1 Reis 5
Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Hirão, rei de Tiro, enviou seus servos a Salomão, pois tinha ouvido que o haviam ungido rei em lugar de seu pai, e Hirão sempre amou a Davi.
1Toen Chirom, de koning van Tyrus, gehoord had, dat Salomon in plaats van zijn vader David koning was geworden, zond hij hem een gezantschap; want hij was altijd met David bevriend geweest.
2Salomão mandou dizer a Hirão:
2Hierop zond Salomon aan Chirom deze boodschap:
3“Você sabe que Davi, meu pai, não pôde edificar uma casa para o nome do SENHOR, seu Deus, por causa das guerras que o cercavam de todos os lados, até que o SENHOR colocou os seus inimigos debaixo das plantas dos seus pés.
3Gij weet, dat mijn vader David voor de Naam van Jahweh, zijn God, geen tempel heeft kunnen bouwen wegens de oorlogen, waarmee men hem van alle kanten belaagde, totdat Jahweh zijn vijanden onder zijn voetzolen neerlegde.
4Mas agora o SENHOR, meu Deus, me deu descanso de todos os lados. Não há inimigo nem adversidade.
4Nu echter heeft Jahweh, mijn God, mij van alle kanten rust gegeven; er is geen tegenstander meer en er dreigt geen gevaar.
5Eis que tenho o propósito de edificar uma casa para o nome do SENHOR, meu Deus, como o SENHOR falou a Davi, meu pai, dizendo: ‘Seu filho, que colocarei no seu trono em seu lugar, edificará a casa para o meu nome.’
5Daarom heb ik besloten, voor de Naam van Jahweh, mijn God, een tempel te bouwen, zoals Jahweh aan mijn vader David gezegd heeft: Uw zoon, die Ik in uw plaats op uw troon zal zetten, zal een tempel bouwen voor mijn Naam.
6Agora, portanto, ordene que cortem para mim cedros do Líbano. Meus servos estarão com os seus servos; e eu lhe pagarei o salário dos seus servos de acordo com tudo o que você disser. Pois você sabe que não há ninguém entre nós que saiba cortar madeira como os sidônios.”
6Laat daarom ceders voor mij vellen op de Libanon; mijn werkvolk kan zich bij het uwe voegen. Ik zal u het loon voor uw volk betalen, zoveel gij verlangt; want gij weet, dat er bij ons niemand is, die bomen kan vellen zoals de Sidoniërs.
7Quando Hirão ouviu as palavras de Salomão, alegrou-se muito e disse: “Bendito seja o SENHOR hoje, que deu a Davi um filho sábio para governar sobre este grande povo.”
7Toen Chirom dit verzoek van Salomon vernam, was hij zeer verheugd, en zei: Gezegend zij Jahweh, de God van Israël, omdat Hij aan David een wijzen zoon gegeven heeft over dit talrijke volk.
8Hirão mandou dizer a Salomão: “Ouvi a mensagem que você me enviou. Farei tudo o que você deseja a respeito da madeira de cedro e da madeira de cipreste.
8En hij liet Salomon antwoorden: Ik heb uw boodschap vernomen. Wat de ceder- en cypressenstammen betreft, zal ik geheel aan uw verlangen voldoen.
9Meus servos as trarão do Líbano para o mar. Eu as armarei em jangadas para irem pelo mar até o lugar que você me indicar, e farei com que sejam desmanchadas lá, e você as receberá. Você cumprirá o meu desejo, fornecendo alimento para a minha casa.”
9Mijn volk zal ze van de Libanon naar zee brengen. Daarna zal ik ze aan vlotten over zee laten vervoeren naar de plaats, die gij mij zult aanwijzen. Daar zal ik ze uit elkaar laten slaan, en kunt gij ze in ontvangst nemen. Voldoe gij nu ook aan mijn verlangen en lever levensmiddelen voor mijn hof.
10Assim Hirão deu a Salomão madeira de cedro e madeira de cipreste de acordo com todo o seu desejo.
10Zo leverde Chirom aan Salomon zoveel ceder- en cypressenstammen, als hij verlangde,
11Salomão deu a Hirão vinte mil coros de trigo para alimento de sua casa, e vinte coros de azeite puro. Salomão dava isso a Hirão ano após ano.
11Salomon leverde aan Chirom twintig duizend kor tarwe en twintig duizend kor fijne olijfolie tot onderhoud van zijn hof. Ieder jaar leverde Salomon dit aan Chirom.
12O SENHOR deu sabedoria a Salomão, como lhe havia prometido. Houve paz entre Hirão e Salomão, e os dois fizeram um tratado entre si.
12En daar Jahweh volgens zijn belofte aan Salomon wijsheid had geschonken, heerste er vrede tussen Chirom en Salomon en sloten zij samen een verbond.
13O rei Salomão recrutou trabalhadores forçados de todo o Israel; e o recrutamento foi de trinta mil homens.
13Nu liet koning Salomon uit heel Israël verplichte arbeiders opkomen; de lichting bedroeg dertig duizend man.
14Ele os enviou ao Líbano, dez mil por mês, em turnos: passavam um mês no Líbano e dois meses em casa; e Adonirão estava encarregado dos homens sujeitos a trabalhos forçados.
14Elke maand zond hij er tien duizend naar de Libanon; één maand bleven ze dan op de Libanon en twee maanden waren ze thuis. De leider van de arbeidsdienst was Adoniram.
15Salomão tinha setenta mil carregadores e oitenta mil cortadores de pedras nas montanhas,
15Verder had Salomon zeventig duizend lastdragers en tachtig duizend steenhouwers in het gebergte,
16além dos oficiais principais de Salomão que estavam encarregados da obra: três mil e trezentos que comandavam o povo que trabalhava na obra.
16behalve de drieduizend driehonderd hoofdopzichters over de arbeid, die toezicht hielden op het volk, dat het werk verrichtte.
17O rei ordenou, e eles extraíram grandes pedras, pedras de grande valor, para lançar os alicerces da casa com pedras lavradas.
17Op last van den koning werden er grote gave stenen uitgehouwen, om met gelijkgekapte stenen de grondslagen van de tempel te vormen.
18Os construtores de Salomão, os construtores de Hirão e os giblitas as cortaram, e prepararam a madeira e as pedras para edificar a casa.
18De bouwlieden van Salomon en Chirom en de Giblieten hieuwen ze op maat, en maakten zowel de stenen als het hout pasklaar voor de bouw van de tempel.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.