Genesis 24
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Freedom Bible (Thai)
1Abraham was oud en hoogbejaard, en Jahweh had Abraham in alles gezegend.
1อับราฮัมแก่มากแล้วและพระยาห์เวห์อวยพรเขาในทุกเรื่อง
2Daarom sprak Abraham tot den oudsten dienaar van zijn huis, die het opzicht had over heel zijn bezit: Leg uw hand onder mijn heup;
2อับราฮัมพูดกับคนรับใช้คนอาวุโสที่สุดในเรือนซึ่งดูแลทุกสิ่งที่เขามีว่า“เอามือวางใต้ต้นขาของฉัน
3want ik wil u doen zweren bij Jahweh, den God des hemels en den God der aarde, dat gij voor mijn zoon geen vrouw zult kiezen uit de dochters der Kanaänieten, in wier midden ik woon;
3ฉันจะให้เจ้าสาบานต่อพระยาห์เวห์พระเจ้าแห่งท้องฟ้าและพระเจ้าแห่งแผ่นดินว่าเจ้าจะไม่หาภรรยาให้ลูกชายฉันจากลูกสาวชาวคานาอันที่ฉันอาศัยอยู่ท่ามกลางพวกเขา
4maar dat gij naar mijn land en mijn familie zult gaan, om dáár een vrouw voor mijn zoon Isaäk te zoeken.
4แต่ให้ไปยังบ้านเมืองและญาติพี่น้องของฉันแล้วหาภรรยาให้อิสอัคลูกชายฉันจากที่นั่น”
5De dienaar antwoordde: Maar als nu de vrouw mij niet wil volgen naar dit land, moet ik dan uw zoon terugbrengen naar het land, waaruit gij zijt weggetrokken?
5คนรับใช้ถามว่า“ถ้าผู้หญิงไม่ยอมตามผมมาที่ดินแดนนี้ผมต้องพาลูกชายของท่านกลับไปดินแดนที่ท่านจากมาหรือ”
6Maar Abraham zeide hem: Pas op, dat ge mijn zoon daar niet terugbrengt.
6อับราฮัมตอบว่า“ระวังอย่าพาลูกชายฉันกลับไปที่นั่น
7Jahweh, de God des hemels, die mij uit mijn vaderlijk huis en uit mijn geboorteland heeft geleid, en die mij gezegd en bezworen heeft: “Aan uw nageslacht geef Ik dit land”: Hij zal zijn engel voor u uit zenden, en u daar voor mijn zoon een vrouw laten vinden.
7พระยาห์เวห์พระเจ้าแห่งท้องฟ้าเป็นผู้พาฉันออกจากบ้านพ่อและดินแดนที่ฉันเกิดพระองค์พูดกับฉันและสาบานว่า‘เราจะมอบดินแดนนี้ให้ลูกหลานของเจ้า’พระองค์จะส่งทูตของพระองค์ไปนำหน้าเจ้าและเจ้าจะหาภรรยาให้ลูกชายฉันจากที่นั่นได้
8Mocht die vrouw u niet willen volgen, dan verplicht mijn eed u niet langer; maar in geen geval moogt ge mijn zoon daar terugbrengen.
8ถ้าผู้หญิงไม่ยอมตามเจ้ามาเจ้าก็พ้นจากคำสาบานนี้ที่ให้ไว้กับฉัน แต่ห้ามพาลูกชายฉันกลับไปที่นั่น”
9Toen legde de dienaar zijn hand onder de heup van Abraham, zijn meester, en zwoer hem de gevraagde eed.
9คนรับใช้จึงวางมือใต้ต้นขาของอับราฮัมนายของตนและสาบานเรื่องนี้กับเขา
10Nu nam de dienaar tien kamelen uit de kudde van zijn meester, pakte allerlei kostbaarheden van zijn meester bijeen, trok op en reisde naar Aram-Naharáim, naar de stad van Nachor.
10คนรับใช้เลือกอูฐของนายมา 10 ตัวและเอาของดีนานาชนิดของนายไปด้วย เขาออกเดินทางไปเมโสโปเตเมียถึงเมืองของนาโฮร์
11Buiten de stad bij de waterput liet hij de kamelen neerknielen; het was tegen de avond, dus tegen de tijd, dat de vrouwen naar buiten gaan, om water te putten.
