Galaten
Chapter 5

Galaten

Petrus Canisius Bible, 1…
vs Kralice Bible (1613)
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kralice Bible (1613)
1Christus heeft ons vrij gemaakt, om in de vrijheid te blijven; staat dus vast, en kromt u niet opnieuw onder het slavenjuk.
1Protož v svobodě, kterouž Kristus nás osvobodil, stůjte a nezapletejtež se zase v jho služebnosti.
2Zie, ik Paulus zeg het u: Als gij u besnijden laat, zal Christus u niets baten.
2Aj, já Pavel pravím vám, že budete-li se obřezovati, Kristus vám nic neprospěje.
3En nog eens verklaar ik aan iedereen, die zich besnijden laat, dat hij dan verplicht is de hele Wet te onderhouden;
3A zase osvědčuji všelikému člověku, kterýž se obřezuje, že jest povinen všecken Zákon naplniti.
4en aan ieder van u, die gerechtvaardigd wil worden door de Wet, dat gij u losmaakt van Christus, en vervallen zijt van de genade.
4Odcizili jste se Krista, kteřížkoli v Zákoně ospravedlněni býti hledáte; vypadli jste z milosti.
5Door den Geest immers verwachten we de gehoopte gerechtigheid uit kracht van het geloof;
5My zajisté duchem z víry, naděje spravedlnosti očekáváme.
6want in Christus Jesus is besnijdenis noch onbesnedenheid van waarde, maar wel het geloof, dat werkt door de liefde.
6Nebo v Kristu Ježíši ani obřízka neprospívá, ani neobřízka, ale víra skrze lásku dělající.
7Gij waart zo goed aan het lopen; wie heeft u gestuit in het volgen der waarheid?
7Běželi jste dobře. Kdo jest vám překazil, abyste pravdy neposlouchali?
8Dat was zeker geen ingeving van Hem, die u roept;
8Neníť ta rada z toho, kterýž vás volá.
9een weinig zuurdeeg verzuurt al het deeg!
9Maličko kvasu všecko těsto nakvašuje.
10Ik vertrouw op u in den Heer, dat gij er niet anders over zult denken; maar wie verwarring onder u zaait, zal zijn straf ondergaan; wie het ook is.
10Jáť mám naději o vás v Pánu, že nic jiného smýšleti nebudete; ale ten, jenž kormoutí vás, trpěti bude soud, kdožť jest on koli.
11Broeders, wanneer ikzelf nog steeds de besnijdenis zou preken, waarom blijft men mij dan nog vervolgen; dan was toch de ergernis van het kruis wel verdwenen.
11Já pak, bratří, káži-li také obřízku, i pročež protivenství trpím? Tedy jest vyprázdněno pohoršení kříže.
12Laten zij, die u opstoken, zich maar verder verminken!
12Ó by raději odřezáni byli, kteříž vás nepokojí.
13Zeker broeders, gij zijt tot vrijheid geroepen; maar tot geen vrijheid, die een voorwendsel is voor het vlees. Integendeel, dient elkander uit liefde;
13Nebo vy v svobodu povoláni jste, bratří, toliko abyste té svobody nepokládali sobě za zámysl povolování tělu, ale skrze lásku posluhujte sobě vespolek.
14want de ganse Wet wordt vervuld in één enkel gebod: “Ge zult uw naaste liefhebben als uzelf.”
14Nebo všecken Zákon v jednom slovu se zavírá, totiž v tom: Milovati budeš bližního svého jako sebe samého.
15Maar zo gij elkander bijt en verslindt, ziet dan toe, dat gij niet door elkaar wordt verteerd.
15Pakli se vespolek koušete a žerete, hleďtež, abyste jedni od druhých zkaženi nebyli.
16Ook zeg ik u: leeft naar de geest, dan zult gij niet de begeerten inwilligen van het vlees.
16Ale pravímť: Duchem choďte, a žádosti těla nevykonáte.
17Want het vlees begeert tegen de geest, en de geest tegen het vlees; ze staan vijandig tegenover elkaar, zodat gij niet doet, wat gij zoudt willen.
17Nebo tělo žádá proti Duchu, a Duch proti tělu. Ty pak věci jsou sobě vespolek odporné, tak abyste ne hned, což byste chtěli, to činili.
18Indien gij u door de geest laat leiden, dan valt gij niet onder de Wet.
18Jestliže pak Duchem vedeni býváte, nejste pod Zákonem.
19Welnu, de werken van het vlees zijn bekend: ontucht, onreinheid en losbandigheid;
19Zjevníť jsou pak skutkové těla, jenž jsou: Cizoložstvo, smilstvo, nečistota, chlipnost,
20afgoderij en toverij; vijandschap, twist, afgunst, gramschap, partijzucht, verdeeldheid, scheuring,
20Modloslužba, čarování, nepřátelství, svárové, nenávisti, hněvové, dráždění, různice, sekty,
21en nijd; dronkenschap, brasserij en dergelijke; en ik waarschuw u, zoals ik het ook vroeger deed: wie zo iets doet, zal het koninkrijk Gods niet beërven.
21Závisti, vraždy, opilství, hodování, a těm podobné věci. Kteréžto kdožkoli činí, toť vám předpovídám, jakož jsem i prve pravil, že království Božího dědicové nebudou.
22Maar de vrucht van de geest is: liefde, blijdschap en vrede; lankmoedigheid, welwillendheid en goedhartigheid; betrouwbaarheid,
22Ovoce pak Ducha jestiť: Láska, radost, pokoj, tichost, dobrotivost, dobrota, věrnost, krotkost, středmost.
23zachtmoedigheid en gematigdheid. En tegen dit alles is de Wet niet gericht.
23Proti takovýmť není Zákon.
24Welnu, zij die Christus toebehoren, hebben het vlees gekruisigd met zijn driften en begeerten.
24Nebo kteříž jsou Kristovi, tiť jsou tělo své ukřižovali s vášněmi a s žádostmi.
25Zo we leven door de geest, laat ons dan ook handelen naar de geest;
25Jsme-liť tedy Duchem živi, Duchem i choďme.
26niet begerig naar ijdele glorie, elkander niet tartend, elkaar niet benijdend.
26Nebývejme marné chvály žádostivi, jedni druhých popouzejíce a jedni druhým závidíce.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.