ΙΕΖΕΚΙΗΛ 3
Septuagint (Greek Old Testament), second editionOriginal language
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1ΚΑΙ εἶπε πρός με· υἱὲ ἀνθρώπου, κατάφαγε τὴν κεφαλίδα ταύτην καὶ πορεύθητι καὶ λάλησον τοῖς υἱοῖς Ἰσραήλ.
1Hij sprak tot mij: Mensenkind, ge moet eten, wat u daar aangeboden wordt; eet deze rol op, en ga tot het huis van Israël spreken.
2καὶ διήνοιξε τὸ στόμα μου, καὶ ἐψώμισέ με τὴν κεφαλίδα
2Ik opende mijn mond; Hij gaf mij die rol te eten,
3καὶ εἶπε πρός με· υἱὲ ἀνθρώπου, τὸ στόμα σου φάγεται, καὶ ἡ κοιλία σου πλησθήσεται τῆς κεφαλίδος ταύτης τῆς δεδομένης εἰς σέ. καὶ ἔφαγον αὐτήν, καὶ ἐγένετο ἐν τῷ στόματί μου ὡς μέλι γλυκάζον.
3en sprak tot mij: Mensenkind, laat uw buik eten en uw lichaam zich vullen met deze rol, die Ik u geef. Toen at ik ze op, en ze werd in mijn mond als honing zo zoet.
4καὶ εἶπε πρός με· υἱὲ ἀνθρώπου, βάδιζε καὶ εἴσελθε πρὸς τὸν οἶκον τοῦ Ἰσραὴλ καὶ λάλησον τοὺς λόγους μου πρὸς αὐτούς·
4Toen sprak Hij tot mij: Mensenkind, begeef u naar het huis van Israël, en herhaal mijn woorden voor hen.
5διότι οὐ πρὸς λαὸν βαθύχειλον καὶ βαρύγλωσσον σὺ ἐξαποστέλλῃ, πρὸς τὸν οἶκον τοῦ Ἰσραήλ,
5Want ge wordt niet naar een volk gezonden met een moeilijke taal of een lastige tongval, maar naar Israëls huis;
6οὐδὲ πρὸς λαοὺς πολλοὺς ἀλλοφώνους ἢ ἀλλογλώσσους οὐδὲ στιβαροὺς τῇ γλώσσῃ ὄντας, ὧν οὐκ ἀκούσῃ τοὺς λόγους αὐτῶν· καὶ εἰ πρὸς τοιούτους ἐξαπέστειλά σε, οὗτοι ἂν εἰσήκουσάν σου.
6ook niet naar talrijke volken met een moeilijke taal of een lastige tongval, wier woorden ge niet kunt verstaan. Zond Ik u tot hen, dan zouden zij wel naar u luisteren;
7ὁ δὲ οἶκος τοῦ Ἰσραὴλ οὐ μὴ θελήσουσιν εἰσακοῦσαί σου, διότι οὐ βούλονται εἰσακούειν μου· ὅτι πᾶς ὁ οἶκος Ἰσραὴλ φιλόνεικοί εἰσι καὶ σκληροκάρδιοι.
7maar het volk van Israël zal niet naar u willen luisteren, omdat het ook naar Mij niet wil luisteren; want heel het huis van Israël heeft een stug voorhoofd en een ontembaar hart.
8καὶ ἰδοὺ δέδωκα τὸ πρόσωπόν σου δυνατὸν κατέναντι τῶν προσώπων αὐτῶν καὶ τὸ νῖκός σου κατισχύσω κατέναντι τοῦ νίκους αὐτῶν,
8Welnu, Ik maak uw gelaat onbewogen als het hunne, en uw voorhoofd even stug als het hunne;
9καὶ ἔσται διαπαντὸς κραταιότερον πέτρας. μὴ φοβηθῇς ἀπ ᾿ αὐτῶν μηδὲ πτοηθῇς ἀπὸ προσώπου αὐτῶν, διότι οἶκος παραπικραίνων ἐστί.
9als diamant, nog harder dan keisteen maak Ik uw voorhoofd. Vrees niet voor hen, en schrik niet voor hun gezichten; want ze zijn een onhandelbaar volk.
10καὶ εἶπε πρός με· υἱὲ ἀνθρώπου, πάντας τοὺς λόγους, οὓς λελάληκα μετὰ σοῦ, λαβὲ εἰς τὴν καρδίαν σου καὶ τοῖς ὠσί σου ἄκουε,
10Verder sprak Hij tot mij: Mensenkind, ge moet goed letten op al de woorden, die Ik tot u ga spreken, en scherp luisteren.
11καὶ βάδιζε, εἴσελθε εἰς τὴν αἰχμαλωσίαν πρὸς τοὺς υἱοὺς τοῦ λαοῦ σου καὶ λαλήσεις πρὸς αὐτοὺς καὶ ἐρεῖς πρὸς αὐτούς· τάδε λέγει Κύριος· ἐὰν ἄρα ἀκούσωσιν, ἐὰν ἄρα ἐνδῶσι.
