Ezequiel
Chapter 33
Bíblia Portuguesa Mundia…
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1A palavra do SENHOR veio a mim, dizendo:
1Het woord van Jahweh werd tot mij gericht.
2“Filho do homem, fale aos filhos do seu povo, e diga-lhes: ‘Quando eu trouxer a espada sobre uma terra, e o povo da terra tomar um homem dentre eles, e o colocar como sua atalaia,
2Mensenkind, ge moet uw volksgenoten toespreken, en tot hen zeggen: Gesteld, Ik laat het zwaard los op een land, en de burgers kiezen iemand uit hun midden en stellen hem aan als hun wachter.
3se, quando ele vir a espada vindo sobre a terra, ele tocar a trombeta e avisar o povo,
3Wanneer deze nu het zwaard op het land ziet afkomen, alarm blaast en de bevolking waarschuwt,
4então todo aquele que ouvir o som da trombeta e não der atenção ao aviso, se a espada vier e o levar, o seu sangue estará sobre a sua própria cabeça.
4maar hij die het hoorngeschal verneemt, zich niet laat waarschuwen, zodat het zwaard komt en hem treft: dan komt zijn bloed op zijn eigen hoofd neer.
5Ele ouviu o som da trombeta e não deu atenção ao aviso. O seu sangue estará sobre ele; mas, se ele tivesse dado atenção ao aviso, teria livrado a sua alma.
5Hoewel hij het hoorngeschal vernam, heeft hij zich niet laten waarschuwen; zijn bloed komt dus neer op hemzelf. Maar de ander heeft gewaarschuwd, en daardoor zijn leven gered.
6Mas se a atalaia vir a espada vindo e não tocar a trombeta, e o povo não for avisado, e a espada vier e levar qualquer pessoa dentre eles, este é levado na sua iniquidade, mas o seu sangue eu cobrarei da mão da atalaia.’
6Maar gesteld, de wachter ziet het zwaard aankomen en hij blaast geen alarm, zodat het volk niet wordt gewaarschuwd. Komt dan het zwaard en treft het iemand van hen, dan wordt die wel getroffen om zijn eigen schuld, maar van zijn bloed zal Ik den wachter rekenschap vragen.
7“Portanto, você, filho do homem, eu o coloquei como atalaia para a casa de Israel. Portanto, ouça a palavra da minha boca, e dê-lhes avisos da minha parte.
7Mensenkind, zó heb Ik ú aangesteld als wachter over Israëls huis. Wanneer ge iets van Mij verneemt, moet ge hen waarschuwen namens Mij.
8Quando eu disser ao ímpio: ‘Ó ímpio, você certamente morrerá’, e você não falar para avisar o ímpio do seu caminho, aquele ímpio morrerá na sua iniquidade, mas o seu sangue eu cobrarei da sua mão.
8Zeg Ik tot den zondaar: Zondaar, ge zult zeker sterven; maar doet gij uw mond niet open, om den zondaar voor zijn gedrag te waarschuwen, dan zal die zondaar wel om zijn eigen schuld sterven, maar van zijn bloed zal Ik ú rekenschap vragen.
9No entanto, se você avisar o ímpio do seu caminho para que se desvie dele, e ele não se desviar do seu caminho; ele morrerá na sua iniquidade, mas você terá livrado a sua alma.
9Maar hebt gij den zondaar gewaarschuwd, dat hij zich bekeren moet, en betert hij zijn leven niet, dan zal hij om zijn eigen schuld sterven, maar zelf hebt ge uw leven gered.
10“Você, filho do homem, diga à casa de Israel: ‘Vocês dizem isto: “Nossas transgressões e nossos pecados estão sobre nós, e nós definhamos neles. Como então podemos viver?”’
10Mensenkind, ge moet tot het huis van Israël zeggen: Zo redeneert ge maar: “Ja, onze misdaden en onze zonden drukken toch op ons, daardoor vergaan wij; hoe zouden wij dus kunnen leven?”
11Diga-lhes: ‘“Tão certo como eu vivo”, diz o Senhor DEUS, “não tenho prazer na morte do ímpio, mas sim em que o ímpio se desvie do seu caminho e viva. Desviem-se, desviem-se dos seus maus caminhos! Pois, por que vocês morreriam, ó casa de Israel?”’
