Galaten 5
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Lutherbibel 1912
1Christus heeft ons vrij gemaakt, om in de vrijheid te blijven; staat dus vast, en kromt u niet opnieuw onder het slavenjuk.
1So bestehet nun in der Freiheit, zu der uns Christus befreit hat, und lasset euch nicht wiederum in das knechtische Joch fangen.
2Zie, ik Paulus zeg het u: Als gij u besnijden laat, zal Christus u niets baten.
2Siehe, ich, Paulus, sage euch: Wo ihr euch beschneiden lasset, so nützt euch Christus nichts.
3En nog eens verklaar ik aan iedereen, die zich besnijden laat, dat hij dan verplicht is de hele Wet te onderhouden;
3Ich bezeuge abermals einem jeden, der sich beschneiden läßt, daß er das ganze Gesetz schuldig ist zu tun.
4en aan ieder van u, die gerechtvaardigd wil worden door de Wet, dat gij u losmaakt van Christus, en vervallen zijt van de genade.
4Ihr habt Christum verloren, die ihr durch das Gesetz gerecht werden wollt, und seid von der Gnade gefallen.
5Door den Geest immers verwachten we de gehoopte gerechtigheid uit kracht van het geloof;
5Wir aber warten im Geist durch den Glauben der Gerechtigkeit, auf die man hoffen muß.
6want in Christus Jesus is besnijdenis noch onbesnedenheid van waarde, maar wel het geloof, dat werkt door de liefde.
6Denn in Christo Jesu gilt weder Beschneidung noch unbeschnitten sein etwas, sondern der Glaube, der durch die Liebe tätig ist.
7Gij waart zo goed aan het lopen; wie heeft u gestuit in het volgen der waarheid?
7Ihr liefet fein. Wer hat euch aufgehalten, der Wahrheit nicht zu gehorchen?
8Dat was zeker geen ingeving van Hem, die u roept;
8Solch Überreden ist nicht von dem, der euch berufen hat.
9een weinig zuurdeeg verzuurt al het deeg!
9Ein wenig Sauerteig versäuert den ganzen Teig.
10Ik vertrouw op u in den Heer, dat gij er niet anders over zult denken; maar wie verwarring onder u zaait, zal zijn straf ondergaan; wie het ook is.
10Ich versehe mich zu euch in dem HERRN, ihr werdet nicht anders gesinnt sein. Wer euch aber irremacht, der wird sein Urteil tragen, er sei, wer er wolle.
11Broeders, wanneer ikzelf nog steeds de besnijdenis zou preken, waarom blijft men mij dan nog vervolgen; dan was toch de ergernis van het kruis wel verdwenen.
11Ich aber, liebe Brüder, so ich die Beschneidung noch predige, warum leide ich denn Verfolgung? So hätte ja das Ärgernis des Kreuzes aufgehört.
12Laten zij, die u opstoken, zich maar verder verminken!
12Wollte Gott, daß sie auch ausgerottet würden, die euch verstören!
13Zeker broeders, gij zijt tot vrijheid geroepen; maar tot geen vrijheid, die een voorwendsel is voor het vlees. Integendeel, dient elkander uit liefde;
13Ihr aber, liebe Brüder, seid zur Freiheit berufen! Allein sehet zu, daß ihr durch die Freiheit dem Fleisch nicht Raum gebet; sondern durch die Liebe diene einer dem andern.
14want de ganse Wet wordt vervuld in één enkel gebod: “Ge zult uw naaste liefhebben als uzelf.”
14Denn alle Gesetze werden in einem Wort erfüllt, in dem: “Liebe deinen Nächsten wie dich selbst.”
15Maar zo gij elkander bijt en verslindt, ziet dan toe, dat gij niet door elkaar wordt verteerd.
15So ihr euch aber untereinander beißet und fresset, so seht zu, daß ihr nicht untereinander verzehrt werdet.
16Ook zeg ik u: leeft naar de geest, dan zult gij niet de begeerten inwilligen van het vlees.
16Ich sage aber: Wandelt im Geist, so werdet ihr die Lüste des Fleisches nicht vollbringen.
17Want het vlees begeert tegen de geest, en de geest tegen het vlees; ze staan vijandig tegenover elkaar, zodat gij niet doet, wat gij zoudt willen.
17Denn das Fleisch gelüstet wider den Geist, und der Geist wider das Fleisch; dieselben sind widereinander, daß ihr nicht tut, was ihr wollt.
18Indien gij u door de geest laat leiden, dan valt gij niet onder de Wet.
18Regiert euch aber der Geist, so seid ihr nicht unter dem Gesetz.
19Welnu, de werken van het vlees zijn bekend: ontucht, onreinheid en losbandigheid;
19Offenbar sind aber die Werke des Fleisches, als da sind: Ehebruch, Hurerei, Unreinigkeit, Unzucht,
20afgoderij en toverij; vijandschap, twist, afgunst, gramschap, partijzucht, verdeeldheid, scheuring,
20Abgötterei, Zauberei, Feindschaft, Hader, Neid, Zorn, Zank, Zwietracht, Rotten, Haß, Mord,
21en nijd; dronkenschap, brasserij en dergelijke; en ik waarschuw u, zoals ik het ook vroeger deed: wie zo iets doet, zal het koninkrijk Gods niet beërven.
21Saufen, Fressen und dergleichen, von welchen ich euch zuvor gesagt und sage noch zuvor, daß, die solches tun, werden das Reich Gottes nicht erben.
22Maar de vrucht van de geest is: liefde, blijdschap en vrede; lankmoedigheid, welwillendheid en goedhartigheid; betrouwbaarheid,
22Die Frucht aber des Geistes ist Liebe, Freude, Friede, Geduld, Freundlichkeit, Gütigkeit, Glaube, Sanftmut, Keuschheit.
23zachtmoedigheid en gematigdheid. En tegen dit alles is de Wet niet gericht.
23Wider solche ist das Gesetz nicht.
24Welnu, zij die Christus toebehoren, hebben het vlees gekruisigd met zijn driften en begeerten.
24Welche aber Christo angehören, die kreuzigen ihr Fleisch samt den Lüsten und Begierden.
25Zo we leven door de geest, laat ons dan ook handelen naar de geest;
25So wir im Geist leben, so lasset uns auch im Geist wandeln.
26niet begerig naar ijdele glorie, elkander niet tartend, elkaar niet benijdend.
26Lasset uns nicht eitler Ehre geizig sein, einander zu entrüsten und zu hassen.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.