ΙΕΖΕΚΙΗΛ 14
Septuagint (Greek Old Testament), second editionOriginal language
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1ΚΑΙ ἦλθον πρός με ἄνδρες ἐκ τῶν πρεσβυτέρων τοῦ λαοῦ Ἰσραὴλ καὶ ἐκάθησαν πρὸ προσώπου μου.
1Eens kwamen enigen van Israëls oudsten naar mij toe; en toen ze voor mij zaten,
2καὶ ἐγένετο πρός με λόγος Κυρίου λέγων·
2werd het woord van Jahweh tot mij gericht:
3υἱὲ ἀνθρώπου, οἱ ἄνδρες οὗτοι ἔθεντο τὰ διανοήματα αὐτῶν ἐπὶ τὰς καρδίας αὐτῶν καὶ τὴν κόλασιν τῶν ἀδικιῶν αὐτῶν ἔθηκαν πρὸ προσώπου αὐτῶν· εἰ ἀποκρινόμενος ἀποκριθῶ αὐτοῖς;
3Mensenkind, deze mensen dragen hun schandgoden hoog in het hart, en ze houden de ogen niet af van wat hen tot zonde prikkelt; en zou Ik Mij dan door hèn laten ondervragen?
4διὰ τοῦτο λάλησον αὐτοῖς καὶ ἐρεῖς πρὸς αὐτούς· τάδε λέγει Κύριος· ἄνθρωπος ἄνθρωπος ἐκ τοῦ οἴκου Ἰσραήλ, ὃς ἂν θῇ τὰ διανοήματα αὐτοῦ ἐπὶ τὴν καρδίαν αὐτοῦ καὶ τὴν κόλασιν τῆς ἀδικίας αὐτοῦ τάξῃ πρὸ προσώπου αὐτοῦ καὶ ἔλθῃ πρὸς τὸν προφήτην, ἐγὼ Κύριος ἀποκριθήσομαι αὐτῷ ἐν οἷς ἐνέχεται ἡ διάνοια αὐτοῦ,
4Spreek daarom tot hen en zeg hun: Zo spreekt Jahweh, de Heer! Alwie uit het huis van Israël zijn schandgoden hoog in het hart draagt, en zijn ogen niet afhoudt van wat hem tot zonde prikkelt, en dan toch naar den profeet durft lopen: dien zal Ik, Jahweh, van antwoord dienen, ondanks zijn talrijke schandgoden;
5ὅπως πλαγιάση τὸν οἶκον τοῦ Ἰσραὴλ κατὰ τὰς καρδίας αὐτῶν τὰς ἀπηλλοτριωμένας ἀπ᾿ ἐμοῦ ἐν τοῖς ἐνθυμήμασιν αὐτῶν.
5om het hart te wonden van Israëls huis, van allen, die voor hun schandgoden van Mij zijn weggelopen.
6διὰ τοῦτο εἰπὸν πρὸς τὸν οἶκον τοῦ Ἰσραήλ· τάδε λέγει Κύριος Κύριος· ἐπιστράφητε καὶ ἀποστρέψατε ἀπὸ τῶν ἐπιτηδευμάτων ὑμῶν καὶ ἀπὸ πασῶν τῶν ἀσεβειῶν ὑμῶν καὶ ἐπιστρέψατε τὰ πρόσωπα ὑμῶν.
6Daarom moet ge tot het huis van Israël zeggen: Zo spreekt Jahweh, de Heer! Bekeert u, komt terug van al uw schandgoden, wendt uw gelaat af van al uw gruwelen.
7διότι ἄνθρωπος ἄνθρωπος ἐκ τοῦ οἴκου Ἰσραὴλ καὶ ἐκ τῶν προσηλύτων τῶν προσηλυτευόντων ἐν τῷ Ἰσραήλ, ὃς ἂν ἀπαλλοτριωθῇ ἀπ᾿ ἐμοῦ καὶ θῆται τὰ ἐνθυμήματα αὐτοῦ ἐπὶ τὴν καρδίαν αὐτοῦ καὶ τὴν κόλασιν τῆς ἀδικίας αὐτοῦ τάξῃ πρὸ προσώπου αὐτοῦ καὶ ἔλθῃ πρὸς τὸν προφήτην τοῦ ἐπερωτῆσαι αὐτὸν ἐν ἐμοί, ἐγὼ Κύριος ἀποκριθήσομαι αὐτῷ ἐν ᾧ ἐνέχεται ἐν αὐτῷ.
7Want alwie uit Israëls huis, of van de vreemdelingen die in Israël verblijven, zich van Mij afwendt, zijn schandgoden hoog in het hart draagt, en zijn ogen niet afhoudt van wat hem tot zonde prikkelt, en dan toch naar den profeet durft lopen, om hem naar Mij te ondervragen:dien zal Ik, Jahweh, zelf van antwoord dienen!
