Genesis 24
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Chinese Union Version, punctuated (Simplified)
1Abraham was oud en hoogbejaard, en Jahweh had Abraham in alles gezegend.
1亚伯拉罕 年纪老迈,向来在一切事上耶和华都赐福给他。
2Daarom sprak Abraham tot den oudsten dienaar van zijn huis, die het opzicht had over heel zijn bezit: Leg uw hand onder mijn heup;
2亚伯拉罕 对管理他全业最老的仆人说:「请你把手放在我大腿底下。
3want ik wil u doen zweren bij Jahweh, den God des hemels en den God der aarde, dat gij voor mijn zoon geen vrouw zult kiezen uit de dochters der Kanaänieten, in wier midden ik woon;
3我要叫你指着耶和华—天地的主起誓,不要为我儿子娶这 迦南 地中的女子为妻。
4maar dat gij naar mijn land en mijn familie zult gaan, om dáár een vrouw voor mijn zoon Isaäk te zoeken.
4你要往我本地本族去,为我的儿子 以撒 娶一个妻子。」
5De dienaar antwoordde: Maar als nu de vrouw mij niet wil volgen naar dit land, moet ik dan uw zoon terugbrengen naar het land, waaruit gij zijt weggetrokken?
5仆人对他说:「倘若女子不肯跟我到这地方来,我必须将你的儿子带回你原出之地吗?」
6Maar Abraham zeide hem: Pas op, dat ge mijn zoon daar niet terugbrengt.
6亚伯拉罕 对他说:「你要谨慎,不要带我的儿子回那里去。
7Jahweh, de God des hemels, die mij uit mijn vaderlijk huis en uit mijn geboorteland heeft geleid, en die mij gezegd en bezworen heeft: “Aan uw nageslacht geef Ik dit land”: Hij zal zijn engel voor u uit zenden, en u daar voor mijn zoon een vrouw laten vinden.
7耶和华—天上的主曾带领我离开父家和本族的地,对我说话,向我起誓说:『我要将这地赐给你的后裔。』他必差遣使者在你面前,你就可以从那里为我儿子娶一个妻子。
8Mocht die vrouw u niet willen volgen, dan verplicht mijn eed u niet langer; maar in geen geval moogt ge mijn zoon daar terugbrengen.
8倘若女子不肯跟你来,我使你起的誓就与你无干了,只是不可带我的儿子回那里去。」
9Toen legde de dienaar zijn hand onder de heup van Abraham, zijn meester, en zwoer hem de gevraagde eed.
9仆人就把手放在他主人 亚伯拉罕 的大腿底下,为这事向他起誓。
10Nu nam de dienaar tien kamelen uit de kudde van zijn meester, pakte allerlei kostbaarheden van zijn meester bijeen, trok op en reisde naar Aram-Naharáim, naar de stad van Nachor.
10那仆人从他主人的骆驼里取了十匹骆驼,并带些他主人各样的财物,起身往 美索不达米亚 去,到了 拿鹤 的城。
11Buiten de stad bij de waterput liet hij de kamelen neerknielen; het was tegen de avond, dus tegen de tijd, dat de vrouwen naar buiten gaan, om water te putten.
11天将晚,众女子出来打水的时候,他便叫骆驼跪在城外的水井那里。
12Toen sprak hij: Jahweh, God van mijn heer Abraham; ik bid U, laat mij nu slagen, en wees Abraham, mijn meester, genadig.
12他说:「耶和华—我主人 亚伯拉罕 的 神啊,求你施恩给我主人 亚伯拉罕 ,使我今日遇见好机会。
13Zie, ik sta bij de bron, en de dochters van de burgers der stad komen naar buiten, om water te putten.
13我现今站在井旁,城内居民的女子们正出来打水。
14Wanneer het meisje, tot wie ik zeg: “reik mij uw kruik, om te drinken”, ten antwoord geeft: “drink, en ook uw kamelen zal ik water geven”; dan zal dàt het meisje zijn, dat Gij voor uw dienaar Isaäk hebt bestemd; en daaraan zal ik erkennen, dat Gij mijn heer genadig zijt.
14我向那一个女子说:『请你拿下水瓶来,给我水喝』,她若说:『请喝!我也给你的骆驼喝。』愿那女子就作你所预定给你仆人 以撒 的妻。这样,我便知道你施恩给我主人了。」
15Nog had hij niet uitgesproken, of Rebekka kwam met een kruik op haar schouder naar buiten; zij was de dochter van Betoeël, den zoon van Milka, de vrouw van Nachor, Abrahams broer.
15话还没有说完,不料, 利百加 肩头上扛着水瓶出来。 利百加 是 彼土利 所生的; 彼土利 是 亚伯拉罕 兄弟 拿鹤 妻子 密迦 的儿子。
16Het was een bijzonder mooi meisje; een maagd, die nog met geen man omgang had gehad. Zij daalde af naar de bron, vulde haar kruik, en kwam weer naar boven.
