Genesis 8
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Chinese Union Version, punctuated (Simplified)
1Toen dacht God aan Noë, en aan alle wilde en tamme dieren, die met hem in de ark waren. God deed een wind over de aarde waaien, waardoor het water begon te zakken.
1神记念 挪亚 和 挪亚 方舟里的一切走兽牲畜。 神叫风吹地,水势渐落。
2De kolken van de afgrond en de sluizen van de hemel werden gesloten, en de regen uit de hemel hield op.
2渊源和天上的窗户都闭塞了,天上的大雨也止住了。
3Het water vloeide langzaam heen, en zakte na verloop van honderd vijftig dagen van de aarde weg.
3水从地上渐退。过了一百五十天,水就渐消。
4In de zevende maand, op de zeventiende dag van de maand, liep de ark op het gebergte Ararat vast.
4七月十七日,方舟停在 亚拉腊山 上。
5Het water bleef geleidelijk zakken tot de tiende maand; op de eerste dag der tiende maand werden de toppen der bergen zichtbaar.
5水又渐消,到十月初一日,山顶都现出来了。
6En toen er veertig dagen waren verlopen, opende Noë het venster, dat hij in de ark had gemaakt.
6过了四十天, 挪亚 开了方舟的窗户,
7Hij liet een raaf los, die heen en weer bleef vliegen, tot het water op de aarde was opgedroogd.
7放出一只乌鸦去;那乌鸦飞来飞去,直到地上的水都干了。
8Daarna liet hij een duif los, om te zien, of het water al van de aarde weg was.
8他又放出一只鸽子去,要看看水从地上退了没有。
9Maar de duif vond geen plek voor haar pootjes en keerde naar hem terug in de ark; want het water hield nog de hele oppervlakte der aarde bedekt. Hij stak zijn hand uit, pakte ze beet, en haalde ze naar zich toe in de ark.
9但遍地上都是水,鸽子找不着落脚之地,就回到方舟 挪亚 那里, 挪亚 伸手把鸽子接进方舟来。
10Nu wachtte hij nog zeven dagen, en liet toen opnieuw een duif uit de ark.
10他又等了七天,再把鸽子从方舟放出去。
11De duif keerde tegen de avond naar hem terug, en droeg een frisse olijftak in de bek. Toen begreep Noë, dat het water van de aarde moest zijn weggezakt.
11到了晚上,鸽子回到他那里,嘴里叼着一个新拧下来的橄榄叶子, 挪亚 就知道地上的水退了。
12Weer wachtte hij nu zeven dagen, en liet toen opnieuw de duif uitvliegen; maar nu keerde ze niet meer naar hem terug.
12他又等了七天,放出鸽子去,鸽子就不再回来了。
13In het zeshonderd eerste levensjaar van Noë, in het begin van de eerste maand, was het water van de aarde opgedroogd. Nu verwijderde Noë het dak van de ark, en keek naar buiten; en zie, de oppervlakte der aarde was droog.
13到 挪亚 六百零一岁,正月初一日,地上的水都干了。 挪亚 撤去方舟的盖观看,便见地面上干了。
14In de tweede maand, op de zeven en twintigste dag der maand, was de aarde helemaal droog.
14到了二月二十七日,地就都干了。
15Toen sprak God tot Noë:
15神对 挪亚 说:
16Ga uit de ark; gij met uw vrouw, uw zonen en de vrouwen uwer zonen.
16「你和你的妻子、儿子、儿妇都可以出方舟。
17En laat ook alle dieren, alle wezens die bij u zijn, tegelijk met u naar buiten komen: de vogels, de viervoetige dieren en al wat op de aarde kruipt; opdat ze zich weer op de aarde bewegen, vruchtbaar zijn, en talrijk worden op aarde.
17在你那里凡有血肉的活物,就是飞鸟、牲畜,和一切爬在地上的昆虫,都要带出来,叫它在地上多多滋生,大大兴旺。」
18Noë ging er dus uit met zijn zonen, zijn vrouw en de vrouwen van zijn zonen.
18于是 挪亚 和他的妻子、儿子、儿妇都出来了。
19Ook alle viervoetige dieren, alle vogels en al wat over de aarde kruipt, elk naar zijn soort, kwamen naar buiten uit de ark.
19一切走兽、昆虫、飞鸟,和地上所有的动物,各从其类,也都出了方舟。
20Toen bouwde Noë een altaar voor Jahweh; en hij nam van alle reine dieren en van alle reine vogels, en droeg ze op het altaar als brandoffer op.
20挪亚 为耶和华筑了一座坛,拿各类洁净的牲畜、飞鸟献在坛上为燔祭。
21Jahweh rook de aangename geur, en sprak bij Zich zelf: Nooit meer zal Ik om den mens de aarde vervloeken, want de gedachten van het mensenhart zijn slecht van zijn jeugd af; en nooit meer zal Ik alle levende wezens treffen, zoals Ik nu heb gedaan.
21耶和华闻那馨香之气,就心里说:「我不再因人的缘故咒诅地(人从小时心里怀着恶念),也不再按着我才行的灭各种的活物了。
22Zolang de aarde bestaat, Zal er zaai(-) en oogsttijd, koude en hitte zijn; Zomer en winter, dag en nacht, Nooit houden ze op!
22地还存留的时候,稼穑、寒暑、冬夏、昼夜就永不停息了。」
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.