8καὶ στηριῶ τὸ πρόσωπόν μου ἐπὶ τὸν ἄνθρωπον ἐκεῖνον καὶ θήσομαι αὐτὸν εἰς ἔρημον καὶ εἰς ἀφανισμὸν καὶ ἐξαρῶ αὐτὸν ἐκ μέσου τοῦ λαοῦ μου, καὶ ἐπιγνώσεσθε ὅτι ἐγὼ Κύριος.
8Zo iemand zal Ik in het oog blijven houden, hem stellen tot een voorbeeld en spreekwoord, en hem uit de kring van mijn volk verbannen. Zo zult ge erkennen, dat Ik Jahweh ben!
9καὶ ὁ προφήτης ἐὰν πλανηθῇ καὶ λαλήσῃ, ἐγὼ Κύριος πεπλάνηκα τὸν προφήτην ἐκεῖνον, καὶ ἐκτενῶ τὴν χεῖρά μου ἐπ᾿ αὐτόν, καὶ ἀφανιῶ αὐτόν ἐκ μέσου τοῦ λαοῦ μου Ἰσραήλ.
9En mocht de profeet zich laten verleiden, om zelf een uitspraak te doen, dan heb Ik, Jahweh, dien profeet verleid. Ik zal mijn hand tegen hem uitstrekken, en hem uit de kring van mijn volk Israël verstoten.
10καὶ λήψονται τὴν ἀδικίαν αὐτῶν κατὰ τὸ ἀδίκημα τοῦ ἐπερωτῶντος, καὶ κατὰ τὸ ἀδίκημα ὁμοίως τῷ προφήτῃ ἔσται,
10Beiden zullen zij schuldig zijn: de vrager zal even schuldig zijn als de profeet.
11ὅπως μὴ πλανᾶται ἔτι ὁ οἶκος τοῦ Ἰσραὴλ ἀπ᾿ ἐμοῦ, καὶ ἵνα μὴ μιαίνωνται ἔτι ἐν πᾶσι τοῖς παραπτώμασιν αὐτῶν· καὶ ἔσονταί μοι εἰς λαόν, καὶ ἐγὼ ἔσομαι αὐτοῖς εἰς Θεόν, λέγει Κύριος.
11Zo zal het huis van Israël niet langer van Mij afdwalen, en zich door al zijn wandaden niet langer bezoedelen; maar zij zullen Mij een volk, en Ik voor hen een God zijn, spreekt Jahweh, de Heer.
12Καὶ ἐγένετο λόγος Κυρίου πρός με λέγων·
12Dit woord van Jahweh werd tot mij gericht:
13υἱὲ ἀνθρώπου, γῆ ἐὰν ἁμάρτῃ μοι τοῦ παραπεσεῖν παράπτωμα καὶ ἐκτενῶν τὴν χεῖρά μου ἐπ᾿ αὐτὴν καὶ συντρίψω αὐτῆς στήριγμα ἄρτου καὶ ἐξαποστελῶ ἐπ᾿ αὐτὴν λιμὸν καὶ ἐξαρῶ ἐξ αὐτῆς ἄνθρωπον καὶ κτήνη·
13Mensenkind, gesteld: een land heeft door trouweloze afval tegen Mij gezondigd, en Ik strek mijn hand ertegen uit, breek er de broodstok, zend er hongersnood heen, en verdelg er mens en vee;
14καὶ ἐὰν ὦσιν οἱ τρεῖς ἄνδρες οὗτοι ἐν μέσῳ αὐτῆς, Νῶε καὶ Δανιὴλ καὶ Ἰώβ, αὐτοὶ ἐν τῇ δικαιοσύνῃ αὐτῶν σωθήσονται, λέγει Κύριος.
14en gesteld ook, dat deze drie mannen er zouden wonen: Noë, Daniël en Job; dan zouden zij, maar ook zij alleen, door hun rechtvaardigheid hun leven redden, zegt Jahweh, de Heer!
15ἐὰν καὶ θηρία πονηρὰ ἐπάγω ἐπὶ τὴν γῆν καὶ τιμωρήσομαι αὐτὴν καὶ ἔσται εἰς ἀφανισμὸν καὶ οὐκ ἔσται ὁ διοδεύων ἀπὸ προσώπου τῶν θηρίων,
15Of Ik laat wilde dieren op dat land los, die het ontvolken, en het wordt zó eenzaam, dat uit vrees voor de dieren niemand het durft betreden;
16καὶ οἱ τρεῖς ἄνδρες οὗτοι ἐν μέσῳ αὐτῆς ὦσι, ζῶ ἐγώ, λέγει Κύριος, εἰ υἱοὶ ἢ θυγατέρες σωθήσονται, ἀλλ᾿ ἢ αὐτοὶ μόνοι σωθήσονται, ἡ δὲ γῆ ἔσται εἰς ὄλεθρον.