16那女子容貌极其俊美,还是处女,也未曾有人亲近她。她下到井旁,打满了瓶,又上来。
17De dienaar liep op haar toe, en sprak: Laat mij een beetje water drinken uit uw kruik.
17仆人跑上前去迎着她,说:「求你将瓶里的水给我一点喝。」
18Zij antwoordde: Drink, heer. En terstond liet zij de kruik op haar hand zakken, en gaf hem te drinken.
18女子说:「我主请喝!」就急忙拿下瓶来,托在手上给他喝。
19En toen zij hem had laten drinken, zeide zij nog: Ook voor uw kamelen zal ik water putten, tot ze genoeg hebben.
19女子给他喝了,就说:「我再为你的骆驼打水,叫骆驼也喝足。」
20Vlug goot ze haar kruik in de drinkbak leeg, repte zich weer naar de put, om opnieuw te gaan scheppen, en water te putten voor al zijn kamelen.
20她就急忙把瓶里的水倒在槽里,又跑到井旁打水,就为所有的骆驼打上水来。
21Zwijgend nam de man haar nauwkeuriger op, om te weten, of Jahweh zijn reis had doen slagen, of niet.
21那人定睛看她,一句话也不说,要晓得耶和华赐他通达的道路没有。
22En nadat de kamelen volop hadden gedronken, nam de man een gouden neusring ter waarde van een halve sikkel, stak die in haar neus, deed om haar polsen twee armbanden ter waarde van tien gouden sikkels,
22骆驼喝足了,那人就拿一个金环,重半舍客勒,两个金镯,重十舍客勒,给了那女子,
23en vroeg: Wiens dochter zijt gij; vertel me dat eens? Is er in het huis van uw vader plaats voor ons, om te overnachten?
23说:「请告诉我,你是谁的女儿?你父亲家里有我们住宿的地方没有?」
24Ze gaf hem ten antwoord: Ik ben de dochter van Betoeël, den zoon van Milka, dien zij aan Nachor heeft gebaard.
24女子说:「我是 密迦 与 拿鹤 之子 彼土利 的女儿」;
25En zij ging voort: We hebben stro en voedsel in overvloed, ook plaats om te overnachten.
25又说:「我们家里足有粮草,也有住宿的地方。」
26Toen viel de man op zijn knieën, aanbad Jahweh,
26那人就低头向耶和华下拜,
27en sprak: Gezegend zij Jahweh, de God van Abraham, mijn meester, die zijn genade en trouw aan mijn heer niet onthoudt; want Jahweh heeft mij geleid naar het huis van den broer van mijn heer.
27说:「耶和华—我主人 亚伯拉罕 的 神是应当称颂的,因他不断地以慈爱诚实待我主人。至于我,耶和华在路上引领我,直走到我主人的兄弟家里。」
28Het meisje was al naar huis gelopen, en vertelde thuis aan haar moeder, wat er gebeurd was.
28女子跑回去,照着这些话告诉她母亲和她家里的人。
29Nu had Rebekka een broer, die Laban heette. Laban liep naar den man, die buiten bij de bron stond;
29利百加 有一个哥哥,名叫 拉班 ,看见金环,又看见金镯在他妹子的手上,并听见他妹子 利百加 的话,说那人对我如此如此说。 拉班 就跑出来往井旁去,到那人跟前,见他仍站在骆驼旁边的井旁那里,
30want hij had de neusring gezien met de armbanden om de polsen van zijn zuster, en zijn zuster Rebekka horen vertellen: zo en zo heeft de man met mij gesproken. Hij trad op hem toe, terwijl hij nog met de kamelen bij de bron stond te wachten,
no verse 30 in this text
31en sprak: Kom, gezegende van Jahweh; waarom blijft ge nog buiten staan, terwijl ik het huis en een plaats voor de kamelen al gereed heb?
31便对他说:「你这蒙耶和华赐福的,请进来,为什么站在外边?我已经收拾了房屋,也为骆驼预备了地方。」
32Hij leidde den man naar huis, zadelde de kamelen af, en gaf ze stro en voer; dan bracht hij voor hem en zijn mannen water, om zich de voeten te wassen.
32那人就进了 拉班 的家。 拉班 卸了骆驼,用草料喂上,拿水给那人和跟随的人洗脚;
33Maar toen hem spijzen werden voorgezet, zeide hij: Ik eet niet, eer ik gezegd heb, wat ik moet zeggen. Hij zeide: Spreek op.
33把饭摆在他面前,叫他吃,他却说:「我不吃,等我说明白我的事情再吃。」 拉班 说:「请说。」
34En hij sprak: Ik ben de dienaar van Abraham.
