1 Reis 9
Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Quando Salomão terminou a construção da casa do SENHOR, da casa do rei e de tudo o que Salomão desejava e se agradou em fazer,
1Toen Salomon de tempel van Jahweh, het koninklijk paleis en alle andere ontworpen gebouwen voltooid had,
2o SENHOR apareceu a Salomão pela segunda vez, como havia aparecido a ele em Gibeom.
2verscheen Jahweh hem, evenals vroeger te Gibon.
3O SENHOR lhe disse: “Ouvi a sua oração e a sua súplica que você fez diante de mim. Santifiquei esta casa que você construiu, para colocar ali o meu nome para sempre; e os meus olhos e o meu coração estarão ali perpetuamente.
3En Hij sprak tot hem: Ik heb de smeekbede, die gij tot Mij opzondt, gehoord en de tempel, die gij gebouwd hebt, geheiligd. Mijn Naam zal Ik er voor eeuwig doen wonen, mijn ogen en mijn hart zullen er altijd op gericht zijn.
4Quanto a você, se andar diante de mim como andou Davi, seu pai, com integridade de coração e com retidão, fazendo de acordo com tudo o que lhe ordenei, e guardar os meus estatutos e as minhas ordenanças,
4Wanneer gij, juist als David, uw vader, in oprechtheid en onschuld des harten voor mijn aanschijn blijft wandelen, volgens mijn geboden leeft en mijn wetten en voorschriften onderhoudt,
5então estabelecerei o trono do seu reino sobre Israel para sempre, como prometi a Davi, seu pai, dizendo: 'Nunca lhe faltará um homem sobre o trono de Israel.'
5dan zal Ik uw koningstroon over Israël voor altijd bevestigen, zoals Ik aan uw vader David beloofd heb, toen Ik hem zeide: “Nooit zal het u aan een man op de troon van Israël ontbreken!”
6Mas, se você ou os seus filhos se desviarem de me seguir, e não guardarem os meus mandamentos e os meus estatutos que coloquei diante de vocês, mas forem e servirem a outros deuses e os adorarem,
6Maar wanneer gij en uw zonen u van Mij afkeert, de geboden en wetten, die Ik u gaf, niet meer onderhoudt, en andere goden gaat dienen en u voor hen neerwerpt,
7então eliminarei Israel da terra que lhes dei; e lançarei para longe da minha presença esta casa, que santifiquei para o meu nome; e Israel será um provérbio e um motivo de zombaria entre todos os povos.
7dan zal Ik Israël wegvagen uit het land, dat Ik hun heb gegeven, en de tempel, die Ik voor mijn Naam heb geheiligd, verwerpen. Israël zal een schimp en een schande worden voor alle volkeren,
8Embora esta casa seja tão exaltada, todo aquele que passar por ela ficará espantado e assobiará; e dirão: 'Por que o SENHOR fez isso a esta terra e a esta casa?'
8en deze tempel een puinhoop, waarbij iedereen, die voorbijgaat, blijft stilstaan en sist. En wanneer men zal vragen: Waarom heeft Jahweh zó met dit land en met deze tempel gedaan,
9e responderão: 'Porque abandonaram o SENHOR, seu Deus, que tirou os seus pais da terra do Egito, e se apegaram a outros deuses, e os adoraram, e os serviram. Por isso o SENHOR trouxe sobre eles todo este mal.'”
9dan zal het antwoord zijn: Omdat zij Jahweh, hun God, die hen uit Egypte voerde, hebben verlaten, om zich aan andere goden te hechten, zich voor hen neer te werpen en hen te dienen; daarom heeft Jahweh al deze ellende over hen gebracht!
10Ao fim de vinte anos, nos quais Salomão havia construído as duas casas, a casa do SENHOR e a casa do rei
10Toen Salomon na verloop van twintig jaar de beide bouwwerken, de tempel van Jahweh en het koninklijk paleis, had voltooid,
11(ora, Hirão, rei de Tiro, havia fornecido a Salomão madeira de cedro e de cipreste, e ouro, segundo todo o seu desejo), o rei Salomão deu a Hirão vinte cidades na terra da Galileia.
11schonk hij twintig steden in Galilea aan Chirom, den koning van Tyrus, omdat deze hem cederen cypressenhout en goud geleverd had, zoveel hij wenste.
12Hirão saiu de Tiro para ver as cidades que Salomão lhe havia dado; e elas não lhe agradaram.
12Maar toen Chirom er van Tyrus heen ging, om de steden te zien, die Salomon hem geschonken had, was hij er niet tevreden over,
13Ele disse: “Que cidades são estas que você me deu, meu irmão?” Ele as chamou de terra de Cabul até o dia de hoje.
13en zeide: Zijn dat nu de steden, die ge mij hebt gegeven, mijn broeder? En hij noemde ze het land Kaboel; zo heten ze tot op deze dag.