11เมื่อถึงนอกเมืองเขาให้อูฐคุกเข่าข้างบ่อน้ำตอนเย็นซึ่งเป็นเวลาที่หญิงสาวออกมาตักน้ำ
12Toen sprak hij: Jahweh, God van mijn heer Abraham; ik bid U, laat mij nu slagen, en wees Abraham, mijn meester, genadig.
12เขาอธิษฐานว่า“พระยาห์เวห์พระเจ้าของอับราฮัมนายของผมขอให้วันนี้ผมทำภารกิจนี้สำเร็จและขอให้พระองค์แสดงความเมตตาต่อนายของผม
13Zie, ik sta bij de bron, en de dochters van de burgers der stad komen naar buiten, om water te putten.
13ตอนนี้ผมยืนอยู่ข้างตาน้ำและลูกสาวของคนในเมืองกำลังออกมาตักน้ำ
14Wanneer het meisje, tot wie ik zeg: “reik mij uw kruik, om te drinken”, ten antwoord geeft: “drink, en ook uw kamelen zal ik water geven”; dan zal dàt het meisje zijn, dat Gij voor uw dienaar Isaäk hebt bestemd; en daaraan zal ik erkennen, dat Gij mijn heer genadig zijt.
14ขอให้เป็นอย่างนี้ถ้าผมพูดกับหญิงสาวคนหนึ่งว่า‘ช่วยลดเหยือกลงให้ผมดื่มน้ำหน่อย’แล้วเธอตอบว่า‘ดื่มสิท่านฉันจะให้อูฐของท่านดื่มด้วย’ก็ขอให้เธอเป็นคนที่พระองค์กำหนดไว้สำหรับอิสอัคคนรับใช้ของพระองค์แล้วผมจะรู้ว่าพระองค์แสดงความเมตตาต่อนายของผม”
15Nog had hij niet uitgesproken, of Rebekka kwam met een kruik op haar schouder naar buiten; zij was de dochter van Betoeël, den zoon van Milka, de vrouw van Nachor, Abrahams broer.
15ก่อนที่เขาจะพูดจบเรเบคาห์ก็เดินออกมาพร้อมเหยือกบนไหล่ เธอเป็นลูกสาวของเบธูเอลซึ่งเป็นลูกของมิลคาห์กับนาโฮร์ผู้เป็นพี่น้องกับอับราฮัม
16Het was een bijzonder mooi meisje; een maagd, die nog met geen man omgang had gehad. Zij daalde af naar de bron, vulde haar kruik, en kwam weer naar boven.
16หญิงสาวสวยมากและยังเป็นสาวพรหมจารีไม่เคยหลับนอนกับชายคนใด เธอลงไปที่ตาน้ำเติมน้ำใส่เหยือกแล้วเดินขึ้นมา
17De dienaar liep op haar toe, en sprak: Laat mij een beetje water drinken uit uw kruik.
17คนรับใช้วิ่งไปหาและพูดว่า“ขอน้ำจากเหยือกให้ผมดื่มสักหน่อยได้ไหม”
18Zij antwoordde: Drink, heer. En terstond liet zij de kruik op haar hand zakken, en gaf hem te drinken.
18เธอตอบว่า“ดื่มสิท่าน”แล้วรีบลดเหยือกลงมาพยุงไว้ในมือให้เขาดื่ม
19En toen zij hem had laten drinken, zeide zij nog: Ook voor uw kamelen zal ik water putten, tot ze genoeg hebben.
19พอเขาดื่มเสร็จเธอพูดว่า“ฉันจะตักน้ำให้อูฐของท่านด้วยจนมันดื่มอิ่ม”
20Vlug goot ze haar kruik in de drinkbak leeg, repte zich weer naar de put, om opnieuw te gaan scheppen, en water te putten voor al zijn kamelen.
20เธอรีบเทน้ำจากเหยือกลงรางแล้ววิ่งกลับไปที่บ่อตักน้ำอีกตักให้อูฐทุกตัว
21Zwijgend nam de man haar nauwkeuriger op, om te weten, of Jahweh zijn reis had doen slagen, of niet.