11Ge moet tot hen zeggen: Zowaar Ik leef, spreekt Jahweh, de Heer: Ik verheug Mij erover, niet dat de zondaar sterft, maar dat de zondaar zijn gedrag verbetert en blijft leven! Bekeert u, bekeert u van uw zondig gedrag; want waarom zoudt ge sterven, huis van Israël?
12“Você, filho do homem, diga aos filhos do seu povo: ‘A justiça do justo não o livrará no dia da sua desobediência. E quanto à impiedade do ímpio, ele não cairá por causa dela no dia em que se desviar da sua impiedade; nem o que é justo poderá viver pela sua justiça no dia em que pecar.
12Mensenkind, ge moet tot uw volksgenoten zeggen: De deugd van den rechtschapene zal hem niet baten zodra hij zondigt, en de boosheid van den zondaar zal voor hem geen beletsel zijn, als hij zich van zijn boosheid bekeert; néén, de deugd van den rechtschapene zal hem niet in leven laten, als hij zondigt.
13Quando eu disser ao justo que ele certamente viverá, se ele confiar na sua justiça e cometer iniquidade, nenhum dos seus atos de justiça será lembrado; mas ele morrerá na sua iniquidade que cometeu.
13Al heb Ik ook tot den rechtschapene gezegd: ge zult blijven leven; maar vertrouwend op zijn verdiensten gaat hij slecht leven, dan zal al zijn deugd hem niet baten; hij zal sterven, om het kwaad dat hij gedaan heeft.
14Novamente, quando eu disser ao ímpio: “Você certamente morrerá”, se ele se desviar do seu pecado e fizer o que é lícito e justo,
14En al heb Ik ook tot den zondaar gezegd: de dood zult ge sterven; maar hij bekeert zich van zijn zonde en handelt naar wet en recht:
15se o ímpio restituir o penhor, devolver o que havia tomado por roubo, andar nos estatutos da vida, não cometendo iniquidade, ele certamente viverá. Ele não morrerá.
15hij geeft een pand terug, betaalt het gestolen goed en onderhoudt de voorschriften des levens zonder kwaad te doen; dan zal hij zeker in leven blijven, en niet sterven!
16Nenhum dos seus pecados que cometeu será lembrado contra ele. Ele fez o que é lícito e justo. Ele certamente viverá.
16Van zijn vroegere zonden zal hem niets toegerekend worden; naar wet en recht heeft hij gehandeld, hij zal dus zeker in leven blijven.
17“‘Ainda assim, os filhos do seu povo dizem: “O caminho do Senhor não é justo”; mas quanto a eles, o caminho deles é que não é justo.
17En dan zeggen uw volksgenoten: “De weg des Heren is niet recht!” Neen, hun eigen weg is krom!
18Quando o justo se desviar da sua justiça e cometer iniquidade, ele morrerá nela.
18Als een rechtschapene terugkomt op zijn deugd en slecht gaat leven, dan zal hij daarom sterven;
19Quando o ímpio se desviar da sua impiedade e fizer o que é lícito e justo, ele viverá por isso.
19maar bekeert een zondaar zich van zijn boosheid en handelt hij naar wet en recht, dan zal hij daarom leven.
20Contudo, vocês dizem: “O caminho do Senhor não é justo.” Ó casa de Israel, eu julgarei cada um de vocês segundo os seus caminhos.’”
20En al zegt ge: “de weg des Heren is niet recht!” toch zal Ik ieder van u richten naar zijn gedrag, huis van Israël!
21No décimo segundo ano do nosso cativeiro, no décimo mês, no quinto dia do mês, um que havia escapado de Jerusalém veio a mim, dizendo: “A cidade foi derrotada!”
21In het twaalfde jaar van onze verbanning, op de vijfde van de tiende maand, kwam de vluchteling uit Jerusalem naar mij toe met de tijding: De stad is gevallen!
22Ora, a mão do SENHOR esteve sobre mim à tarde, antes que viesse aquele que havia escapado; e ele havia aberto a minha boca até que ele veio a mim pela manhã; e a minha boca se abriu, e eu não estava mais mudo.
22‘s Avonds, voordat de vluchteling kwam, had de hand van Jahweh mij aangeraakt en mijn mond geopend. Toen dan ‘s morgens de vluchteling bij mij kwam, was mijn mond weer geopend, en was ik niet langer stom.
