Ezequiel
Chapter 3
Bíblia Portuguesa Mundia…
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Ele me disse: “Filho do homem, coma o que você encontrar. Coma este rolo, e vá, fale à casa de Israel.”
1Hij sprak tot mij: Mensenkind, ge moet eten, wat u daar aangeboden wordt; eet deze rol op, en ga tot het huis van Israël spreken.
2Então eu abri a minha boca, e ele me fez comer o rolo.
2Ik opende mijn mond; Hij gaf mij die rol te eten,
3Ele me disse: “Filho do homem, coma este rolo que eu lhe dou e encha o seu ventre e as suas entranhas com ele.” Então eu o comi. E era doce como mel na minha boca.
3en sprak tot mij: Mensenkind, laat uw buik eten en uw lichaam zich vullen met deze rol, die Ik u geef. Toen at ik ze op, en ze werd in mijn mond als honing zo zoet.
4Ele me disse: “Filho do homem, vá à casa de Israel, e fale as minhas palavras a eles.
4Toen sprak Hij tot mij: Mensenkind, begeef u naar het huis van Israël, en herhaal mijn woorden voor hen.
5Pois você não é enviado a um povo de fala estranha e de língua difícil, mas à casa de Israel—
5Want ge wordt niet naar een volk gezonden met een moeilijke taal of een lastige tongval, maar naar Israëls huis;
6não a muitos povos de fala estranha e de língua difícil, cujas palavras você não consegue entender. Certamente, se eu o enviasse a eles, eles o ouviriam.
6ook niet naar talrijke volken met een moeilijke taal of een lastige tongval, wier woorden ge niet kunt verstaan. Zond Ik u tot hen, dan zouden zij wel naar u luisteren;
7Mas a casa de Israel não vai querer ouvi-lo, pois eles não querem me ouvir; porque toda a casa de Israel é obstinada e de coração duro.
7maar het volk van Israël zal niet naar u willen luisteren, omdat het ook naar Mij niet wil luisteren; want heel het huis van Israël heeft een stug voorhoofd en een ontembaar hart.
8Eis que tornei o seu rosto duro contra os rostos deles, e a sua testa dura contra as testas deles.
8Welnu, Ik maak uw gelaat onbewogen als het hunne, en uw voorhoofd even stug als het hunne;
9Tornei a sua testa como um diamante, mais dura do que a pederneira. Não tenha medo deles, nem se assuste com os seus olhares, embora sejam uma casa rebelde.”
9als diamant, nog harder dan keisteen maak Ik uw voorhoofd. Vrees niet voor hen, en schrik niet voor hun gezichten; want ze zijn een onhandelbaar volk.
10Além disso, ele me disse: “Filho do homem, receba em seu coração e ouça com os seus ouvidos todas as minhas palavras que eu falo a você.
10Verder sprak Hij tot mij: Mensenkind, ge moet goed letten op al de woorden, die Ik tot u ga spreken, en scherp luisteren.
11Vá aos do cativeiro, aos filhos do seu povo, e fale com eles, e diga-lhes: 'Assim diz o Senhor DEUS', quer ouçam, quer deixem de ouvir.”
11Begeef u naar de ballingen, naar uw volksgenoten, en spreek tot hen en zeg tot hen: Zo spreekt Jahweh, de Heer; of ze dan willen luisteren of niet.
12Então o Espírito me levantou, e eu ouvi atrás de mim a voz de um grande estrondo, dizendo: “Bendita seja a glória do SENHOR desde o seu lugar.”
12Toen hief een geest mij omhoog. En ik hoorde achter mij een zwaar gedreun, daar de heerlijkheid van Jahweh zich van haar plaats verhief;
13Ouvi o barulho das asas dos seres viventes quando tocavam umas nas outras, e o barulho das rodas ao lado deles, o barulho de um grande estrondo.
13het was het geruis van de tegen elkaar slaande vleugels der wezens en het geruis van de wielen naast hen: een zwaar gedreun.
14Assim o Espírito me levantou, e me levou embora; e eu fui em amargura, no calor do meu espírito; e a mão do SENHOR era forte sobre mim.
14Een geest hief mij omhoog en nam mij mee, en bitter en grimmig ging ik heen, terwijl de hand van Jahweh zwaar op mij woog.
15Então cheguei aos do cativeiro em Tel-Abibe, que moravam junto ao rio Quebar, e aonde eles moravam; e sentei-me ali atônito entre eles por sete dias.
15Zo kwam ik bij de ballingen van Tel-Abib, die aan de Kebar-rivier woonden, en zeven dagen lang zat ik verstomd in hun midden.