21ชายคนนั้นยืนมองเธอเงียบๆอย่างตั้งใจเพื่อจะรู้ว่าพระยาห์เวห์ทำให้การเดินทางของเขาสำเร็จหรือไม่
22En nadat de kamelen volop hadden gedronken, nam de man een gouden neusring ter waarde van een halve sikkel, stak die in haar neus, deed om haar polsen twee armbanden ter waarde van tien gouden sikkels,
22เมื่ออูฐดื่มน้ำเสร็จชายคนนั้นหยิบห่วงทองคำหนักครึ่งเชเขล และกำไลทองสองวงสำหรับมือของเธอหนักรวม 10 เชเขล
23en vroeg: Wiens dochter zijt gij; vertel me dat eens? Is er in het huis van uw vader plaats voor ons, om te overnachten?
23แล้วถามว่า“เธอเป็นลูกสาวใคร ช่วยบอกผมหน่อย ที่บ้านพ่อของเธอมีที่ให้พวกเราพักคืนนี้ไหม”
24Ze gaf hem ten antwoord: Ik ben de dochter van Betoeël, den zoon van Milka, dien zij aan Nachor heeft gebaard.
24เธอตอบว่า“ฉันเป็นลูกสาวของเบธูเอลลูกของมิลคาห์ซึ่งมิลคาห์คลอดให้นาโฮร์”
25En zij ging voort: We hebben stro en voedsel in overvloed, ook plaats om te overnachten.
25แล้วพูดต่อว่า“ที่บ้านเรามีทั้งฟางและอาหารสัตว์มากพอและมีที่ให้พักด้วย”
26Toen viel de man op zijn knieën, aanbad Jahweh,
26ชายคนนั้นก้มศีรษะลงและนมัสการพระยาห์เวห์
27en sprak: Gezegend zij Jahweh, de God van Abraham, mijn meester, die zijn genade en trouw aan mijn heer niet onthoudt; want Jahweh heeft mij geleid naar het huis van den broer van mijn heer.
27เขากล่าวว่า“ขอสรรเสริญพระยาห์เวห์พระเจ้าของอับราฮัมนายของผมผู้ไม่ได้ละทิ้งความเมตตาและความซื่อสัตย์ที่มีต่อนายของผม พระยาห์เวห์นำผมมาตามทางจนถึงบ้านของญาตินาย”
28Het meisje was al naar huis gelopen, en vertelde thuis aan haar moeder, wat er gebeurd was.
28หญิงสาววิ่งกลับบ้านไปเล่าเรื่องเหล่านี้ให้คนในบ้านแม่ฟัง
29Nu had Rebekka een broer, die Laban heette. Laban liep naar den man, die buiten bij de bron stond;
29เรเบคาห์กับลาบันเป็นพี่น้องกันลาบันวิ่งออกไปหาชายคนนั้นที่ตาน้ำ
30want hij had de neusring gezien met de armbanden om de polsen van zijn zuster, en zijn zuster Rebekka horen vertellen: zo en zo heeft de man met mij gesproken. Hij trad op hem toe, terwijl hij nog met de kamelen bij de bron stond te wachten,
30เมื่อลาบันเห็นห่วงทองและกำไลที่มือของเรเบคาห์และได้ยินเธอเล่าว่า“ชายคนนั้นพูดกับฉันแบบนี้”เขาก็ออกมาหาชายคนนั้นซึ่งยังยืนอยู่ข้างอูฐที่ตาน้ำ
31en sprak: Kom, gezegende van Jahweh; waarom blijft ge nog buiten staan, terwijl ik het huis en een plaats voor de kamelen al gereed heb?
31ลาบันกล่าวว่า“เชิญเข้ามาเถอะผู้ที่พระยาห์เวห์อวยพร จะยืนอยู่ข้างนอกทำไม ผมเตรียมบ้านและที่สำหรับอูฐไว้แล้ว”
32Hij leidde den man naar huis, zadelde de kamelen af, en gaf ze stro en voer; dan bracht hij voor hem en zijn mannen water, om zich de voeten te wassen.
32ชายคนนั้นเข้าบ้านแล้วปลดของจากอูฐ เขาเอาฟางกับอาหารมาให้อูฐและเอาน้ำมาล้างเท้าของตนกับคนที่มาด้วย
33Maar toen hem spijzen werden voorgezet, zeide hij: Ik eet niet, eer ik gezegd heb, wat ik moet zeggen. Hij zeide: Spreek op.
33พวกเขายกอาหารมาให้แต่เขาบอกว่า“ผมยังไม่กินจนกว่าจะเล่าธุระที่มาให้ฟัง” ลาบันตอบว่า“พูดมาเถอะ”
34En hij sprak: Ik ben de dienaar van Abraham.
