Leviticus
Chapter 14
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Douay-Rheims Bible…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Douay-Rheims Bible, American Edition (1899)
1Jahweh sprak tot Moses:
1And the Lord spoke to Moses, saying:
2Dit is de wet op den melaatse. Op de dag van zijn reinverklaring moet hij voor den priester worden gebracht,
2This is the rite of a leper, when he is to be cleansed: he shall be brought to the priest:
3die zich buiten de legerplaats moet begeven. Ziet de priester, dat de melaatse van zijn melaatsheid is genezen,
3Who going out of the camp when he shall And that the leprosy is cleansed,
4dan moet hij voor hem, die rein verklaard moet worden, twee levende reine vogels laten halen met cederhout, karmozijn en hysop.
4Shall command him that is to be purified, to offer for himself two living sparrows, which it is lawful to eat, and cedar wood, and scarlet, and hyssop.
5De priester moet een der vogels boven een aarden vat met levend water laten slachten.
5And he shall command one of the sparrows to be immolated in an earthen vessel over living waters:
6Vervolgens moet hij de levende vogel nemen; bovendien het cederhout, het karmozijn en de hysop, en die met de levende vogel in het bloed dopen van de vogel, die boven het levend water is geslacht.
6But the other that is alive he shall dip, with the cedar wood, and the scarlet and the hyssop, in the blood of the sparrow that is immolated:
7Hiermee moet hij zeven maal hem besprenkelen, die van de melaatsheid gereinigd moet worden. Zo reinigt hij hem. Daarna moet hij de levende vogel in het vrije veld loslaten.
7Wherewith he shall sprinkle him that is to be cleansed seven times, that he may be rightly purified: and he shall let go the living sparrow, that it may fly into the field.
8Vervolgens moet hij, die gereinigd werd, nog zijn kleren wassen, al zijn haar afscheren, en zich baden; dan is hij rein, en mag hij in de legerplaats komen. Maar hij moet nog zeven dagen lang buiten zijn tent blijven.
8And when the man hath washed his clothes, he shall shave all the hair of his body, and shall be washed with water: and being purified, he shall enter into the camp, yet so that he tarry without his own tent seven days:
9Op de zevende dag moet hij al zijn haar afscheren, zijn hoofdhaar, zijn baard en zijn wenkbrauwen; al zijn haar moet hij wegscheren, zijn kleren wassen en zijn lichaam baden; dan is hij rein.
9And on the seventh day he shall shave the hair of his head, and his beard and his eyebrows, and the hair of all his body. And having washed again his clothes, and his body,
10Op de achtste dag moet hij twee gave lammeren nemen en een eenjarig ooilam zonder gebrek; verder drie issaron meelbloem met olie gemengd voor het spijsoffer, en bovendien één log olie.
10On the eighth day he shall take two lambs without blemish, and an ewe of a year old without blemish, and three tenths of flour tempered with oil for a sacrifice, and a sextary of oil apart.
11De priester, die de reiniging voltrekt, zal hem, die rein verklaard moet worden, met die gaven voor Jahweh’s aanschijn plaatsen aan de ingang van de openbaringstent.
11And when the priest that purifieth the man, hath presented him, and all these things before the Lord, at the door of the tabernacle of the testimony,
12Nu moet de priester een van de lammeren nemen, en dit met de log olie als schuldoffer opdragen, en ze als een strekoffer voor het aanschijn van Jahweh aanbieden.
12He shall take a. lamb, and offer it for a trespass offering with the sextary of oil: and having offered all before the Lord,
13Dan moet hij het lam slachten op de heilige plaats, waar men het zonde(-) en brandoffer slacht; want dit schuldoffer komt evenals het zondeoffer den priester toe; het is hoogheilig.
13He shall immolate the lamb, where the victim for sin is wont to be immolated, and the holocaust, that is, in the holy place: for as that which is for sin, so also the victim for a trespass offering pertaineth to the priest: it is holy of holies.
14Daarna moet de priester wat bloed van het schuldoffer nemen, en het hem, die rein moet worden verklaard op de rechteroorlel strijken, op de rechterduim en op de grote teen van zijn rechtervoet.
14And the priest taking of the blood of the victim that was immolated for trespass, shall put it upon the tip of the right ear of him that is cleansed, and upon the thumb of his right hand and the great toe of his right foot:
15Vervolgens moet de priester iets van de log olie nemen, op zijn eigen linker handpalm gieten,
15And he shall pour of the sextary of oil into his own left. hand,
16de vinger van zijn rechterhand in de olie dopen, die op zijn linkerhand ligt, en een weinig van die olie met zijn vinger zeven maal voor het aanschijn van Jahweh sprenkelen.
16And shall dip his right finger in it, and sprinkle it before the Lord seven times.
17Van de rest van de olie, die op zijn hand ligt, moet de priester iets op de rechteroorlel, op de rechterduim en op de grote teen van de rechtervoet strijken van hem, die rein verklaard moet worden, en wel bovenop het bloed van het schuldoffer.