23A palavra do SENHOR veio a mim, dizendo:
23En het woord van Jahweh werd tot mij gericht.
24“Filho do homem, aqueles que habitam os lugares desertos na terra de Israel falam, dizendo: ‘Abraão era um só, e ele herdou a terra; mas nós somos muitos. A terra nos é dada por herança.’
24Mensenkind, de bewoners van die puinhopen op Israëls grondgebied zeggen: Abraham was maar alleen, en toch bezat hij het land; nu zijn we met velen, daarom is ons het land in bezit gegeven!
25Portanto, diga-lhes: ‘Assim diz o Senhor DEUS: “Vocês comem carne com o sangue, e levantam os seus olhos para os seus ídolos, e derramam sangue. Então vocês deveriam possuir a terra?
25Daarom moet ge tot hen zeggen: Zo spreekt Jahweh, de Heer! Op de bergen houdt ge een offermaal, ge slaat uw ogen naar uw schandgoden op en ge vergiet bloed; zult ge dan het land bezitten?
26Vocês se apoiam na sua espada, cometem abominação, e cada um de vocês contamina a mulher do seu próximo. Então vocês deveriam possuir a terra?”’
26Ge verlaat u op uw zwaard, ge bedrijft gruwelen en onteert elkanders vrouw; zult ge dan het land bezitten?
27“Você lhes dirá: ‘Assim diz o Senhor DEUS: “Tão certo como eu vivo, certamente aqueles que estão nos lugares desertos cairão à espada. Eu darei quem estiver em campo aberto aos animais para ser devorado, e aqueles que estão nas fortalezas e nas cavernas morrerão de peste.
27Neen, dit moet ge hun zeggen: Dit zegt Jahweh, de Heer! Zo waar Ik leef: zij die op de puinhopen leven, zullen neergesabeld worden; die in het open veld wonen, geef Ik aan de dieren te verslinden; en die in spelonken of holen verblijven, zullen sterven aan de pest!
28Eu farei da terra uma desolação e um espanto. O orgulho do seu poder cessará. Os montes de Israel ficarão desolados, de modo que ninguém passará por eles.
28Ik zal het land tot een eenzame steppe maken; er zal een einde komen aan zijn overmoedige trots, en de bergen van Israël zullen een wildernis zijn, die niemand durft betreden.
29Então eles saberão que eu sou o SENHOR, quando eu tiver feito da terra uma desolação e um espanto por causa de todas as suas abominações que cometeram.”’
29Zo zullen ze erkennen, dat Ik Jahweh ben, als Ik het land tot een eenzame steppe heb gemaakt om al de gruwelen, die ze hebben bedreven!
30“Quanto a você, filho do homem, os filhos do seu povo falam de você junto aos muros e nas portas das casas, e falam uns com os outros, cada um com o seu irmão, dizendo: ‘Por favor, venham e ouçam qual é a palavra que procede do SENHOR.’
30Mensenkind, uw volksgenoten voeren gesprekken over u bij de muren en aan de huisdeuren. Ze zeggen tot elkaar: Laten we eens gaan horen, wat woord van Jahweh is uitgegaan.
31Eles vêm a você como o povo vem, e se assentam diante de você como o meu povo, e ouvem as suas palavras, mas não as praticam; pois com a boca demonstram muito amor, mas o coração deles vai atrás do seu próprio lucro.
31Dan komen ze bij u in dichte drommen, gaan voor u zitten, en luisteren wel naar uw woorden, maar ze doen er niet naar; want ze hebben leugens op hun lippen, en hun hart is gehecht aan hun voordeel.
32Eis que você é para eles como uma canção muito bela de quem tem uma voz agradável, e sabe tocar bem um instrumento; pois eles ouvem as suas palavras, mas não as praticam.
32Daarom zijt ge voor hen maar een liedjeszanger, die een mooie stem heeft en goed kan spelen; ze luisteren wel naar uw woorden, maar ze doen er niet naar.
33“Quando isso acontecer — eis que está chegando — então eles saberão que houve um profeta no meio deles.”
33Maar als het uitkomt, en het komt zeker uit: dan zullen ze erkennen, dat er onder hen een profeet is geweest!

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.