16en die drie mannen zouden er wonen: zowaar Ik leef, zegt Jahweh, de Heer, geen zoon of dochter zouden ze redden; zij alleen zouden ontkomen, en het land zou een wildernis worden.
17ἢ καὶ ρομφαίαν ἐὰν ἐπάγω ἐπὶ τὴν γῆν ἐκείνην καὶ εἴπω· ρομφαία διελθάτω διὰ τῆς γῆς, καὶ ἐξαρῶ ἐξ αὐτῆς ἄνθρωπον καὶ κτῆνος,
17Of Ik kom met een zwaard op dat land af, en roep: “Zwaard, trek door het land!” en Ik vaag er mens en dier uit weg;
18καὶ οἱ τρεῖς ἄνδρες οὗτοι ἐν μέσῳ αὐτῆς, ζῶ ἐγώ, λέγει Κύριος, οὐ μὴ ρύσωνται υἱοὺς οὐδὲ θυγατέρας, ἀλλ᾿ ἢ αὐτοὶ μόνοι σωθήσονται.
18en die drie mannen zouden er wonen: zowaar Ik leef, zegt Jahweh, de Heer, geen zoon of dochter zouden ze redden; zij alleen zouden ontkomen.
19ἢ καὶ θάνατον ἐπαποστείλω ἐπὶ τὴν γῆν ἐκείνην καὶ ἐκχεῶ τὸν θυμόν μου ἐπ᾿ αὐτὴν ἐν αἵματι τοῦ ἐξολοθρεῦσαι ἐξ αὐτῆς ἄνθρωπον καὶ κτῆνος,
19Of Ik laat een pest op dat land los en stort er mijn bloedige gramschap op uit, om mens en dier eruit te verdelgen;
20καὶ Νῶε καὶ Δανιὴλ καὶ Ἰὼβ ἐν μέσῳ αὐτῆς, ζῶ ἐγώ, λέγει Κύριος, ἐὰν υἱοὶ ἢ θυγατέρες ὑπολειφθῶσιν, αὐτοὶ ἐν τῇ δικαιοσύνῃ αὐτῶν ρύσονται τὰς ψυχὰς αὐτῶν.
20en Noë, Daniël en Job zouden er wonen: zowaar Ik leef, spreekt Jahweh, de Heer, geen zoon of dochter zouden ze redden; zij alleen zouden om hun rechtvaardigheid hun leven behouden.
21τάδε λέγει Κύριος· ἐὰν δὲ καὶ τὰς τέσσαρας ἐκδικήσεις μου τὰς πονηράς, ρομφαίαν καὶ λιμὸν καὶ θηρία πονηρὰ καὶ θάνατον, ἐξαποστείλω ἐπὶ Ἱερουσαλὴμ τοῦ ἐξολοθρεῦσαι ἐξ αὐτῆς ἄνθρωπον καὶ κτῆνος
21Want dit zegt Jahweh, de Heer: Als Ik echter mijn ergste strafgerichten: zwaard, hongersnood, wilde dieren en pest op Jerusalem heb losgelaten, om er mens en dier uit te verdelgen,
22καὶ ἰδοὺ ὑπολελειμμένοι ἐν αὐτῇ οἱ ἀνασεσωσμένοι αὐτῆς, οἳ ἐξάγουσιν ἐξ αὐτῆς υἱοὺς καὶ θυγατέρας, ἰδοὺ αὐτοὶ ἐκπορεύονται πρὸς ὑμᾶς, καὶ ὄψεσθε τὰς ὁδοὺς αὐτῶν καὶ τὰ ἐνθυμήματα αὐτῶν καὶ μεταμεληθήσεσθε ἐπὶ τὰ κακά, ἃ ἐπήγαγον ἐπὶ Ἱερουσαλήμ, πάντα τὰ κακὰ ἃ ἐπήγαγαν ἐπ᾿ αὐτήν,
22dan zal er toch een rest uit overblijven, die zonen en dochters meebrengt en naar u toe komt. Als ge dan hun gedrag en hun gedoe aanschouwt, zult ge berusten in het kwaad, dat Ik Jerusalem aandeed, in alles wat Ik het heb berokkend.
23καὶ παρακαλέσουσιν ὑμᾶς, διότι ὄψεσθε τὰς ὁδοὺς αὐτῶν καὶ τὰ ἐνθυμήματα αὐτῶν, καὶ ἐπιγνώσεσθε διότι οὐ μάτην πεποίηκα πάντα, ὅσα ἐποίησα ἐν αὐτῇ, λέγει Κύριος.
23Zij zullen u doen berusten, als ge hun gedrag en hun gedoe aanschouwt; en ge zult erkennen, dat Ik niet zonder reden gedaan heb, wat Ik daar deed, spreekt Jahweh, de Heer.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.