2 Petrus
Chapter 2

2 Petrus

Petrus Canisius Bible, 1…
vs Kadede Kap (Pohnpe…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kadede Kap (Pohnpeian New Testament and Psalms)
1Maar er waren ook valse profeten opgestaan onder het Volk, zoals er ook valse leraars zullen zijn onder ú. Ze zullen verderflijke ketterijen binnensmokkelen, den Meester verloochenen, die hen heeft vrijgekocht, en zich zó een ras verderf berokkenen.
1Aren men ljrael jaukop likam kai pil mia, duen jaunpadak likam me pan mi re omail, me pan kawailon. do pwin jued kai, o re kin kamamki Kaun o, me dore ir ala, a i me re pan kare on pein irail kaopar madan.
2En velen zullen hun losbandigheid volgen; door hun toedoen zal de weg der Waarheid worden gelasterd.
2O me toto pan idauen ar padak japun, i me lamalam melel me pan kaankaururla.
3Ook zullen ze, door winzucht gedreven, u uitbuiten met sluwe woorden. Sinds lang reeds staat hun vonnis klaar, en hun ondergang sluimert niet in.
3O pweki ar nonorok ni lokaia widin re pan paie kin komail; ari, kadeik par duen men maj jota pan pwand, o ar pakamekam jota kin moleilei.
4Want wanneer God de zondige engelen niet spaarde, maar ze naar de hel verwees, en opsloot in donkere holen, om ze vast te houden voor het oordeel;
4Pwe, ma Kot jota kotin kupura tounlan ko, me wiadar dip, a a kotin kaje ir di lan nan pweleko, ap jalie kidi jal mata en rotorot, nekineki on ran en kadeik.
5wanneer Hij de oude wereld niet spaarde, maar de zondvloed bracht over de wereld der goddelozen, maar het achttal van Noë, den heraut der gerechtigheid, in het leven behield;
5O ma a jota kupura men kaua kan, a kamaureda Noa, jaunpadak en lamalam pun, ianaki pil ijimen, ni a kotikl on toun jappa jued nolik lapalap.
6wanneer Hij de steden Sódoma en Gomorra in as legde, ze ten ondergang doemde en ze tot voorbeeld stelde voor goddelozen uit later tijd,
6O a kotin wia kila paj kanim Jodom o Komora, o wukidedi, o kadeik ira da en ola, o wia kin ira kilel eu on me jan Kot akan, me pan pwarado mur.
7maar Lot den rechtvaardige redde, die door het liederlijk gedrag van tuchteloze lieden gekweld werd,
7O a kotin kapitala Lot pun amen, me aramaj jued wiai on jon en me jued karoj ni ar tiak jued.
8daar deze rechtschapen man in hun midden vertoefde, en, dag in, dag uit, zijn rechtvaardige ziel heeft gefolterd door de schandelijke daden die hij zien moest en horen;
8Pwe i ol pun o kaukaujon nan pun arail, kilekilan o roneron ar wiawia, kupur a pun ap lokelokki ar wiawia japun kaukaule.
9dan staat het wel vast: de Heer weet de vromen uit de beproeving te redden, maar de bozen afgezonderd te houden, om ze te straffen op de dag van het oordeel;
9A Kaun o kotin kak on kamaiola jan ni jonapan lelapok kan o nekinekid on ran en kadeik me japun kan, pwe ren kalokolok.
10hen bovenal, die leven naar het vlees in onreine begeerten, en die de Heerschappij verachten. Vermetel en verwaand schromen ze niet, de Heerlijkheden te beschimpen.
10A irail eta, me weweid ni inon jamin en pali uduk, o mamaleki monjap akan, o laumaum, o katiwo, o jomajak, o lalaue me linan akan.
11En terwijl de Engelen, hun meerderen in kracht en in macht, tegen haar geen smalend oordeel uitspreken bij den Heer,
11A tounlan kan, me lapalap o kelail jan irail, jota kin lalaue o kadeik irail da mon Kaun o.
