Men Pilipi 2
Kadede Kap (Pohnpeian New Testament and Psalms)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1MA panapanau eu ren Krijtuj mia, ma kamait en limpok, ma jau pena en Nen, ma limpok melel, o kadek jan nan nen omail,
1Wanneer dan een vermaning in Christus of een liefderijk woord, geestesgemeenschap, hartelijkheid of deernis nog vat op u heeft,
2Komail ap kaunjokela ai peren ni omail lamalam ta pot, o limpok ta ieu, o min ta ieu, o inon ion jon ta ieu,
2maakt dan mijn vreugde volkomen door eensgezind te zijn, de onderlinge liefde te bewaren, en eenstemmig hetzelfde na te streven;
3O der aklemai o der wia meakot ni aklapalap a ni karakarak, amen en kakaki amen mo a.
3door niets uit partijzucht of ijdele glorie te doen, maar ootmoedig een ander hoger te achten dan uzelf;
4Amen amen ender apwali pein a dipijou kan, a amen amen en apwali en akai ar dipijou.
4door niet alleen op uw eigen belang te letten, maar ook op dat van anderen bedacht te zijn.
5Pwe i tiak en mi re omail, me pil mi ren lejuj Krijtuj.
5L at dezelfde gezindheid onder u heersen, als ook in Christus Jesus was.
6Me mom en Kot, ap jota men ale on pein i en dueta Kot.
6Want hoewel Hij Gods gestalte bezat en zijn gelijkheid met God geen roof hoefde achten,
7Ap akamaleki pein i o wiala ladu men o jon en aramaj akan.
7heeft Hij toch er Zich van ontdaan, door de gestalte aan te nemen van een slaaf en gelijk te worden aan de mensen.
8O kotin janjaleda ni mom en aramaj, o kajapwilidi pein i, o ni a kotin peiki on lel mela, ei lel mela ni lopu.
8En toen Hij uiterlijk als een mens werd bevonden, heeft Hij Zich nog vernederd, door gehoorzaam te worden tot de dood, ja, tot de dood van het kruis.
9Nan i me Kot kotin kajapwilada i waja ileile, o kotiki on i mar eu, jikida jan mar karoj.
9Maar daarom dan ook heeft God Hem verheven en Hem de Naam gegeven hoog boven alle namen,
10Pwe karoj en kelepukidi ni mar en Iejuj, me mi nanlan o nin jappa o pan jappa.
10opdat in de Naam van Jesus iedere knie zich zou buigen in de hemel, op aarde en onder de aarde,
11O lo karoj en kadedeki, me Iejuj Krijtuj me Kaun pwen kalimmada Kot Jam.
11en iedere tong zou belijden tot glorie van God den Vader, dat Jesus Christus de Heer is.
12Ari kompoke pai kan, duen omail okoke kokodo, kaidin ni omail wokaren ia do, a me jikidar anjau wet ni ai doo, en pere ki, o lomwiniki kadokedoke kamaur pamail.
12Mijn geliefden, omdat gij altijd gehoorzaam zijt, weest het dan ook niet alleen, wanneer ik bij u ben, maar thans bij mijn afwezigheid nog veel meer. Bewerkt uw heil met vrezen en beven;
13Pwe Kot me kotin wiada karoj nan lol omail: Inon o kapwaiada duen kupur a.
13want God is het, die naar zijn welbehagen in u het willen uitwerkt en het handelen.
14Komail wiada meakaroj jo lipanede o jo peikajal.
14Doet alles zonder morren en aarzelen,
15Pwe komail en pun o melel o jeri en Kot akan, me jo lol riapot nan pun en di jued o japun, me komail jer janjal nan pun arail, dueta jer en jappa kan.
15opdat gij onberispelijk moogt zijn en ongerept, vlekkeloze kinderen van God temidden van een krom en verdraaid geslacht, waaronder gij schittert als sterren in het heelal.
16Kajanjaleda majan en maur, pwen kapin pa i ni ran en Krijtuj, pwe i ender tan mal de dodok mal.
16Houdt vast aan het woord des levens, opdat ik op de Dag van Christus kan roemen, dat ik niet tevergeefs heb gelopen of tevergeefs heb gezwoegd.
17A ma i dueta mairon urak eu wudoki on mairon o dodok en omail pojon, i kin peren kida, o i pan ian komail karoj pereperen.
17En al word ik dan ook als plengoffer vergoten bij de offerande en de eredienst van uw geloof, dan blijf ik me toch nog verheugen, en mij met u allen verblijden.
18I me komail en pil perenki o komail en ian ia pereperen.
18En ook gij moet u er over verheugen, en blijde met me zijn.
19A i kaporoporeki Kaun Iejuj, me i pan madan kadar won komail Timoteuj, pwe i en pil injenemau, i lao aja ir omail.
19In den Heer Jesus hoop ik, Timóteus spoedig tot u te zenden, om ook zelf te worden verkwikt, wanneer ik verneem, hoe het u gaat.
20Pwe jota amen mi re i, me dueta i, me kin apwali komail melel.
20Want ik heb niemand, die zo goed is gestemd en die zo trouw uw zaak behartigt.
21Pwe karoj kin rapaki me pein ar, a kaidin me japwilim en Krijtuj.
21Want allen zoeken hun eigen belang, niet de belangen van Christus Jesus.
22A komail aja, me a tiak me pun, pwe a jauaja ia ni ronamau dueta jeri men on a papa.
22Maar gij weet, dat zijn trouw is beproefd, en dat hij voor het Evangelie met mij heeft gezwoegd, als een kind met zijn vader.
23I me i kaporoporeki, me i pan kadarala eden, i lao aja ir ai.
23Ik hoop hem dus te zenden, zodra ik de uitslag van mijn proces kan voorzien.
24A i liki Kaun o, me pein nai pil pan pwara wei madan.
24En ik vertrouw in den Heer, dat ik dan ook zelf spoedig zal komen.
25A i lamedar, me mau en kadarlan i komail ri ai Epaprotuj me ai warok ni ai dodok o ai peipei, iei omail men en kadar, o me papa ia ni ai jamama.
25Ik heb het intussen nodig geacht, Epafroditus naar u toe te zenden: mijn broeder, medearbeider en medestrijder; uw bode, die me van het nodige heeft voorzien.
26Pwe komail aja, a non kin komail melel, o a patauki melel omail ronadar, me a jomau.
26Want hij verlangt naar u allen, en is een beetje bekommerd, omdat gij van zijn ziekte gehoord hebt.
27Melel, a jomau meid laud, koren ion mela. A Kot me kotin kupuredar i; a kaidin i eta, pwe pil nai, pwe i de paiola pokon.
27Hij is inderdaad ziek geweest, en zelfs de dood nabij. Maar God heeft medelijden met hem gehad; en niet slechts met hem, maar ook met mij: dat ik niet het ene verdriet na het andere zou hebben.
28A i madan kadarala i, pwe komail en kilan i, ap peren kida, o ai injenjued en pil tikitikela.
28Ik zend hem dus terug met des te meer spoed, opdat gij u verheugen moogt als gij hem weerziet, en ikzelf een zorg minder zal hebben.
29Komail ari kajamo i ni Kaun o popol, o wauneki me dueta i kan.
29Ontvangt hem dus in den Heer met ongemengde blijdschap. Houdt zulke mannen in ere;
30Pweki wiawia en Krijtuj a koren ion mela, ni a jota kajampwaleki pein maur i, pwen jauaja ia wiliandi komail.
30want om de zaak van Christus is hij de dood nabij geweest, en heeft hij zijn leven gewaagd, om mij uw verdere ondersteuning te brengen.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.