34他说:「我是 亚伯拉罕 的仆人。
35Jahweh heeft mijn heer overvloedig gezegend, zodat hij rijk is geworden; Hij heeft hem schapen en runderen, zilver en goud, slaven en slavinnen, kamelen en ezels geschonken.
35耶和华大大地赐福给我主人,使他昌大,又赐给他羊群、牛群、金银、仆婢、骆驼,和驴。
36En Sara, de vrouw van mijn meester, heeft mijn heer een zoon gebaard, toen ze reeds oud was; en aan hem heeft hij heel zijn bezit vermaakt.
36我主人的妻子 撒拉 年老的时候给我主人生了一个儿子;我主人也将一切所有的都给了这个儿子。
37Nu heeft mijn meester mij een eed laten zweren: Gij moogt voor mijn zoon geen vrouw nemen uit de dochters der Kanaänieten, in wier land ik woon;
37我主人叫我起誓说:『你不要为我儿子娶 迦南 地的女子为妻。
38maar ge moet naar het huis van mijn vader gaan en naar mijn stam, om daar een vrouw voor mijn zoon te halen.
38你要往我父家、我本族那里去,为我的儿子娶一个妻子。』
39Ik zeide tot mijn heer: Maar als die vrouw mij niet wil volgen?
39我对我主人说:『恐怕女子不肯跟我来。』
40Hij antwoordde mij: Jahweh voor wiens aanschijn ik heb geleefd, Hij zal zijn engel met u zenden, en uw reis doen gelukken; gij zult een vrouw voor mijn zoon krijgen uit mijn stam en uit het huis van mijn vader.
40他就说:『我所事奉的耶和华必要差遣他的使者与你同去,叫你的道路通达,你就得以在我父家、我本族那里,给我的儿子娶一个妻子。
41Eerst dan zijt gij van de eed, die ik u opleg, ontslagen, als ge bij mijn stam zijt gekomen, en men er u geen geven wil; dan verplicht mijn eed u niet meer.
41只要你到了我本族那里,我使你起的誓就与你无干。他们若不把女子交给你,我使你起的誓也与你无干。』
42Toen ik dan vandaag bij de bron was gekomen, zeide ik: Jahweh, God van mijn heer Abraham; ach, laat toch de reis gelukken, die ik heb ondernomen.
42「我今日到了井旁,便说:『耶和华—我主人 亚伯拉罕 的 神啊,愿你叫我所行的道路通达。
43Zie, ik sta nu bij de waterbron. Wanneer de maagd, die naar buiten komt, om water te putten, en tot wie ik zeg: “geef mij een beetje water te drinken uit uw kruik”,
43我如今站在井旁,对哪一个出来打水的女子说:请你把你瓶里的水给我一点喝;
44mij ten antwoord geeft: “drink, en ook voor uw kamelen zal ik putten”, dan zal zij de vrouw zijn, die Jahweh voor den zoon van mijn heer heeft bestemd.
44她若说:你只管喝,我也为你的骆驼打水;愿那女子就作耶和华给我主人儿子所预定的妻。』
45Nog had ik bij mezelf niet uitgesproken, of daar kwam Rebekka naar buiten met haar kruik op haar schouder, en daalde af naar de bron, om te putten. En toen ik haar zeide: “laat mij wat drinken”,
45我心里的话还没有说完, 利百加 就出来,肩头上扛着水瓶,下到井旁打水。我便对她说:『请你给我水喝。』
46liet ze dadelijk haar kruik zakken, en sprak: “drink, en ook uw kamelen zal ik water geven”. Ik dronk, en ze liet ook de kamelen drinken.
46她就急忙从肩头上拿下瓶来,说:『请喝!我也给你的骆驼喝。』我便喝了;她又给我的骆驼喝了。
47Ik vroeg haar: Wiens dochter zijt gij? Zij antwoordde: De dochter van Betoeël, den zoon van Nachor, dien Milka hem geschonken heeft. Toen stak ik een ring in haar neus, en deed armbanden om haar polsen.
47我问她说:『你是谁的女儿?』她说:『我是 密迦 与 拿鹤 之子 彼土利 的女儿。』我就把环子戴在她鼻子上,把镯子戴在她两手上。
48Ik viel op mijn knieën om Jahweh te aanbidden, en ik zegende Jahweh, den God van mijn heer Abraham, die mij op de rechte weg had geleid, om voor zijn zoon de dochter van den broer van mijn meester te gaan halen.
48随后我低头向耶和华下拜,称颂耶和华—我主人 亚伯拉罕 的 神;因为他引导我走合式的道路,使我得着我主人兄弟的孙女,给我主人的儿子为妻。
49Welnu dan, als gij mijn heer liefde en trouw wilt bewijzen, zegt het mij dan; maar zo niet, laat het mij eveneens weten, dan kan ik naar rechts of naar links gaan.