12smalen zij wat ze niet kennen, als redeloos vee, van nature tot grijpen en moorden bestemd. En aan hun eigen verderf zullen ze ten verderve gaan;
12A mepukat rajon man akan, me jota ar lamelam, me udan kileledier on jalidi o kamela, pwe re lalaue, me re jaja, o re pan mekila ar wiawia jued.
13ze worden bedrogen als loon voor bedrog. Slempen des daags is hun een genot, dat vuil, die schandvlekken; en als ze met u de gemeenschappelijke maaltijd houden, brassen ze van hun bedriegerijen.
13Re pan ale katin en ar japun. Re kin kajampwaleki kaped en mana ni ran o. Irail men kajamin, o kanamenok, o kin ponmajuki omail mairon, o jokraui omail kapwa.
14Hun ogen zijn vol overspel en rusteloos in de zonde; wankelende zielen verlokken ze er mee. Hun hart is in hebzucht volleerd; die kinderen der vervloeking!
14O por en majarail me dir en kamal, o re jota kak dukedi jan wia dip, kotakotaue ir, me monion ar jo ten, o monion arail nonorok, iei jeri en rialar akan.
15Ze hebben de rechte weg verlaten, en zijn aan het dwalen geraakt; ze hebben de weg van Bálaäm gevolgd, van Beórs zoon, die het loon der ongerechtigheid liefhad,
15Me kajela al inen, ap jalonala, idedauen al en Pileam, nain Peor, me pok on pwain en me japun.
16maar een berisping voor zijn overtreding ontving: het stomme lastdier, sprekend met menselijke stem, stuitte de waanzin van den profeet.
16A a pokoki dip a, man aj loton lokelokaia ki nil en aramaj, kapueoki jan jaukop o ni a wiawia japun.
17Ze zijn bronnen zonder water, nevelwolken opgestuwd door de wind; de uiterste duisternis staat hen te wachten.
17Irail me rajon utun pil matada, o dapok me melimel kin iririp jili; nan rotorot lapalap me nekinekid on irail.
18Want met hun ijdele grootspraak en losbandige vleselijke lusten verlokken ze hen, die zich ternauwernood van de dolende heidenen hebben afgewend.
18Pwe re kin kida padak aklapalap, me jota kadepa, o ni ar wiawia jamin, re kin kainon ion inon jued en uduk, irail me apton muei jan me japunki padak likam.
19Vrijheid spiegelen ze hun voor, maar zelf zijn ze slaven van het bederf; want door wien men overwonnen is, van hem is men de slaaf.
19Re inauki on irail, ren jaledokala, a pein irail ladu en kajuedpar. Pwe melel, me amen lodi oner, i me a kin liduie kila.
20Wanneer men immers door de kennis van Jesus Christus, onzen Heer en Verlosser, de besmetting der wereld is ontvlucht, maar er weer in verstrikt raakt en het onderspit delft, dan is voor zo iemand het laatste erger nog dan het eerste.
20Pwe ma re pitila jan nan pwel en jappa, ki ar ajaer Kaun o Jaunkamaur Iejuj Krijtuj, rap pur on lijelepin kila o lodi on I nan ar wiawia en mur me jued jan men maj.
21Want beter was het voor hen, de weg der gerechtigheid niet te hebben gekend, dan het heilig gebod, dat ze kregen, wèl te kennen, maar het de rug toe te keren.
21Mak eta, ma re jota aja duen al en pun, jan ar aja, ap wuki wei jan kujoned jaraui, me re aleer.
22Voor hen blijft gelden, wat het toepasselijke spreekwoord zegt: “Een hond keert terug naar zijn eigen braaksel,” en “een schoon-gewassen zwijn wentelt zich weer in de modder.”
22Pwe, karajeraj o pwaida re’rail, me inda: Kiti men kin pur on kan a muj, o pwik, me duduer, pur on uledok nan pwel.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.