17And the rest of the oil in his left band, he shall pour upon the tip of the right ear of him that is cleansed, and upon the thumb of his right hand and the great toe of his right foot, and upon the blood that was shed for trespass,
18Wat dan nog over is van de olie, die op zijn hand ligt, moet de priester op het hoofd uitstorten van hem, die rein verklaard moet worden; zo zal de priester verzoening voor hem verkrijgen voor het aanschijn van Jahweh.
18And upon his head.
19Vervolgens moet de priester het zondeoffer opdragen, en voor hem, die gereinigd moet worden, verzoening verkrijgen van de onreinheid. Tenslotte moet de priester het brandoffer slachten,
19And he shall pray for him before the Lord, and shall offer the sacrifice for sin: then shall he immolate the holocaust,
20en het op het altaar met het spijsoffer opdragen. Zo zal de priester voor hem verzoening verkrijgen, en is hij rein.
20And put it on the altar with the libations thereof, and the man shall be rightly cleansed.
21Wanneer hij te arm is en die kosten niet kan betalen, behoeft hij maar één lam te nemen voor het schuldoffer om het als strekoffer aan te bieden en voor zich verzoening te verkrijgen; bovendien een issaron meelbloem met olie gemengd voor het spijsoffer en een log olie.
21But if he be poor, and his hand cannot find the things aforesaid: he shall take a lamb for an offering for trespass, that the priest may pray for him, and a tenth part of hour tempered with oil for a sacrifice, and a sextary of oil,
22Verder twee tortels of twee jonge duiven, naar gelang hij kan betalen; de ene voor het zondeoffer, de andere voor het brandoffer.
22And two turtles or two young pigeons, of which one may be for sin, and the other for a holocaust:
23Op de achtste dag moet hij ze voor zijn reiniging naar den priester brengen bij de ingang van de openbaringstent, voor het aanschijn van Jahweh.
23And he shall offer them on the eighth day of his purification to the priest, at the door of the tabernacle of the testimony before the Lord.
24Nu moet de priester het lam voor het schuldoffer nemen met de log olie, en ze voor het aanschijn van Jahweh als een strekoffer aanbieden;
24And the priest receiving the lamb for trespass, and the sextary of oil, shall elevate them together.
25en het lam voor het schuldoffer slachten. Daarna moet de priester wat bloed van dat schuldoffer nemen, het hem, die gereinigd moet worden, op de rechteroorlel strijken, op zijn rechterduim en op de grote teen van zijn rechtervoet.
25And the lamb being immolated, he shall put of the blood thereof upon the tip of the right ear of him that is cleansed, and upon the thumb of his right hand, and the great toe of his right foot:
26Vervolgens moet de priester wat van de olie op zijn eigen linker handpalm gieten,
26But he shall pour part of the oil into his own left hand,
27en met zijn rechtervinger zeven maal een weinig van de olie, die op zijn linkerhand ligt, voor het aanschijn van Jahweh sprenkelen.
27And dipping the finger of his right hand in it, he shall sprinkle it seven times before the Lord:
28Van de rest van de olie, die op zijn hand ligt, moet de priester hem, die gereinigd moet worden, iets op de rechteroorlel strijken, op zijn rechterduim en op de grote teen van zijn rechtervoet, en wel boven op het bloed van het schuldoffer.
28And he shall touch the tip of the right ear of him that is cleansed, and the thumb of his right hand and the great toe of his right foot, in the place of the blood that was shed for trespass.
29Wat er dan nog over is van de olie, die op de hand van den priester ligt, moet hij op het hoofd van hem, die gereinigd moet worden, uitstorten om voor het aanschijn van Jahweh verzoening te verkrijgen.
29And the other part of the oil that is in his left hand, he shall pour upon the head of the purified person, that he may appease the Lord for him.
30Vervolgens moet hij een van de tortels of een van de jonge duiven, die hij kon betalen,
30And he shall offer a turtle, or young pigeon,
31als zondeoffer, en de andere als brandoffer opdragen tegelijk met het spijsoffer. Zo zal de priester voor het aanschijn van Jahweh verzoening verkrijgen voor hem, die gereinigd moet worden.
31One for trespass, and the other for a holocaust, with their libations.
32Dit is de wet voor hem, die door de melaatsheid werd getroffen, en de onkosten van zijn reiniging niet kan betalen.
32This is the sacrifice of a leper, that is not able to have all things that appertain to his cleansing.
33Jahweh sprak tot Moses en Aäron:
33And the Lord spoke to Moses and Aaron, saying:
34Wanneer gij in het land Kanaän komt, dat Ik u in bezit zal geven, en Ik op uw grondgebied een huis met melaatsheid sla,
34When you shall be come into the land of Chanaan, which I will give you for a possession, if there be the plague of leprosy in a house,
35dan moet de eigenaar van het huis den priester gaan zeggen: Er is iets in mijn huis, dat op melaatsheid lijkt.
35He whose house it is, shall go and tell the priest, saying: It seemeth to me, that there is the plague of leprosy in my house,
36En nog voor hij de ziekte komt onderzoeken, zal de priester bevelen, het huis te ontruimen, opdat niet al wat in het huis is, onrein wordt. Daarna zal de priester het huis gaan bezichtigen.