49现在你们若愿以慈爱诚实待我主人,就告诉我;若不然,也告诉我,使我可以或向左,或向右。」
50Laban en Betoeël gaven ten antwoord: Dit is een beschikking van Jahweh; we kunnen er niets tegen inbrengen.
50拉班 和 彼土利 回答说:「这事乃出于耶和华,我们不能向你说好说歹。
51Zie Rebekka staat te uwer beschikking; neem haar met u mee, opdat zij de vrouw wordt van den zoon van uw heer, zoals Jahweh gezegd heeft.
51看哪, 利百加 在你面前,可以将她带去,照着耶和华所说的,给你主人的儿子为妻。」
52Toen de dienaar van Abraham had gehoord wat ze zeiden, wierp hij zich ter aarde voor Jahweh neer.
52亚伯拉罕 的仆人听见他们这话,就向耶和华俯伏在地。
53Hij haalde zilveren en gouden sieraden en klederen te voorschijn, en schonk ze aan Rebekka; ook aan haar broer en haar moeder gaf hij kostbare geschenken.
53当下仆人拿出金器、银器,和衣服送给 利百加 ,又将宝物送给她哥哥和她母亲。
54Toen eerst aten en dronken hij en zijn mannen, en bleven ze overnachten. Zodra men de volgende morgen was opgestaan, sprak hij: Laat mij nu terug gaan naar mijn heer.
54仆人和跟从他的人吃了喝了,住了一夜。早晨起来,仆人就说:「请打发我回我主人那里去吧。」
55Maar haar broer en haar moeder zeiden: Laat het meisje nog een dag of tien bij ons blijven; dan kan ze vertrekken.
55利百加 的哥哥和她母亲说:「让女子同我们再住几天,至少十天,然后她可以去。」
56Maar hij antwoordde hun: Houdt me niet tegen, nu Jahweh mijn reis heeft doen slagen; staat mij dus toe, naar mijn heer te vertrekken.
56仆人说:「耶和华既赐给我通达的道路,你们不要耽误我,请打发我走,回我主人那里去吧。」
57Ze zeiden: We zullen het meisje roepen, en het haar zelf vragen.
57他们说:「我们把女子叫来问问她」,
58Zij riepen Rebekka, en vroegen haar: Wilt ge met dien man meegaan? Zij antwoordde: Ja!
58就叫了 利百加 来,问她说:「你和这人同去吗?」 利百加 说:「我去。」
59Nu lieten ze hun zuster Rebekka vertrekken, vergezeld van haar min en den dienaar van Abraham met zijn volk.
59于是他们打发妹子 利百加 和她的乳母,同 亚伯拉罕 的仆人,并跟从仆人的,都走了。
60Zij zegenden Rebekka, en zeiden tot haar: Zuster, moogt ge tot duizend maal tienduizenden groeien, En moge uw kroost de poorten bezitten van die het haten.
60他们就给 利百加 祝福说: 我们的妹子啊,愿你作千万人的母! 愿你的后裔得着仇敌的城门!
61Toen maakten Rebekka en haar dienstmaagd zich klaar, stegen op de kamelen, en sloten zich aan bij den man; de dienaar nam Rebekka mee, en vertrok.
61利百加 和她的使女们起来,骑上骆驼,跟着那仆人,仆人就带着 利百加 走了。
62Intussen was Isaäk naar de woestijn bij de bron van Lachai-Roï getrokken, en woonde hij in het land van de Négeb.
62那时, 以撒 住在南地,刚从 庇耳·拉海·莱 回来。
63Eens was Isaäk bij het vallen van de avond het veld ingegaan, om zich wat te verzetten; toevallig sloeg hij zijn ogen op, en zie: daar kwamen kamelen aan.
63天将晚, 以撒 出来在田间默想,举目一看,见来了些骆驼。
64Ook Rebekka sloeg haar ogen op; en toen zij Isaäk zag, liet zij zich van haar kameel afglijden,
64利百加 举目看见 以撒 ,就急忙下了骆驼,
65en sprak tot den dienaar: Wie is die man daar, die ons in het veld tegemoet komt? De dienaar antwoordde: Dat is mijn meester. Toen nam ze haar sluier, en bedekte zich.
65问那仆人说:「这田间走来迎接我们的是谁?」仆人说:「是我的主人。」 利百加 就拿帕子蒙上脸。
66En nadat de dienaar alles, wat hij gedaan had, aan Isaäk had verteld,
66仆人就将所办的一切事都告诉 以撒 。
67leidde Isaäk Rebekka naar de tent van Sara zijn moeder, en nam haar tot vrouw. Isaäk kreeg haar lief, en troostte zich over de dood van zijn moeder.
67以撒 便领 利百加 进了他母亲 撒拉 的帐棚,娶了她为妻,并且爱她。 以撒 自从他母亲不在了,这才得了安慰。
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.