Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)
1Toen begon Tobit te zuchten en onder tranen te bidden:
1Fiquei profundamente triste, chorei e orei com aflição, dizendo:
2Gij zijt rechtvaardig, o Heer, en rechtvaardig is geheel uw gericht; al uw wegen zijn barmhartigheid, waarheid en recht.
2“Ó Senhor, tu és justo, e todas as tuas obras e todos os teus caminhos são misericórdia e verdade. Tu julgas com juízo verdadeiro e justo para sempre.
3Wees dus mijner gedachtig, o Heer, neem geen wraak over mijn zonden, en wil mijn overtredingen en die van mijn vaderen niet meer gedenken.
3Lembra-te de mim e olha para mim. Não te vingues de mim por causa dos meus pecados e das minhas faltas cometidas por ignorância, nem pelos pecados de meus antepassados, que pecaram diante de ti.
4Omdat wij niet gehoorzaamd hebben aan uw geboden, daarom werden wij overgeleverd aan plundering, verbanning en dood, aan bespotting en hoon voor alle volkeren, waaronder Gij ons hebt verstrooid.
4Pois eles desobedeceram aos teus mandamentos. Tu nos entregaste ao saque, ao cativeiro e à morte, e fizeste de nós motivo de desprezo entre todas as nações pelas quais fomos dispersos.
5Ja, Heer; zwaar zijn uw straffen, omdat wij niet geleefd hebben naar uw geboden en niet in oprechtheid voor uw ogen hebben gewandeld.
5Agora, teus muitos juízos são verdadeiros ao tratares comigo segundo os meus pecados e os pecados de meus antepassados, porque não guardamos teus mandamentos nem andamos na verdade diante de ti.
6Welnu dan, Heer; doe met mij wat Gij wilt, maar laat mijn geest opgenomen worden in vrede; want sterven is mij liever dan leven.
6Agora, faz comigo o que for agradável aos teus olhos. Ordena que meu espírito seja tirado de mim, para que eu seja libertado e volte ao pó. Para mim é melhor morrer do que viver, porque tenho ouvido insultos injustos e há grande tristeza dentro de mim. Ordena que eu seja libertado desta aflição e vá agora para o lugar eterno. Não desvies de mim o teu rosto.”
7Nu gebeurde het dezelfde dag, dat Sara, de dochter van Raguël in Ekbátana, de stad der Meden, eveneens verwijten moest horen van één der dienstmeisjes van haar vader.
7Naquele mesmo dia, Sara, filha de Raguel, em Ecbátana da Média, também foi insultada pelas servas de seu pai,
8Want zij was aan zeven mannen ten huwelijk gegeven, maar de boze geest, Asmodéus genaamd had hen gedood, zodra zij bij haar waren binnengekomen.
8porque havia sido dada em casamento a sete homens, e Asmodeu, o espírito maligno, os havia matado antes que tivessem relações com ela. As servas lhe diziam: “Você não percebe que é você quem estrangula seus maridos? Já teve sete maridos e nem sequer chegou a levar o nome de nenhum deles.
9Toen zij nu dat meisje berispte over een fout van haar gaf het haar ten antwoord: Ik hoop, dat we van u nooit een zoon of een dochter te zien krijgen op aarde, moordenares van uw mannen.
9Por que nos maltrata? Se eles estão mortos, vá com eles! Que nunca vejamos de você nem filho nem filha!”
10Of wilt ge ook mij soms vermoorden, zoals ge reeds zeven mannen vermoord hebt? Op dat gezegde ging zij naar het bovenvertrek van haar huis en gebruikte drie dagen geen eten of drinken,
10Ao ouvir isso, ela ficou tão profundamente triste que pensou em se enforcar. Mas disse consigo mesma: “Sou a única filha de meu pai. Se eu fizer isso, trarei vergonha sobre ele e levarei sua velhice, em tristeza, à sepultura.”
11maar bleef volharden in gebed en smeekte God onder tranen, haar van die smaad te bevrijden.
11Então ela orou junto à janela, dizendo: “Bendito és tu, ó Senhor, meu Deus, e bendito é o teu santo e honrado nome para sempre! Que todas as tuas obras te louvem para sempre!
12Toen zij op de derde dag haar gebed beëindigde, loofde zij den Heer,
12E agora, Senhor, volto meus olhos e meu rosto para ti.
13en sprak: Gezegend is uw Naam, o God onzer vaderen, Gij, d ie weer barmhartigheid toont, als uw toorn is bevredigd, en in dagen van lijden de zonden vergeeft aan hen, die U aanroepen.
13Ordena que eu seja libertada desta terra e que não precise mais ouvir insultos.
14Tot U wend ik mijn aangezicht, Heer, op U richt ik mijn ogen.
14Tu sabes, Senhor, que nunca pequei com homem algum
15Ik bid U, Heer, mij uit de boeien dezer schande te bevrijden, of anders mij weg te nemen van de aarde.
15e que jamais desonrei meu nome nem o nome de meu pai na terra do meu cativeiro. Sou a única filha de meu pai, e ele não tem outro filho que possa ser seu herdeiro, nem irmão próximo dele, nem filho de algum irmão, para quem eu devesse me reservar como esposa. Meus sete maridos já estão mortos. Por que devo continuar vivendo? Se não te agrada tirar minha vida, ordena que alguém se lembre de mim, que tenha compaixão de mim e que eu não ouça mais insultos.”
16Gij weet, Heer, dat ik nooit een man heb begeerd, en mijn ziel rein heb bewaard van iedere lust.
16A oração dos dois foi ouvida diante da glória do grande Deus.
17Nooit heb ik aan uitspattingen meegedaan en nooit omgang gezocht met lichtzinnige mensen.
17Rafael foi enviado para curar a ambos: para retirar as películas brancas dos olhos de Tobit, dar Sara, filha de Raguel, por esposa a Tobias, filho de Tobit, e amarrar Asmodeu, o espírito maligno, pois cabia a Tobias recebê-la por herança. Naquele mesmo momento, Tobit voltou e entrou em sua casa, e Sara, filha de Raguel, desceu do aposento superior.
18Ik heb slechts een man willen nemen in vreze voor U, en niet om mijn hartstocht te volgen.
no verse 18 in this text
19Maar òfwel ik was hunner niet waardig, of zij waren wellicht mijner niet waardig, omdat Gij mij misschien voor een anderen man hebt bestemd.
no verse 19 in this text
20Want uw raadsbesluit kan niemand doorgronden.
no verse 20 in this text
21Doch hiervan is ieder, die U eert, overtuigd: als hij in zijn leven beproefd wordt, zal hij worden gekroond; als hij in kwelling mocht zijn, zal hij worden bevrijd; en als hij straf ondergaat, zal hij de weg naar uw barmhartigheid vinden.
no verse 21 in this text
22Want Gij vindt geen behagen in ons verderf; maar na de storm geeft Gij rust, en na wenen en schreien weer blijdschap.
no verse 22 in this text
23God van Israël, uw Naam zij gezegend voor eeuwig!
no verse 23 in this text
24En hun beider gebed vond gelijktijdig verhoring bij de Majesteit van den allerhoogsten God. Rafaël, de heilige engel des Heren, werd gezonden, om hen beiden te genezen, wier gebed terzelfder tijd voor het aanschijn des Heren was uitgesproken.
no verse 24 in this text

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.