34เขาเริ่มว่า“ผมเป็นคนรับใช้ของอับราฮัม
35Jahweh heeft mijn heer overvloedig gezegend, zodat hij rijk is geworden; Hij heeft hem schapen en runderen, zilver en goud, slaven en slavinnen, kamelen en ezels geschonken.
35พระยาห์เวห์อวยพรนายของผมอย่างมากจนเขากลายเป็นผู้ยิ่งใหญ่ พระองค์ให้เขามีฝูงแกะ ฝูงโค เงิน ทอง ทาสชาย ทาสหญิง อูฐและลา
36En Sara, de vrouw van mijn meester, heeft mijn heer een zoon gebaard, toen ze reeds oud was; en aan hem heeft hij heel zijn bezit vermaakt.
36ซาราห์ภรรยาของนายคลอดลูกชายให้นายตอนที่เธอแก่แล้วและนายยกทุกสิ่งที่มีให้ลูกคนนี้
37Nu heeft mijn meester mij een eed laten zweren: Gij moogt voor mijn zoon geen vrouw nemen uit de dochters der Kanaänieten, in wier land ik woon;
37นายให้ผมสาบานว่า‘อย่าหาภรรยาให้ลูกชายฉันจากลูกสาวชาวคานาอันในดินแดนที่ฉันอาศัยอยู่
38maar ge moet naar het huis van mijn vader gaan en naar mijn stam, om daar een vrouw voor mijn zoon te halen.
38แต่ให้ไปที่บ้านพ่อและญาติของฉันแล้วหาภรรยาให้ลูกชายจากที่นั่น’
39Ik zeide tot mijn heer: Maar als die vrouw mij niet wil volgen?
39ผมถามนายว่า‘ถ้าผู้หญิงไม่ยอมตามผมมาล่ะ’
40Hij antwoordde mij: Jahweh voor wiens aanschijn ik heb geleefd, Hij zal zijn engel met u zenden, en uw reis doen gelukken; gij zult een vrouw voor mijn zoon krijgen uit mijn stam en uit het huis van mijn vader.
40นายตอบว่า‘พระยาห์เวห์ผู้ที่ฉันดำเนินชีวิตอยู่ต่อหน้าพระองค์จะส่งทูตของพระองค์ไปกับเจ้าและทำให้การเดินทางของเจ้าสำเร็จเจ้าจะหาภรรยาให้ลูกชายฉันจากญาติและบ้านพ่อของฉัน
41Eerst dan zijt gij van de eed, die ik u opleg, ontslagen, als ge bij mijn stam zijt gekomen, en men er u geen geven wil; dan verplicht mijn eed u niet meer.
41เมื่อเจ้าไปถึงญาติของฉันเจ้าก็พ้นจากคำสาบาน ถ้าพวกเขาไม่ยอมมอบนางให้เจ้าเจ้าก็พ้นจากคำสาบานของฉัน’
42Toen ik dan vandaag bij de bron was gekomen, zeide ik: Jahweh, God van mijn heer Abraham; ach, laat toch de reis gelukken, die ik heb ondernomen.
42วันนี้เมื่อมาถึงตาน้ำผมอธิษฐานว่า‘พระยาห์เวห์พระเจ้าของอับราฮัมนายของผมถ้าพระองค์จะทำให้การเดินทางที่ผมมานี้สำเร็จ
43Zie, ik sta nu bij de waterbron. Wanneer de maagd, die naar buiten komt, om water te putten, en tot wie ik zeg: “geef mij een beetje water te drinken uit uw kruik”,
43ตอนนี้ผมยืนอยู่ข้างตาน้ำ ขอให้หญิงสาวที่ออกมาตักน้ำและผมบอกว่า“ขอน้ำจากเหยือกให้ผมดื่มสักหน่อย”
44mij ten antwoord geeft: “drink, en ook voor uw kamelen zal ik putten”, dan zal zij de vrouw zijn, die Jahweh voor den zoon van mijn heer heeft bestemd.
