2 Petrus 2
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Douay-Rheims Bible, American Edition (1899)
1Maar er waren ook valse profeten opgestaan onder het Volk, zoals er ook valse leraars zullen zijn onder ú. Ze zullen verderflijke ketterijen binnensmokkelen, den Meester verloochenen, die hen heeft vrijgekocht, en zich zó een ras verderf berokkenen.
1But there were also false prophets among the people, even as there shall be among you lying teachers, who shall bring in sects of perdition, and deny the Lord who bought them: bringing upon themselves swift destruction.
2En velen zullen hun losbandigheid volgen; door hun toedoen zal de weg der Waarheid worden gelasterd.
2And many shall follow their riotousnesses, through whom the way of truth shall be evil spoken of.
3Ook zullen ze, door winzucht gedreven, u uitbuiten met sluwe woorden. Sinds lang reeds staat hun vonnis klaar, en hun ondergang sluimert niet in.
3And through covetousness shall they with feigned words make merchandise of you. Whose judgment now of a long time lingereth not, and their perdition slumbereth not.
4Want wanneer God de zondige engelen niet spaarde, maar ze naar de hel verwees, en opsloot in donkere holen, om ze vast te houden voor het oordeel;
4For if God spared not the angels that sinned, but delivered them, drawn down by infernal ropes to the lower hell, unto torments, to be reserved unto judgment:
5wanneer Hij de oude wereld niet spaarde, maar de zondvloed bracht over de wereld der goddelozen, maar het achttal van Noë, den heraut der gerechtigheid, in het leven behield;
5And spared not the original world, but preserved Noe, the eighth person, the preacher of justice, bringing in the flood upon the world of the ungodly.
6wanneer Hij de steden Sódoma en Gomorra in as legde, ze ten ondergang doemde en ze tot voorbeeld stelde voor goddelozen uit later tijd,
6And reducing the cities of the Sodomites, and of the Gomorrhites, into ashes, condemned them to be overthrown, making them an example to those that should after act wickedly.
7maar Lot den rechtvaardige redde, die door het liederlijk gedrag van tuchteloze lieden gekweld werd,
7And delivered just Lot, oppressed by the injustice and lewd conversation of the wicked.
8daar deze rechtschapen man in hun midden vertoefde, en, dag in, dag uit, zijn rechtvaardige ziel heeft gefolterd door de schandelijke daden die hij zien moest en horen;
8For in sight and hearing he was just: dwelling among them, who from day to day vexed the just soul with unjust works.
9dan staat het wel vast: de Heer weet de vromen uit de beproeving te redden, maar de bozen afgezonderd te houden, om ze te straffen op de dag van het oordeel;
9The Lord knoweth how to deliver the godly from temptation, but to reserve the unjust unto the day of judgment to be tormented.
10hen bovenal, die leven naar het vlees in onreine begeerten, en die de Heerschappij verachten. Vermetel en verwaand schromen ze niet, de Heerlijkheden te beschimpen.
10And especially them who walk after the flesh in the lust of uncleanness, and despise government, audacious, self willed, they fear not to bring in sects, blaspheming.
11En terwijl de Engelen, hun meerderen in kracht en in macht, tegen haar geen smalend oordeel uitspreken bij den Heer,
11Whereas angels who are greater in strength and power, bring not against themselves a railing judgment.
12smalen zij wat ze niet kennen, als redeloos vee, van nature tot grijpen en moorden bestemd. En aan hun eigen verderf zullen ze ten verderve gaan;
12But these men, as irrational beasts, naturally tending to the snare and to destruction, blaspheming those things which they know not, shall perish in their corruption,
13ze worden bedrogen als loon voor bedrog. Slempen des daags is hun een genot, dat vuil, die schandvlekken; en als ze met u de gemeenschappelijke maaltijd houden, brassen ze van hun bedriegerijen.
13Receiving the reward of their injustice, counting for a pleasure the delights of a day: stains and spots, sporting themselves to excess, rioting in their feasts with you:
14Hun ogen zijn vol overspel en rusteloos in de zonde; wankelende zielen verlokken ze er mee. Hun hart is in hebzucht volleerd; die kinderen der vervloeking!
14Having eyes full of adultery and of sin that ceaseth not: alluring unstable souls, having their heart exercised with covetousness, children of malediction:
15Ze hebben de rechte weg verlaten, en zijn aan het dwalen geraakt; ze hebben de weg van Bálaäm gevolgd, van Beórs zoon, die het loon der ongerechtigheid liefhad,
15Leaving the right way they have gone astray, having followed the way of Balaam of Bosor, who loved the wages of iniquity,
16maar een berisping voor zijn overtreding ontving: het stomme lastdier, sprekend met menselijke stem, stuitte de waanzin van den profeet.
16But had a check of his madness, the dumb beast used to the yoke, which speaking with man’s voice, forbade the folly of the prophet.
17Ze zijn bronnen zonder water, nevelwolken opgestuwd door de wind; de uiterste duisternis staat hen te wachten.
17These are fountains without water, and clouds tossed with whirlwinds, to whom the mist of darkness is reserved.
18Want met hun ijdele grootspraak en losbandige vleselijke lusten verlokken ze hen, die zich ternauwernood van de dolende heidenen hebben afgewend.
18For, speaking proud words of vanity, they allure by the desires of fleshly riotousness, those who for a little while escape, such as converse in error:
19Vrijheid spiegelen ze hun voor, maar zelf zijn ze slaven van het bederf; want door wien men overwonnen is, van hem is men de slaaf.
19Promising them liberty, whereas they themselves are the slaves of corruption. For by whom a man is overcome, of the same also he is the slave.
20Wanneer men immers door de kennis van Jesus Christus, onzen Heer en Verlosser, de besmetting der wereld is ontvlucht, maar er weer in verstrikt raakt en het onderspit delft, dan is voor zo iemand het laatste erger nog dan het eerste.
20For if, flying from the pollutions of the world, through the knowledge of our Lord and Saviour Jesus Christ, they be again entangled in them and overcome: their latter state is become unto them worse than the former.
21Want beter was het voor hen, de weg der gerechtigheid niet te hebben gekend, dan het heilig gebod, dat ze kregen, wèl te kennen, maar het de rug toe te keren.
21For it had been better for them not to have known the way of justice, than after they have known it, to turn back from that holy commandment which was delivered to them.
22Voor hen blijft gelden, wat het toepasselijke spreekwoord zegt: “Een hond keert terug naar zijn eigen braaksel,” en “een schoon-gewassen zwijn wentelt zich weer in de modder.”
22For, that of the true proverb has happened to them: The dog is returned to his vomit: and, The sow that was washed, to her wallowing in the mire.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.