36And he shall command, that they carry forth all things out of the house, before he go into it, and see whether it have the leprosy, lest all things become unclean that are in the house. And afterwards he shall go in to view the leprosy of the house.
37Bemerkt hij nu, dat de ziekte werkelijk in de wanden van het huis zit, en er groene of roodachtige kuiltjes in zijn, die opvallend dieper liggen dan het muurvlak,
37And if he see in the walls thereof as it were little dints, disfigured with paleness or redness, and lower than all the rest,
38dan moet de priester het huis verlaten, zich naar de deur van het huis begeven, en het huis zeven dagen lang sluiten.
38He shall go out of the door of the house, and forthwith shut it up seven days,
39Op de zevende dag moet de priester terugkomen. Bemerkt hij nu, dat de ziekte zich verder over de wanden van het huis heeft verspreid,
39And returning on the seventh day, he shall look upon it. If he find that the leprosy is spread,
40dan moet hij gelasten, de stenen weg te breken waarin de ziekte zit, en die buiten de stad op een onreine plaats te werpen.
40He shall command, that the stones wherein the leprosy is, be taken out, and cast without the city into an unclean place:
41Vervolgens moet men het huis van binnen aan alle kanten afkrabben, en het afgekrabde leem buiten de stad op een onreine plaats werpen.
41And that the house be scraped on the inside round about, and the dust of the scraping be scattered without the city into an unclean place:
42Daarna moet men andere stenen nemen en ze in de plaats van die stenen zetten, en andere leem, om daarmee het huis te bestrijken.
42And that other stones be laid in the place of them that were taken away, and the house be plastered with other mortar.
43Wanneer na het wegbreken der stenen en het afkrabben en het bepleisteren van het huis de ziekte opnieuw in het huis uitbreekt,
43But if, after the stones be taken out, and the dust scraped off, and it be plastered with other earth,
44dan moet de priester nog eens komen. Bemerkt hij nu, dat de ziekte zich verder in het huis heeft verspreid, dan is er kwaadaardige melaatsheid in het huis; het is onrein.
44The priest going in perceive that the leprosy is returned, and the walls full of spots, it is a lasting leprosy, and the house is unclean:
45Men moet het huis afbreken, en de stenen, de balken en al het leemwerk van het huis buiten de stad naar een onreine plaats brengen.
45And they shall destroy it forthwith, and shall cast the stones and timber thereof, and all the dust without the town into an unclean place.
46Wie het huis binnengaat al de tijd, dat men het gesloten heeft, is tot de avond onrein,
46He that entereth into the house when it is shut, shall be unclean until evening,
47en wie in het huis slaapt, of er in eet, moet zijn kleren wassen.
47And he that sleepeth in it, and eateth any thing, shall wash his clothes.
48Maar wanneer de priester bij zijn komst bemerkt, dat de ziekte, nadat men het huis opnieuw heeft bepleisterd, zich niet verder daarin heeft verspreid, dan moet de priester het huis rein verklaren; want dan is de ziekte genezen.
48But if the priest going in perceive that the leprosy is not spread in the house, after it was plastered again, he shall purify it, it being cured,
49Om de smet van het huis weg te nemen, moet hij twee vogels nemen, met cederhout, karmozijn en hysop.
49And for the purification thereof he shall take two sparrows, and cedar wood, and scarlet, and hyssop:
50Een der vogels moet hij boven een aarden vat met levend water slachten.
50And having immolated one sparrow In an earthen vessel over living waters,
51Vervolgens moet hij het cederhout nemen, de hysop met het karmozijn en de levende vogel, ze in het bloed van de geslachte vogel en in het levende water dompelen, en er zeven maal het huis mee besprenkelen.
51He shall take the cedar wood, and the hyssop, and the scarlet, and the living sparrow, and shall dip all in the blood of the sparrow that is immolated, and in the living water, and he shall sprinkle the house seven times:
52Zo moet hij de smet van het huis wegnemen door het bloed van de vogel, door het levend water, door de levende vogel, door het cederhout, de hysop en het karmozijn.
52And shall purify it as well with the blood of the sparrow, as with the living water, and with the living sparrow, and with the cedar wood, and the hyssop, and the scarlet.
53De levende vogel moet hij buiten de stad in het vrije veld loslaten. Zo zal hij voor het huis de verzoeningsplechtigheid verrichten, en wordt het weer rein.
53And when he hath let go the sparrow to fly freely away into the field, he shall pray for the house, and it shall be rightly cleansed.
54Dit is de wet op alle soorten van melaatsheid en kwaadaardige uitslag,
54This is the law of every kind of leprosy and stroke.
55op de melaatsheid in kleren en huizen,
55Of the leprosy of garments and houses,
56op roof, uitslag en witte vlekken;
56Of a scar and of blisters breaking out, of a shining spot, and when the colours are diversely changed:
57ze dient om te leren, wanneer iets onrein is of rein. Dit is de wet op de melaatsheid.
57That it may be known when a thing is clean or unclean.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.