неке од цркве.
1Omstreeks die tijd legde koning Herodes de hand op enige leden der Kerk, om hen te mishandelen.
2И погуби Јакова брата Јовановог мачем.
2Jakobus den broer van Johannes, doodde hij met het zwaard.
3И видевши да је то по вољи Јеврејима настави да ухвати и Петра (а беху дани пресних хлебова),
3Toen hij zag, d t dit aan de Joden aangenaam was, liet hij ook Petrus gevangen nemen. Het was in de dagen der ongedesemde broden
4ког и ухвати и баци у тамницу и предаде га четворици четвртника војничких да га чувају, и мишљаше га по пасхи извести пред народ.
4Zodra hij hem in handen had, sloot hij hem in de gevangenis op, en liet hem door vier afdelingen elk van vier soldaten, bewaken. Het was zijn bedoeling, na het paasfeest hem voor het volk te brengen.
5И тако Петра чуваху у тамници; а црква мољаше се за њега Богу без престанка.
5Maar terwijl Petrus in de gevangenis bleef opgesloten, werden er zonder ophouden door de Kerk voor hem gebeden opgedragen aan God.
6А кад хтеде Ирод да га изведе, ону ноћ спаваше Петар међу двојицом војника, окован у двоје вериге, а стражари пред вратима чуваху тамницу.
6Toen nu Herodes hem vóór zou laten komen, sliep Petrus die nacht tussen twee soldaten; hij was met twee kettingen geboeid, en wachters voor de deur bewaakten de kerker.
7И гле, анђео Господњи приступи, и светлост обасја по соби, и куцнувши Петра у ребра пробуди га говорећи: Устани брже. И спадоше му вериге с руку.
7En zie, daar stond een engel des Heren, en een licht schitterde in de cel. Hij stiet Petrus in de zij, wekte hem, en sprak: Sta haastig op. En de kettingen vielen van zijn handen af.
8А анђео му рече: Опаши се, и обуј опанке своје. И учини тако. И рече му анђео: Обуци хаљину своју, па хајде за мном.
8De engel zei hem: Doe uw gordel om, en bind uw sandalen aan. Hij deed het. Hij vervolgde: Sla uw mantel om, en kom achter mij aan.
9И изишавши иђаше за њим, и не знаше да је то истина што анђео чињаше, него мишљаше да види утвару.
9Hij ging naar buiten en volgde hem, zonder te weten, dat het werkelijkheid was, wat de engel gedaan had; hij meende een visioen te aanschouwen.
10А кад прођоше прву стражу и другу и дођоше к вратима гвозденим која вођаху у град, она им се сама отворише; и изишавши прођоше једну улицу, и анђео одмах одступи од њега.
10Ze gingen nu de eerste en de tweede wachtpost voorbij, en kwamen aan de ijzeren poort, die naar de stad leidt; deze ging vanzelf voor hen open. Ze traden naar buiten, sloegen een straat in: —en plotseling was de engel verdwenen.
11И кад дође Петар к себи рече: Сад заиста видим да Бог посла анђела свог те ме избави из руку Иродових и од свега чекања народа јеврејског.
11Nu kwam Petrus tot bezinning, en sprak: Thans weet ik zeker, dat de Heer zijn engel heeft gezonden, en mij heeft gered uit de hand van Herodes, en van al wat het volk der Joden verwachtte.
12И размисливши дође кући Марије матере Јована који се зваше Марко, где беху многи сабрани и мољаху се Богу.
12Hij dacht een ogenblik na, en ging naar het huis van Maria, de moeder van Johannes, ook Markus genaamd, waar velen in gebed waren verenigd.
13А кад куцну Петар у врата од двора, приступи девојка по имену Рода, да чује.
13Toen hij aan de deur van het voorportaal klopte, kwam een dienstmeisje, Rode genaamd, opendoen.
14И познавши глас Петров од радости не отвори врата, него утрча и каза да Петар стоји пред вратима.
14Maar toen ze de stem van Petrus herkende, opende ze van blijdschap het voorportaal niet; ze vloog naar binnen, om te vertellen, dat Petrus buiten het voorportaal stond.
15А они јој рекоше: Јеси ли ти луда? А она потврђиваше да је тако. А они говораху: Анђео је његов.
15Men gaf haar ten antwoord: Ge zijt niet goed wijs. Maar ze hield vol, dat het zo was. Nu zeide men: Dan is het zijn engel.
16А Петар једнако куцаше. А кад отворише, видеше га, и удивише се.
16Maar toen Petrus bleef kloppen, deden ze open, zagen hem en stonden versteld.
17А он махнувши на њих руком да ћуте, каза им како га Господ изведе из тамнице; и рече јавите ово Јакову и браћи. И изишавши отиде на друго место.
17Met de hand gaf hij hun een teken, dat ze zouden zwijgen. Hij verhaalde hun, hoe de Heer hem uit de gevangenis geleid had, en sprak: Vertel het aan Jakobus en aan de broeders. Toen ging hij heen, en vertrok naar een andere plaats
18А кад би дан, беше не мала буна међу војницима, шта то би од Петра.
18Maar toen het dag was geworden, overviel de soldaten een ontzettende angst; waar toch Petrus gebleven kon zijn.
19А кад га Ирод заиска и не нађе, онда испита стражаре, и заповеди да их одведу; и изишавши из Јудеје у Ћесарију онамо живљаше.
19Herodes liet naar hem zoeken, maar vond hem niet. Nu riep hij de wachters ter verantwoording, en liet hen ter dood brengen. Hijzelf vertrok uit Judea naar Cesarea, en hield daar zijn verblijf.
20Јер се Ирод срђаше на Тирце и Сидонце. Али они једнодушно дођоше к њему, и узевши на своју руку Власта, постељника царевог, искаху мира, јер се њихове земље храњаху од његовог царства.
20Nu was hij zeer verbitterd geweest op de Tyriërs en Sidoniërs. En omdat hun land zijn levensmiddelen betrok uit dat van den koning, gingen ze gezamenlijk bij hem hun opwachting maken, wisten Blastus, den kamerheer van den koning, voor zich te winnen, en smeekten om vrede.
21А у одређени дан обуче се Ирод у царску хаљину, и седавши на престо говораше им;
21Op de vastgestelde dag zat Herodes in vorstelijk gewaad op de troon, en hield een toespraak tot hen.
22а народ викаше: Ово је глас Божји, а не човечији.
22En het volk juichte hem toe: Dat is taal van een god, en niet van een mens.
23Али уједанпут удари га анђео Господњи: јер не даде славе Богу; и будући изједен од црви издахну.
23Maar op hetzelfde ogenblik sloeg hem een engel des Heren, omdat hij aan God niet de eer had gegeven; hij werd door de wormen verteerd, en stierf.
24А реч Божија растијаше и множаше се.
24Maar het woord des Heren groeide aan, en breidde zich uit.
25А Варнава и Савле предавши помоћ вратише се из Јерусалима у Антиохију, узевши са собом Јована који се зваше Марко.
25Intussen waren Bárnabas en Saul, na hun taak te hebben volbracht uit Jerusalem teruggekeerd, en hadden Johannes, ook Markus geheten, met zich mee gebracht.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.