44แล้วเธอตอบว่า“ดื่มสิท่านฉันจะตักให้อูฐของท่านด้วย”ก็ขอให้เธอเป็นผู้หญิงที่พระยาห์เวห์กำหนดไว้สำหรับลูกชายของนาย’
45Nog had ik bij mezelf niet uitgesproken, of daar kwam Rebekka naar buiten met haar kruik op haar schouder, en daalde af naar de bron, om te putten. En toen ik haar zeide: “laat mij wat drinken”,
45ก่อนผมจะพูดในใจจบเรเบคาห์ก็ออกมาพร้อมเหยือกบนไหล่ เธอลงไปตักน้ำที่ตาน้ำ ผมบอกว่า‘ขอน้ำให้ผมดื่มหน่อย’
46liet ze dadelijk haar kruik zakken, en sprak: “drink, en ook uw kamelen zal ik water geven”. Ik dronk, en ze liet ook de kamelen drinken.
46เธอรีบลดเหยือกจากไหล่แล้วพูดว่า‘ดื่มสิท่านฉันจะให้อูฐของท่านดื่มด้วย’ผมจึงดื่มและเธอก็ให้อูฐดื่มด้วย
47Ik vroeg haar: Wiens dochter zijt gij? Zij antwoordde: De dochter van Betoeël, den zoon van Nachor, dien Milka hem geschonken heeft. Toen stak ik een ring in haar neus, en deed armbanden om haar polsen.
47ผมถามว่า‘เธอเป็นลูกสาวใคร’ เธอตอบว่า‘ลูกสาวของเบธูเอลลูกชายของนาโฮร์ซึ่งมิลคาห์คลอดให้เขา’ ผมจึงใส่ห่วงทองที่จมูกเธอและสวมกำไลที่มือ
48Ik viel op mijn knieën om Jahweh te aanbidden, en ik zegende Jahweh, den God van mijn heer Abraham, die mij op de rechte weg had geleid, om voor zijn zoon de dochter van den broer van mijn meester te gaan halen.
48แล้วผมก้มศีรษะนมัสการพระยาห์เวห์และสรรเสริญพระยาห์เวห์พระเจ้าของอับราฮัมนายของผมผู้พาผมมาถูกทางจนได้พบลูกสาวของชายผู้เป็นพี่น้องกับนายเพื่อให้เป็นภรรยาของลูกชายนาย
49Welnu dan, als gij mijn heer liefde en trouw wilt bewijzen, zegt het mij dan; maar zo niet, laat het mij eveneens weten, dan kan ik naar rechts of naar links gaan.
49ตอนนี้ถ้าพวกท่านจะแสดงความเมตตาและความซื่อสัตย์ต่อนายของผมก็บอกผมถ้าไม่ก็บอกเพื่อผมจะได้หันไปทางขวาหรือทางซ้าย”
50Laban en Betoeël gaven ten antwoord: Dit is een beschikking van Jahweh; we kunnen er niets tegen inbrengen.
50ลาบันกับเบธูเอลตอบว่า“เรื่องนี้มาจากพระยาห์เวห์ พวกเราจะพูดว่าดีหรือไม่ดีกับท่านก็ไม่ได้
51Zie Rebekka staat te uwer beschikking; neem haar met u mee, opdat zij de vrouw wordt van den zoon van uw heer, zoals Jahweh gezegd heeft.
51เรเบคาห์อยู่ตรงหน้าท่านแล้ว พาเธอไปให้เป็นภรรยาลูกชายของนายท่านตามที่พระยาห์เวห์กล่าวเถอะ”
52Toen de dienaar van Abraham had gehoord wat ze zeiden, wierp hij zich ter aarde voor Jahweh neer.
52เมื่อคนรับใช้ของอับราฮัมได้ยินคำของพวกเขาเขาก็หมอบลงถึงพื้นนมัสการพระยาห์เวห์
53Hij haalde zilveren en gouden sieraden en klederen te voorschijn, en schonk ze aan Rebekka; ook aan haar broer en haar moeder gaf hij kostbare geschenken.
53จากนั้นเขานำเครื่องประดับเงิน เครื่องประดับทองและเสื้อผ้ามามอบให้เรเบคาห์พร้อมมอบของมีค่าให้ลาบันและแม่ของเธอ
54Toen eerst aten en dronken hij en zijn mannen, en bleven ze overnachten. Zodra men de volgende morgen was opgestaan, sprak hij: Laat mij nu terug gaan naar mijn heer.
54ชายคนนั้นกับคนที่มาด้วยกินดื่มและพักค้างคืน เช้าขึ้นเขาพูดว่า“ขอให้ผมกลับไปหานายของผมเถอะ”
55Maar haar broer en haar moeder zeiden: Laat het meisje nog een dag of tien bij ons blijven; dan kan ze vertrekken.