14Hirão enviou ao rei cento e vinte talentos de ouro.
14Toch zond Chirom nog honderd twintig talenten goud aan den koning.
15Esta é a razão do trabalho forçado que o rei Salomão recrutou: para construir a casa do SENHOR, a sua própria casa, o Milo, a muralha de Jerusalém, Hazor, Megido e Gezer.
15Ziehier, hoe het stond met de verplichte arbeiders, die koning Salomon liet opkomen voor de bouw van de tempel van Jahweh, zijn eigen paleis, het Millo, de muur van Jerusalem en van Chasor, Megiddo en Gézer.
16O faraó, rei do Egito, havia subido, tomado Gezer, queimado a cidade a fogo, matado os cananeus que moravam na cidade, e a dado como dote de casamento à sua filha, esposa de Salomão.
16Farao, de koning van Egypte, was opgetrokken en had Gézer ingenomen, het in brand gestoken en de Kanaänieten, die er woonden, gedood. Nu had hij de stad als huwelijksgift geschonken aan zijn dochter, de vrouw van Salomon.
17Salomão construiu na terra Gezer, Bete-Horom Baixa,
17Daarom herbouwde Salomon Gézer. Verder bouwde hij Laag-Bet-Choron,
18Baalate, Tamar no deserto,
18Baälat en Tamar in de woestijn van Juda;
19todas as cidades-armazém que Salomão tinha, as cidades para os seus carros, as cidades para os seus cavaleiros, e tudo o que Salomão desejou construir para o seu prazer em Jerusalém, no Líbano e em toda a terra do seu domínio.
19bovendien nog al zijn voorraadsteden, wagensteden en ruitersteden en alle ontworpen gebouwen in Jerusalem, op de Libanon en in geheel zijn rijksgebied.
20Quanto a todo o povo que restou dos amorreus, dos hititas, dos ferezeus, dos heveus e dos jebuseus, que não eram dos filhos de Israel—
20Heel de overgebleven bevolking der Amorieten, Chittieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jeboesieten, die niet tot de Israëlieten behoorden, liet Salomon voor de arbeidsdienst opkomen.
21os seus filhos que restaram depois deles na terra, aos quais os filhos de Israel não foram capazes de destruir totalmente—destes Salomão levantou uma leva de servos para trabalho forçado, até o dia de hoje.
21Het waren de nakomelingen van hen, die in het land waren overgebleven, en die de Israëlieten niet hadden kunnen uitroeien. Zo is het gebleven tot op deze dag.
22Mas dos filhos de Israel Salomão não fez servos; pois eles eram os homens de guerra, seus servos, seus príncipes, seus capitães, e os comandantes dos seus carros e dos seus cavaleiros.
22Maar van de Israëlieten maakte hij niemand tot arbeider; zij waren zijn soldaten, hovelingen, legeroversten, bevelvoerders, wagenmenners en ruiters.
23Estes eram os quinhentos e cinquenta oficiais chefes que estavam sobre a obra de Salomão, que governavam sobre o povo que trabalhava na obra.
23Tot hen behoorden ook de vijf honderd vijftig hoofdopzichters, die over het werk van Salomon stonden, en toezicht hielden over het volk, dat het werk moest verrichten.
24Mas a filha do faraó subiu da cidade de Davi para a sua casa, que Salomão havia construído para ela. Então ele construiu o Milo.
24Toen de dochter van Farao uit de Davidstad het paleis had betrokken, dat Salomon voor haar had gebouwd, trok hij het Millo op.
25Três vezes por ano, Salomão oferecia holocaustos e ofertas pacíficas sobre o altar que ele construiu para o SENHOR, queimando incenso com eles no altar que estava diante do SENHOR. Assim ele terminou a casa.
25En nadat Salomon de tempel voltooid had, offerde hij drie maal per jaar brand- en vredeoffers op het altaar, dat hij voor Jahweh had gebouwd, en brandde hij reukwerk voor het aanschijn van Jahweh.
26O rei Salomão fez uma frota de navios em Eziom-Geber, que fica perto de Elate, na margem do mar Vermelho, na terra de Edom.
26Ook rustte Salomon een vloot uit te Esjon-Géber bij Elat, aan de oever van de Rode Zee, in het land van Edom.
27Hirão enviou na frota os seus servos, marinheiros que tinham conhecimento do mar, com os servos de Salomão.
27Op deze vloot plaatste Chirom zijn ervaren scheepslieden naast het scheepsvolk van Salomon.
28Eles foram a Ofir, e buscaram de lá ouro, quatrocentos e vinte talentos, e o trouxeram ao rei Salomão.
28Zij gingen naar Ofir, waar ze vier honderd twintig talenten goud haalden, dat ze bij koning Salomon brachten.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.