11Begeef u naar de ballingen, naar uw volksgenoten, en spreek tot hen en zeg tot hen: Zo spreekt Jahweh, de Heer; of ze dan willen luisteren of niet.
12καὶ ἀνέλαβέ με πνεῦμα, καὶ ἤκουσα κατόπισθέν μου φωνὴν σεισμοῦ μεγάλου· εὐλογημένη ἡ δόξα Κυρίου ἐκ τοῦ τόπου αὐτοῦ.
12Toen hief een geest mij omhoog. En ik hoorde achter mij een zwaar gedreun, daar de heerlijkheid van Jahweh zich van haar plaats verhief;
13καὶ εἶδον φωνὴν τῶν πτερύγων τῶν ζῴων πτερυσσομένων ἑτέρα πρὸς τὴν ἑτέραν, καὶ φωνὴ τῶν τροχῶν ἐχομένη αὐτῶν καὶ φωνὴ τοῦ σεισμοῦ.
13het was het geruis van de tegen elkaar slaande vleugels der wezens en het geruis van de wielen naast hen: een zwaar gedreun.
14καὶ τὸ πνεῦμα ἐξῇρέ με καὶ ἀνέλαβέ με, καὶ ἐπορεύθην ἐν ὁρμῇ τοῦ πνεύματός μου, καὶ χεὶρ Κυρίου ἐγένετο ἐπ᾿ ἐμὲ κραταιά.
14Een geest hief mij omhoog en nam mij mee, en bitter en grimmig ging ik heen, terwijl de hand van Jahweh zwaar op mij woog.
15καὶ εἰσῆλθον εἰς τὴν αἰχμαλωσίαν μετέωρος καὶ περιῆλθον τοὺς κατοικοῦντας ἐπὶ τοῦ ποταμοῦ τοῦ Χοβὰρ τοὺς ὄντας ἐκεῖ καὶ ἐκάθισα ἐκεῖ ἑπτὰ ἡμέρας ἀναστρεφόμενος ἐν μέσῳ αὐτῶν.
15Zo kwam ik bij de ballingen van Tel-Abib, die aan de Kebar-rivier woonden, en zeven dagen lang zat ik verstomd in hun midden.
16Καὶ ἐγένετο μετὰ τὰς ἑπτὰ ἡμέρας λόγος Κυρίου πρός με λέγων·
16Na verloop van zeven dagen werd het woord van Jahweh tot mij gericht: Mensenkind, als wachter heb Ik u aangesteld over Israëls huis.
17υἱὲ ἀνθρώπου, σκοπὸν δέδωκά σε τῷ οἴκῳ Ἰσραήλ, καὶ ἀκούσῃ ἐκ στόματός μου λόγον καὶ διαπειλήσῃ αὐτοῖς παρ᾿ ἐμοῦ.
17Zo dikwijls ge van Mij een woord verneemt, moet ge hen waarschuwen namens Mij.
18ἐν τῷ λέγειν με τῷ ἀνόμῳ· θανάτῳ θανατωθήσῃ, καὶ οὐ διεστείλω αὐτῷ οὐδὲ ἐλάλησας τοῦ διαστείλασθαι τῷ ἀνόμῳ ἀποστρέψαι ἀπὸ τῶν ὁδῶν αὐτοῦ τοῦ ζῆσαι αὐτόν, ὁ ἄνομος ἐκεῖνος τῇ ἀδικίᾳ αὐτοῦ ἀποθανεῖται, καὶ τὸ αἷμα αὐτοῦ ἐκ τῆς χειρός σου ἐκζητήσω.
18Als Ik tot den goddeloze zeg: Ge zult zeker sterven, en ge waarschuwt hem niet, en ge zegt geen woord, om den goddeloze voor zijn gedrag te waarschuwen en hem zo in leven te houden: dan zal die goddeloze sterven om zijn schuld, maar van u zal Ik zijn bloed opvorderen.
19καὶ σὺ ἐὰν διαστείλῃ τῷ ἀνόμῳ, καὶ μὴ ἀποστρέψῃ ἀπὸ τῆς ἀνομίας αὐτοῦ καὶ ἀπὸ τῆς ὁδοῦ αὐτοῦ, ὁ ἄνομος ἐκεῖνος ἐν τῇ ἀδικίᾳ αὐτοῦ ἀποθανεῖται, καὶ σὺ τὴν ψυχήν σου ρύσῃ.
19Hebt ge echter den goddeloze wèl gewaarschuwd, en bekeert hij zich niet van zijn goddeloos gedrag, dan zal hij sterven om zijn schuld, maar gij hebt uw leven gered.