16Ao fim de sete dias, a palavra do SENHOR veio a mim, dizendo:
16Na verloop van zeven dagen werd het woord van Jahweh tot mij gericht: Mensenkind, als wachter heb Ik u aangesteld over Israëls huis.
17“Filho do homem, eu o constituí como sentinela para a casa de Israel. Portanto, ouça a palavra da minha boca, e advirta-os da minha parte.
17Zo dikwijls ge van Mij een woord verneemt, moet ge hen waarschuwen namens Mij.
18Quando eu disser ao ímpio: 'Certamente você morrerá'; e você não o advertir, nem falar para advertir o ímpio do seu mau caminho, para salvar a sua vida, aquele ímpio morrerá na sua iniquidade; mas o sangue dele eu cobrarei da sua mão.
18Als Ik tot den goddeloze zeg: Ge zult zeker sterven, en ge waarschuwt hem niet, en ge zegt geen woord, om den goddeloze voor zijn gedrag te waarschuwen en hem zo in leven te houden: dan zal die goddeloze sterven om zijn schuld, maar van u zal Ik zijn bloed opvorderen.
19Contudo, se você advertir o ímpio, e ele não se desviar da sua impiedade, nem do seu mau caminho, ele morrerá na sua iniquidade; mas você terá livrado a sua alma.”
19Hebt ge echter den goddeloze wèl gewaarschuwd, en bekeert hij zich niet van zijn goddeloos gedrag, dan zal hij sterven om zijn schuld, maar gij hebt uw leven gered.
20“Novamente, quando um justo se desviar da sua justiça e cometer iniquidade, e eu puser uma pedra de tropeço diante dele, ele morrerá. Porque você não o advertiu, ele morrerá no seu pecado, e os seus atos de justiça que ele praticou não serão lembrados; mas o sangue dele eu cobrarei da sua mão.
20En wijkt een rechtvaardige af van zijn rechtschapenheid en gaat hij slecht leven, zodat Ik een struikelblok voor hem neerzet, dan zal hij sterven; omdat ge hem niet gewaarschuwd hebt, zal hij sterven om zijn schuld, en zijn deugdzaam verleden zal hem niet worden aangerekend; maar van u zal Ik zijn bloed opvorderen.
21No entanto, se você advertir o justo, para que o justo não peque, e ele não pecar, ele certamente viverá, porque aceitou a advertência; e você terá livrado a sua alma.”
21Hebt ge daarentegen den rechtvaardige wèl gewaarschuwd, dat hij niet zondigen moest, en zondigt de rechtvaardige ook niet, dan zal hij zeker in leven blijven, omdat hij zich heeft laten gezeggen, en gij hebt uw leven gered.
22A mão do SENHOR estava ali sobre mim; e ele me disse: “Levante-se, saia para a planície, e lá eu falarei com você.”
22Eens raakte daar de hand van Jahweh mij aan, en Hij sprak tot mij: Sta op, en ga naar de vallei: daar zal Ik met u spreken.
23Então eu me levantei, e saí para a planície, e eis que a glória do SENHOR estava ali, como a glória que eu vi junto ao rio Quebar. Então eu caí com o rosto em terra.
23Ik stond op, en ging naar de vallei; en zie: daar stond de heerlijkheid van Jahweh, zoals ik haar aan de Kebar-rivier had gezien. Ik viel plat ter aarde neer;
24Então o Espírito entrou em mim e me pôs de pé. Ele falou comigo, e me disse: “Vá, tranque-se dentro da sua casa.
24maar er kwam een geest in mij, die mij recht overeind deed staan. En Hij zeide tot mij: Ga u in uw huis opsluiten;
25Mas você, filho do homem, eis que colocarão cordas em você, e o amarrarão com elas, e você não sairá para o meio deles.
25want, mensenkind, men zal u banden aanleggen en u daarmee vastbinden, zodat ge u niet onder hen kunt begeven.
26Farei com que a sua língua grude no céu da sua boca para que você fique mudo e não possa repreendê-los, pois eles são uma casa rebelde.
26Uw tong zal Ik vastkleven aan uw verhemelte, zodat ge stom wordt, en voor hen geen strafprediker meer kunt zijn; want ze zijn een onhandelbaar volk.
27Mas quando eu falar com você, abrirei a sua boca, e você lhes dirá: 'Assim diz o Senhor DEUS.' Quem ouve, ouça; e quem recusa, recuse; pois eles são uma casa rebelde.”
27Maar wanneer Ik tot u spreek, zal Ik uw mond openen, en ge zult tot hen zeggen: Zo spreekt Jahweh, de Heer! Die dan horen wil, hore, en die het niet wil, moet het maar laten; want ze zijn een onhandelbaar volk.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.