55ลาบันกับแม่ของเรเบคาห์ตอบว่า“ให้หญิงสาวอยู่กับพวกเราอีกสักหลายวันอย่างน้อย 10 วันแล้วค่อยไป”
56Maar hij antwoordde hun: Houdt me niet tegen, nu Jahweh mijn reis heeft doen slagen; staat mij dus toe, naar mijn heer te vertrekken.
56เขาตอบว่า“อย่ารั้งผมไว้เลยในเมื่อพระยาห์เวห์ทำให้การเดินทางของผมสำเร็จแล้ว ขอให้ผมกลับไปหานาย”
57Ze zeiden: We zullen het meisje roepen, en het haar zelf vragen.
57พวกเขาพูดว่า“เรียกหญิงสาวมาถามกัน”
58Zij riepen Rebekka, en vroegen haar: Wilt ge met dien man meegaan? Zij antwoordde: Ja!
58พวกเขาเรียกเรเบคาห์มาแล้วถามว่า“เธอจะไปกับชายคนนี้ไหม” เธอตอบว่า“ไป”
59Nu lieten ze hun zuster Rebekka vertrekken, vergezeld van haar min en den dienaar van Abraham met zijn volk.
59พวกเขาจึงส่งเรเบคาห์ซึ่งเป็นพี่น้องกันกับพวกเขาไปพร้อมแม่นมคนรับใช้ของอับราฮัมและคนของเขา
60Zij zegenden Rebekka, en zeiden tot haar: Zuster, moogt ge tot duizend maal tienduizenden groeien, En moge uw kroost de poorten bezitten van die het haten.
60พวกเขาอวยพรเรเบคาห์ว่า“เรเบคาห์เราเป็นพี่น้องกันขอให้เธอเป็นแม่ของคนนับพันนับหมื่นและขอให้ลูกหลานของเธอยึดประตูเมืองของคนที่เกลียดพวกเขา”
61Toen maakten Rebekka en haar dienstmaagd zich klaar, stegen op de kamelen, en sloten zich aan bij den man; de dienaar nam Rebekka mee, en vertrok.
61เรเบคาห์กับหญิงสาวที่ติดตามเธอลุกขึ้นขี่อูฐตามชายคนนั้นไป คนรับใช้จึงพาเรเบคาห์ออกเดินทาง
62Intussen was Isaäk naar de woestijn bij de bron van Lachai-Roï getrokken, en woonde hij in het land van de Négeb.
62อิสอัคกลับมาจากทางเบเออร์ลาไฮรอยเพราะเขาอาศัยอยู่ในดินแดนตอนใต้
63Eens was Isaäk bij het vallen van de avond het veld ingegaan, om zich wat te verzetten; toevallig sloeg hij zijn ogen op, en zie: daar kwamen kamelen aan.
63ตอนเย็นอิสอัคออกไปครุ่นคิดอยู่ในทุ่ง เมื่อมองขึ้นไปก็เห็นอูฐกำลังเดินมา
64Ook Rebekka sloeg haar ogen op; en toen zij Isaäk zag, liet zij zich van haar kameel afglijden,
64เรเบคาห์มองขึ้นไปเห็นอิสอัคก็ลงจากอูฐ
65en sprak tot den dienaar: Wie is die man daar, die ons in het veld tegemoet komt? De dienaar antwoordde: Dat is mijn meester. Toen nam ze haar sluier, en bedekte zich.
65เธอถามคนรับใช้ว่า“ผู้ชายที่กำลังเดินในทุ่งมาพบพวกเราคือใคร” คนรับใช้ตอบว่า“นายของผมเอง” เรเบคาห์จึงหยิบผ้าคลุมมาคลุมตัว
66En nadat de dienaar alles, wat hij gedaan had, aan Isaäk had verteld,
66คนรับใช้เล่าให้อิสอัคฟังทุกเรื่องที่เขาทำมา
67leidde Isaäk Rebekka naar de tent van Sara zijn moeder, en nam haar tot vrouw. Isaäk kreeg haar lief, en troostte zich over de dood van zijn moeder.
67อิสอัคพาเรเบคาห์เข้าไปในเต็นท์ของซาราห์แม่ของเขารับเรเบคาห์เป็นภรรยาและรักเธอ อิสอัคจึงคลายความโศกหลังจากแม่เสียชีวิต
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.