20καὶ ἐν τῷ ἀποστρέφειν δίκαιον ἀπὸ τῶν δικαιοσυνῶν αὐτοῦ καὶ ποιήσει παράπτωμα καὶ δώσω τὴν βάσανον εἰς πρόσωπον αὐτοῦ, αὐτὸς ἀποθανεῖται, ὅτι οὐ διεστείλω αὐτῷ, καὶ ἐν ταῖς ἁμαρτίαις αὐτοῦ ἀποθανεῖται, διότι οὐ μὴ μνησθῶσιν αἱ δικαιοσύναι αὐτοῦ, ἃς ἐποίησε, καὶ τὸ αἷμα αὐτοῦ ἐκ τῆς χειρός σου ἐκζητήσω.
20En wijkt een rechtvaardige af van zijn rechtschapenheid en gaat hij slecht leven, zodat Ik een struikelblok voor hem neerzet, dan zal hij sterven; omdat ge hem niet gewaarschuwd hebt, zal hij sterven om zijn schuld, en zijn deugdzaam verleden zal hem niet worden aangerekend; maar van u zal Ik zijn bloed opvorderen.
21σὺ δὲ ἐὰν διαστείλῃ τῷ δικαίῳ τοῦ μὴ ἁμαρτεῖν, καὶ αὐτὸς μὴ ἁμάρτῃ, ὁ δίκαιος ζωῇ ζήσεται, ὅτι διεστείλω αὐτῷ, καὶ σὺ τὴν σεαυτοῦ ψυχὴν ρύσῃ.
21Hebt ge daarentegen den rechtvaardige wèl gewaarschuwd, dat hij niet zondigen moest, en zondigt de rechtvaardige ook niet, dan zal hij zeker in leven blijven, omdat hij zich heeft laten gezeggen, en gij hebt uw leven gered.
22Καὶ ἐγένετο ἐπ᾿ ἐμὲ χεὶρ Κυρίου, καὶ εἶπε πρός με· ἀνάστηθι, καὶ ἔξελθε εἰς τὸ πεδίον, καὶ ἐκεῖ λαληθήσεται πρός σε.
22Eens raakte daar de hand van Jahweh mij aan, en Hij sprak tot mij: Sta op, en ga naar de vallei: daar zal Ik met u spreken.
23καὶ ἀνέστην καὶ ἐξῆλθον πρὸς τὸ πεδίον, καὶ ἰδοὺ ἐκεῖ δόξα Κυρίου εἱστήκει καθὼς ἡ ὅρασις καὶ καθὼς ἡ δόξα Κυρίου, ἣν εἶδον ἐπὶ τοῦ ποταμοῦ τοῦ Χοβάρ, καὶ πίπτω ἐπὶ πρόσωπόν μου.
23Ik stond op, en ging naar de vallei; en zie: daar stond de heerlijkheid van Jahweh, zoals ik haar aan de Kebar-rivier had gezien. Ik viel plat ter aarde neer;
24καὶ ἦλθεν ἐπ᾿ ἐμὲ πνεῦμα καὶ ἔστησέ με ἐπὶ τοὺς πόδας μου, καὶ ἐλάλησε πρός με καὶ εἶπέ μοι· εἴσελθε καὶ ἐγκλείσθητι ἐν μέσῳ τοῦ οἴκου σου.
24maar er kwam een geest in mij, die mij recht overeind deed staan. En Hij zeide tot mij: Ga u in uw huis opsluiten;
25καὶ σύ, υἱὲ ἀνθρώπου, ἰδοὺ δέδονται ἐπὶ σὲ δεσμοί, καὶ δήσουσί σε ἐν αὐτοῖς, καὶ οὐ μὴ ἐξέλθῃς ἐκ μέσου αὐτῶν.
25want, mensenkind, men zal u banden aanleggen en u daarmee vastbinden, zodat ge u niet onder hen kunt begeven.
26καὶ τὴν γλῶσσάν σου συνδήσω, καὶ ἀποκωφωθήσῃ, καὶ οὐκ ἔσῃ αὐτοῖς εἰς ἄνδρα ἐλέγχοντα, διότι οἶκος παραπικραίνων ἐστί.
26Uw tong zal Ik vastkleven aan uw verhemelte, zodat ge stom wordt, en voor hen geen strafprediker meer kunt zijn; want ze zijn een onhandelbaar volk.
27καὶ ἐν τῷ λαλεῖν με πρὸς σὲ ἀνοίξω τὸ στόμα σου, καὶ ἐρεῖς πρὸς αὐτούς· τάδε λέγει Κύριος· ὁ ἀκούων ἀκουέτω, καὶ ὁ ἀπειθῶν ἀπειθήτω, διότι οἶκος παραπικραίνων ἐστί.
27Maar wanneer Ik tot u spreek, zal Ik uw mond openen, en ge zult tot hen zeggen: Zo spreekt Jahweh, de Heer! Die dan horen wil, hore, en die het niet wil, moet het maar laten; want ze zijn een onhandelbaar volk.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.